Week 34

Deze Week

L’AFFAIRE BOSKALIS
FRAUDEZAAK OP MAURITIUS
AMSTERDAM – Het betalen van smeergeld schijnt voor westerse bedrijven in Afrikaanse landen een noodzakelijk kwaad te zijn, maar er duikt zelden iets van bewijslast op. En als er iets lijkt op te duiken, gaat het om lullige bedragen. Op het eiland Mauritius, dat een strenge anticorruptiewetgeving kent, wordt al enkele weken gesproken over l’affaire Boskalis. Siddick Chady, de voorzitter van de Mauritiaanse havenautoriteiten, wordt ervan beschuldigd in 2006 steekpenningen te hebben aangenomen van het Nederlandse baggerbedrijf Koninklijke Boskalis Westminster.
De aantijgingen werden op 19 juli naar buiten gebracht door het regeringskritische weekblad Samedi Plus. Volgens het weekblad heeft Boskalis in het laatste kwartaal van 2006 verschillende geldtransacties – variërend van vijfentwintig- tot zestigduizend Amerikaanse dollar – uitgevoerd naar bankrekeningen in Groot-Brittannië die gecontroleerd worden door zakenpartners van Chady. Bij het artikel werd een faxbericht afgedrukt van een medewerker van Boskalis aan Chady waarin een van de overboekingen wordt bevestigd. Afgelopen weekend publiceerde Samedi Plus andermaal een faxbericht waarin sprake is van een transactie van zestigduizend dollar door Boskalis aan een Brits distributiebedrijf voor Bollywood-films. Het zijn opmerkelijke betalingen voor een baggerbedrijf, maar aangezien de familie Chady een bioscoopketen op Mauritius runt, lijkt Boskalis de transacties in opdracht van havenvoorzitter Chady te hebben uitgevoerd.
Inmiddels doen het Mauritiaanse ministerie van Toerisme en een onafhankelijke anticorruptiecommissie (ICAC) onderzoek naar de geldtransacties. Chady, een oud-minister en voormalig parlementslid uit de partij van de zittende premier Navin Ramgoolam, wijst alle beweringen van de hand. Op gesprek ontboden bij de ICAC, meldde hij dat hij net zijn paspoort was kwijtgeraakt tijdens een bezoek aan India. Het natrekken van zijn overzeese bankgegevens wordt hierdoor een stuk ingewikkelder. Eerder werd hij beschuldigd van medeplichtigheid bij een fraudezaak in 2002, waarbij de Mauritiaanse zakenman Teeren Appasamy zo’n vijftien miljoen euro aan pensioengelden van de Mauritius Commercial Bank had verduisterd. Appasamy werd vorig jaar in Londen gearresteerd door de Britse politie.
Volgens de berichtgeving op het eiland hebben de Mauritiaanse autoriteiten Boskalis schriftelijk om opheldering gevraagd, maar Boskalis-woordvoerder Martijn Schuttevâer weet van niets. ‘We vernamen via de pers op Mauritius dat er vragen zijn over geldtransacties’, zegt Schuttevâer desgevraagd. ‘We zijn de zaak aan het onderzoeken, maar kunnen nog niets bevestigen.’ Hij voegt er wel aan toe dat Boskalis strenge gedragscodes hanteert in de omgang met zakelijke partijen.
Boskalis kreeg in juli 2006 van de Mauritiaanse havenautoriteiten (Mauritius Ports Authority) een baggercontract toebedeeld voor de haven van de hoofdstad Port-Louis. Een relatief kleine opdracht van elf miljoen euro om de vaargeul naar Port-Louis uit te diepen van dertien naar 14,5 meter. De baggerwerkzaamheden werden destijds bemoeilijkt door vissers die compensatie eisten voor milieuvervuiling en belemmering van de visserij. Sinds de voltooiing van het baggerwerk in november 2006 kan Port-Louis als een van de weinige Afrikaanse havens ook de nieuwe generaties grote containerschepen ontvangen.
Verwacht wordt dat de ICAC binnenkort met een rapport over de vermeende fraudezaak komt. Bij voldoende bewijs kan Nederland worden verzocht om medewerking in het onderzoek.
RICHARD DE BOER

