Week 35

Deze week

GEORGIË, MET VIJF STERREN
HET CREDO VAN BHL
PARIJS – Is een intellectueel op oorlogsreportage gebonden aan journalistieke wetten? Met zijn recente bezoek aan Georgië zocht Bernard-Henri Lévy de grenzen van het toegestane op.
Een studeerkamergeleerde kun je de Parijse sterintellectueel niet noemen. Eerder al bewees Lévy dat hij zich net zo thuis voelt in de loopgraven van Sarajevo, de jungle van Colombia of de souks van Islamabad als in Café Flore aan Boulevard Saint Germain. En dus zet hij op 13 augustus koers richting Tbilisi. Weliswaar in een privé-vliegtuig, want enig basaal comfort stelt Lévy op prijs. Documentairemaker Raphaël Glucksmann (zoon van) vliegt mee om de verrichtingen van Lévy te filmen.
In de Georgische hoofdstad nemen ze hun intrek in een vijfsterrenhotel en leggen contact met president Saakasjvili. Deze stelt persoonlijk een tolk beschikbaar en de volgende dag reizen ze af naar de door de Russen bezette stad Gori. Helaas, een wegversperring dreigt roet in het eten te gooien. Maar terwijl tientallen geblokkeerde journalisten tandenknarsend toekijken, weet Lévy zijn reis te vervolgen in de auto van de Estlandse ambassadeur.
Eenmaal terug in Tbilisi volgt nog een ontmoeting met Saakasjvili, een haastige blik op het door president Sarkozy meegebrachte vredesakkoord en vervolgens herneemt Lévy’s gewone leven zich. Op 16 augustus landt hij op het vliegveld van Nice – precies op tijd voor zijn lunchafspraak.
Twee dagen later verschijnt in dagblad Le Monde een met veel flair geschreven verslag van zijn bliksembezoek. Beeldend en indringend vertelt Lévy over een groepje journalisten dat door de Russen uit hun auto wordt getrokken en beroofd. Gori is veranderd in een vuurzee en in de straten hangt een geur van rottend vlees.
De Franse website Rue89 rook onraad en besloot tot ‘wat de Engelsen een fact check noemen’. Redacteuren zochten contact met enkele van Lévy’s medepassagiers en die verklaarden dat de ambassadeauto op anderhalve kilometer vóór Gori was blijven steken. De vlammen waren afkomstig geweest van brandende korenvelden. Van een ontbindingslucht kon niemand zich iets herinneren.
De auto met journalisten was in werkelijkheid een auto met functionarissen van vluchtelingenorganisatie UNHCR, wist Glucksmann jr. Maar gezien hebben kon Lévy de scène niet, want die voltrok zich ‘om de bocht, vijfhonderd meter verderop’. Op de site van Rue89 regende het reacties, maar elders lijkt niemand zich over het fabuleren van Lévy op te winden. Weinig verbazingwekkend meent Marc-Olivier Padis, hoofdredacteur van het prestigieuze maandblad Esprit. ‘Anders dan in Angelsaskische landen doen de feiten er in de Franse traditie veel minder toe’, zegt hij desgevraagd. ‘Wat in Frankrijk telt, is de elegante formulering. Zodra prominente academici een bestseller van Lévy aan flarden rijten omdat de feiten niet kloppen, zegt iedereen “en wat dan nog”. Si non è vero, è ben trovato, dat Italiaanse spreekwoord is, helaas, nog steeds het Franse intellectuele credo.’
MARIJN KRUK

DE MONNIK EN DE BOKSER
PEKING NA DE SPELEN
PEKING – Al vroeg in de ochtend komt het kleurrijke leven op gang in de buurt van de imposante Yonghegong Lama Tempel, gelegen in hartje Peking. De straten zijn zojuist schoongepoetst, het rochelende en klotsende verkeer zorgt echter weer voor verse aanvoer van stof. Terwijl een waterig zonnetje langzaam maar zeker erin slaagt de hemelplaat van grijs staal te doorbreken, gaan de deuren van de naburige winkeltjes een voor een open. Veel mensen, jong en oud, kopen hier hun bundels wierook, die straks worden geofferd om (voorouder)geesten te vriend te houden en speciale wensen te doen.
Gedurende de Olympische Spelen vonden alle gangbare activiteiten doorgang in het heiligdom, dat overigens een vorm van Tibetaans boeddhisme vertegenwoordigt. Nu de Spelen achter de rug zijn, lijkt het alsof de meeste tempelgangers alweer vergeten zijn dat het voornaamste mondiale sportevenement zich onlangs in deze stad voltrok. Schijn bedriegt. Zelfs in deze traditionele en spirituele omgeving geven velen nog altijd blijk van hun euforische gevoelens over de nagenoeg perfecte organisatie waarvoor hun land verantwoordelijk is geweest. Ook onder de ruim honderd lama’s, de Chinese monniken voor wie de tempel als vaste verblijfplaats geldt, zijn dergelijke emoties onverminderd aanwezig.
De 29-jarige Su Ya La Tu, een oorspronkelijk uit Binnen-Mongolië afkomstige lama, is een verhaal apart, aangezien hij tijdelijk deel heeft uitgemaakt van twee totaal verschillende werelden. Tijdens de Spelen was hij als vrijwilliger actief in het olympisch dorp. ‘Ik weet niet hoe ze allemaal heten’, vertelt hij, ‘veel sporters heb ik in ieder geval héél even van dichtbij meegemaakt. Dat was een unieke en fantastische belevenis. Tussen de bedrijven door heb ik mantra’s gereciteerd, want dát moest natuurlijk óók gewoon doorgaan. Aan het einde van de dag genoot ik samen met andere lama’s van de televisiebeelden in onze woonvertrekken. Niet alleen wíj, maar de hele wereld heeft kunnen zien dat alles naar wens is verlopen. Voor het Chinese volk is dan ook een droom uitgekomen. Ons volk staat er misschien niet om bekend superuitbundig te zijn, maar geloof me dat onze harten op hol zijn geslagen. Dat we zóveel medailles hebben veroverd, is uiteraard een prettige bijkomstigheid. Minstens zo belangrijk is dat dit grootse evenement uitsluitend positieve dingen voor onze maatschappij heeft voortgebracht.’
Vele uren later, wanneer het avondlicht al ligt te smeulen, beland ik in een geheel andere omgeving. In het uitgaansgebied, op een steenworp afstand van de vermaarde ‘Drum Tower’, is er van de aloude tradities weinig meer heel. In dit toeristische gedeelte regeert het hippe, moderne leven, veelal op westerse leest geschoeid. In een loungebar, waar pikant geklede barmeisjes op hoge laarzen de klant uitnodigen alcoholische versnaperingen te nuttigen en sisha te roken, raak ik toevallig in gesprek met een sportief uitziende jongeman die een fanatieke bokser blijkt te zijn. Hij vertrouwt me toe dat hij de Spelen van begin tot eind heeft gehekeld, iets wat je niet vaak in het openbaar hoort. ‘Vergeet niet dat er gigantische offers zijn gevraagd. Veel hutongs, bijvoorbeeld, zijn de laatste jaren met de grond gelijkgemaakt om plaats te maken voor die onooglijke betonjoekels. De oude woonwijkjes worden dus net als de panda’s met uitsterven bedreigd. De miljarden die in de organisatie van de Spelen zijn gestopt, zien we nooit meer terug. En op het gebied van mensenrechten heeft China de afgelopen tijd geen vooruitgang geboekt, ik ben juist eerder geneigd te zeggen dat vanwege de toegenomen controles het tegenovergestelde het geval is.’
CHRIS KORSTEN