ZEE VAN MENSEN
VRIJWILLIGERS IN PEKING
PEKING – Wat is een grootschalig evenement zonder de inbreng van vrijwilligers? In China wordt nu veelvuldig een beroep op hen gedaan. Ze vormen de motor, de drijvende kracht achter de gehele organisatie. Alleen al in Peking – los van de zes andere steden die voor een deel onderdak hebben geboden aan het olympische programma – zijn bijna een half miljoen vrijwilligers actief, met de meest uiteenlopende taken. Ongeveer een zesde van hen is in en rondom de venue’s werkzaam. De rest wordt ingezet als tijdelijke hulpkracht in de directe omgeving van de olympische accommodaties en op andere belangrijke plekken in de hoofdstad. De overgrote meerderheid woont of studeert in Peking en is tussen de achttien en vijfentwintig jaar. Maar ook buitenlandse vrijwilligers uit zo’n honderd verschillende landen, onder wie een tiental Nederlanders, zijn actief betrokken. Daarnaast is een leger van ruim een miljoen Chinese burgers verantwoordelijk voor aanvullende dienstverlenende activiteiten. Aan menskracht dus geen gebrek, wat op zichzelf niet zo verwonderlijk is in een land met zoveel inwoners.
De vrijwilligers zijn op nauwkeurige wijze geselecteerd, waarbij zeker een paar miljoen sollicitanten buiten de boot vielen. Het beheersen van een buitenlandse taal was bij de selectieprocedures een voorwaarde, maar lang niet de enige om uitverkoren te worden. Het beschikken over algemene en sociale vaardigheden bijvoorbeeld was minstens zo relevant. En dat valt op: zonder uitzondering zijn ze ongelooflijk vriendelijk, gastvrij en behulpzaam. Ik heb nog geen vrijwilliger gezien met een chagrijnig gezicht. Altijd weer die betoverende glimlach, waardoor je hier voortdurend het idee hebt overspoeld en overdonderd te worden door emoties als warmte en genegenheid. In dat soort gevallen ben ik doorgaans geneigd te zoeken naar een plausibele verklaring. Mogelijk speelt het feit dat de autoriteiten de Smiling Beijing-campagne aan de Spelen hebben gekoppeld een rol. Maar het valt nu eenmaal niet te ontkennen dat zowel de aard als de mentaliteit van de gemiddelde inwoner van Peking structureel verschilt van die van de meeste westerlingen.
De gedrevenheid die de enthousiastelingen tentoonspreiden, is eigenlijk in alles wat ze doen nadrukkelijk zichtbaar. In mijn (typisch westerse) beleving gaat dat echter soms wel ten koste van de flexibiliteit. Regels zijn er in principe om te handhaven, óók wanneer ze misschien niet meteen logisch lijken.
De getoonde passie heeft eveneens indirect een relatie met de toekomst. Velen zijn zich er namelijk van bewust dat een positieve inbreng tijdens de Olympische Spelen en Paralympics een interessant opstapje zou kunnen betekenen voor later. Want ook in China neemt de waarde van een goed curriculum vitae in een rap tempo toe. Een (kleine) financiële tegemoetkoming of vergoeding zit er overigens niet in voor de betrokkenen; de term ‘vrijwilligerswerk’ in de meest letterlijke zin is dan ook van toepassing. De enige herinnering van materiële aard is dat ze na bewezen diensten hun kledingpakket mogen houden. Iets wat – samen met alle ervaringen – in emotioneel opzicht voor velen ongetwijfeld toch van onschatbare waarde is.
CHRIS KORSTEN

ZOMERKAMP
HET HERSENSPOELEN VAN DUITSE JEUGD
BERLIJN – Begin augustus maakte de politie in Mecklenburg-Voorpommeren een einde aan een vakantiekamp in het dorpje Hohen Sprenz, niet ver van Rostock. Veertig kinderen tussen de acht en veertien jaar oud werden daar begeleid door vijftig volwassenen. Volgens de agenten ging het niet om onschuldige padvinders die een kampvuur maken en oorlogje in het bos spelen, maar om de nieuwe generatie neonazi’s. Het kroost werd terug naar hun ouders gestuurd.
De kinderen kregen in legertenten geschiedenisles. ‘Waar ligt het Memelland en waar bevindt zich de Nordmark?’ Het antwoord moesten ze op landkaarten aanwijzen. Buiten deed de geüniformeerde jeugd paramilitaire oefeningen en hield zij zich bezig met schieten en vechtsporten. Al ’s ochtends vroeg werd er ijzeren discipline van de deelnemers verwacht. Bij dag en dauw stonden de kinderen op en moesten stram in de houding gaan staan voor het ochtendappèl. ‘Mein Glaube ist der Kampf’ dienden ze te roepen. Daarna stonden ellenlange wandelingen met zware soldatenbepakking op het programma.
Organisator van het kamp is de Heimattreue Deutsche Jugend (HDJ), die, niet toevallig, enige vergelijking vertoont met de Hitlerjugend (HJ). Deze rechts-radicale groep ziet zich als toekomstige elite en is niet voor de massa bedoeld, zoals haar voorganger, de Wikingjugend, die in 1994 verboden werd. De conservatieve minister Wolfgang Schäuble van Binnenlandse Zaken maakt vooralsnog geen aanstalten om de HDJ met haar vierhonderd leden te verbieden. Dat is merkwaardig, want in Hohen Sprenz werden allerlei symbolen uit het Derde Rijk gevonden. Theedoeken met hakenkruisen, cassettes met Rechtsrock, boeken en wapens. Een van de tenten heette de Führerbunker.
Het journalistencollectief Recherche Nord houdt zich al zes jaar bezig met de HDJ. Met gevaar voor lijf en leden documenteren ze de activiteiten van de neonazi’s die voor de buitenwereld verborgen blijven. Weekbladen uit Hamburg hebben door hun inzet nu speciale dossiers over het hersenspoelen van de jeugd. Der Spiegel zet in op ‘Der braune Sumpf’, Stern betaalt veel geld voor de actie ‘Mut gegen rechte Gewalt’ en Die Zeit heeft onder meer het blog ‘Netz gegen Nazis’.
Volgens de gelauwerde journaliste Andrea Röpke spelen vooral moeders een belangrijke rol bij de HDJ. ‘Ze hebben nog meer invloed dan vaders. Ze zetten bijvoorbeeld de verwarming laag, zodat de kinderen kunnen wennen aan de ijzige temperaturen bij het winterappèl.’
Tanja P. weet er alles van. Ze stuurde zelf twee van haar vijf kinderen naar de HDJ-kampen. Nu is Tanja uit de beweging gestapt en heeft daarmee een beschermde status als Aussteigerin. Haar vroegere kameraden vervolgen de Duitse moeder. Ze vertelt dat pizza in het neonazi-Duits Gemüsekuchen heet, en mailtjes verstuur je in het Weltnetz, niet via internet.
Alles wordt door de HDJ gecontroleerd, zelfs de taal. In hun tijdschrift Funkenflug staat een definitie van ‘tolerantie’: ‘Begrip voor laffe, zwakke mensen zonder werkelijke overtuiging’. Volgens Dirk Wilking van het mobiele adviesteam tegen neonazi’s in Brandenburg is de HDJ een sekte. ‘Het is bijzonder moeilijk voor jongeren om daar weer uit te komen. Wie in zijn puberteit niet tegen deze autoritaire opvoeding rebelleert, is later een gevaar voor de democratische maatschappij.’
ROB SAVELBERG

LAST CIGARETTE
SIMON GRAY (1936-2008)
LONDEN – Het dagelijkse leven van de onlangs op 71-jarige leeftijd overleden toneelschrijver Simon Gray was overzichtelijk: rond enen in de middag stond hij op, waarna hij rijstepap at, de cricketuitslagen doornam en een wandeling maakte door Holland Park, de West-Londense buurt waar hij woonde. In de avond dineerde Gray met vrienden, al dan niet in gezelschap van zijn zeventien jaar jongere vrouw Victoria Rothschild, een glaskunstenares. Meestal volgde er een bezoek aan een theatervoorstelling. In de late avond keek hij wat televisie, om vervolgens in de nachtelijke uren te werken aan toneelstukken, romans, televisiescripts en zijn dagboeken. Tussen alle bedrijven door rookte hij zo’n 65 sigaretten, dronk hij enkele flessen Veuve Clicquot, afgewisseld door een paar glazen Glenfiddich en snoepte hij biologische chocolade. Tijdens weekends op het platteland van Suffolk en op vakantie in Barbados of Griekenland was het ritme niet veel anders, al werd het aangevuld met zwemmen. Al rokend natuurlijk.
Mede door dit decadente leven verwierf Gray naam als bon vivant en bohémien. Zelf wees hij erop dat hij keihard werkte, ook al gebeurde dat wanneer de meeste andere mensen lagen te slapen. Sinds begin jaren zeventig oogstte Gray successen met zijn toneelstukken, die vaak werden geregisseerd door zijn boezemvriend Harold Pinter en die een andere vriend, Alan Bates, in de hoofdrol hadden. Zijn zwarte komedies waren satirische studies van het moderne leven, dat volgens hem sinds de beschaafde jaren vijftig met het jaar barbaarser van aard werd. In enkele van zijn stukken dook zijn alter ego Simon Hench op, een getrouwde, kinderloze uitgever die met de buitenwereld omgaat door te doen alsof die niet bestaat. Daar slaagde hij niet altijd in. In het hilarische Otherwise Engaged (1975) probeert Hench te luisteren naar een nieuwe Parsifal-uitvoering, maar daarbij wordt hij voortdurend lastiggevallen.
Gray’s levenswijze veranderde enigszins in mei 1997, toen hij van zijn huisarts te horen kreeg dat hij onmiddellijk moest stoppen met drinken, en als het even kon ook met roken. Gray hief een glas champagne op deze boodschap, waarna hij bewusteloos neerviel. Vanaf die dag zou hij alleen nog diet coke drinken en het aantal Silk Cuts bouwde hij af tot dertig per dag. Zijn halfslachtige pogingen om te stoppen met roken vormen de spanningsboog in zijn Smoking Diaries-trilogie, een soort autobiografie in de vorm van dagboeken, waaraan hij de afgelopen jaren heeft gewerkt, nog steeds op zijn Olympia-typemachine. Een andere constante in de trilogie vormt zijn weerzin jegens het autoritaire en betuttelende politieke klimaat van nu. Een paar jaar geleden kreeg Gray te horen dat hij ongeneeslijk ziek was. Hij schreef hierover in het derde en laatste deel, toepasselijk The Last Cigarette genaamd. Deze ontvlamde hij kort voor zijn overlijden.
PATRICK VAN IJZENDOORN