LANGE MUGZA
DE BRANDENDE MAN
VAN JOHANNESBURG
JOHANNESBURG – Op 19 mei domineerde een foto van een brandende man de voorpagina’s van de Zuid-Afrikaanse kranten. Het beeld zou de wereldpers halen, en de zich half oprichtende man in de vlammenzee zou bekend worden als ‘The Burning Man’, een van de ruim zestig slachtoffers van het xenofobe geweld dat dagenlang door het land raasde. Toen dat weer enigszins tot bedaren was gebracht, verdween de oranje flakkerende man naar de statistieken. Een anonieme sukkel, een sloeber uit Mozambique, zo bleek.
De Nigeriaanse documentairemaker Adze Ugah vond dat de man een respectvoller lot verdiende. Daags na de onlusten reed hij naar de Ramaphosa krottenwijk ten oosten van Johannesburg. De sfeer was daar echter nog zo grimmig dat hij meteen rechtsomkeert maakte. Een dag later ging hij opnieuw, parkeerde zijn auto bij de golfplaten hutjes, haalde zijn camera tevoorschijn en begon met vragen, hij, een buitenlander die geen van de Zuid-Afrikaanse talen machtig is.
Drie maanden later is het resultaat van zijn gewaagde arbeid te aanschouwen tijdens het Tri Continental Film Festival in Johannesburg, waar Ugahs film The Burning Man onderdeel is van het werk van Film Makers Against Racism, negen documentaires over die lugubere dagen in mei. Ugahs doel: de verbrande Mozambikaan zijn menselijkheid teruggeven. Hij wilde laten zien dat Ernesto Alfabeto Nhamavue behalve de Burning Man ook een mens was, iemand met vrouw en kinderen, voor wie hij als los-vast bouwvakker in een vreemd land zwoegde.
Ugah laat bewoners van Ramaphosa vertellen hoe de stille, teruggetrokken Ernesto met zijn maat Francisco Kanze een éénkamerkrot in de wijk deelde. In de buurt stonden ze bekend als ‘lange Mugza’ en ‘korte Mugza’. Niemand kende hun echte namen. Ze woonden er pas een maand.
We horen hoe de twee de verkeerde kant op vluchtten, toen de vlam op 18 mei in de pan sloeg. Francisco werd neergestoken, maar overleefde. Ernesto werd in brand gestoken. Toen het lijf van ‘lange Mugza’ geen vlam wilde vatten, werd hij door de meute in dekens gewikkeld. Dat brandde beter.
Dan verplaatsen we ons naar Mozambique, naar Vuco, een tropisch dorp zonder stromend water en elektriciteit nabij het kustplaatsje Inhambane. Daar zien we Ernesto’s vrouw Hortencia, die het verlies van haar man na een ingetogen begrafenis haast stoïcijns heeft geaccepteerd. We zien zijn twaalfjarige zoontje Alfabeto, die stil moet huilen als Ugah vraagt of hij weet dat hij zijn vader nooit meer zal zien.
Na de vertoning van The Burning Man is regisseur Ugah in de bioscoopzaal om vragen te beantwoorden. De meest nijpende blijkt of de moordenaars al zijn gestraft. Ugah zegt dat na het geweld tientallen mensen zijn gearresteerd. Maar ondanks alle getuigen – en de voorpaginafoto’s – is nog niemand opgepakt voor de verbranding van Ernesto.
FRED DE VRIES

ZEEP!
SOAPTOERISME IN TURKIJE
ISTANBUL – Heeft de politieke islam zoveel terrein gewonnen in Turkije? Waarom zijn er zoveel gesluierde vrouwen hier? Het zijn vragen die een Europese toerist zich dezer dagen gerust kan stellen in Istanbul. Het stikt er in de straten van de gesluierde vrouwen en hun bebaarde mannen. Dit straatbeeld heeft echter niets met de politieke islam en zijn invloed te maken. Het zijn de Arabieren die Istanbul bestormen deze zomer. Niet omdat ze de Bosporus of de Aya Sophia willen bezichtigen. Nee, ze zijn nieuwsgierig naar de stad waar hun favoriete soapserie Gumus wordt opgenomen.
In deze serie wordt het verhaal van een rijke jongen en een arm meisje verteld. Ze worden verliefd op elkaar, stappen in het huwelijksbootje, maar de problemen en de intriges volgen elkaar uiteraard in razend tempo op. De jongen is blond, heeft blauwe ogen en is knap. Het meisje is een bloedmooie brunette. Ze vechten samen tegen onrecht, maar het belangrijkste misschien is dat de jongen respect kan opbrengen voor de problemen van zijn vrouw en haar ziet als zijn gelijke. Dit verbaast de Arabieren, omdat de hoofdrolspelers uit een islamitisch land komen.
Gumus is in de Arabische landen ingeslagen als een bom. Volgens krantenberichten is de Turkse serie, die in de Arabische wereld onder de naam Nur wordt uitgezonden, de hype van het jaar. Als Nur op tv is, lopen de straten leeg – van de Gazastrook tot Riyad zitten mensen, vooral vrouwen, aan de buis gekluisterd.
Het advies van moslimgeleerden en hoge imams om de serie te boycotten, omdat de man-vrouwverhoudingen erin verderfelijk zouden zijn en echtscheiding als een normale zaak wordt voorgesteld, wordt volledig genegeerd door het gewone Arabische volk. De Arabieren laten het daar niet bij; ze reizen ook nog eens helemaal naar Istanbul om de stad te zien waar het verhaal zich afspeelt en om het onderkomen van het soapechtpaar van dichtbij te bekijken.
Turkije is een land dat economisch gezien voor een groot deel afhankelijk is van toerisme-inkomsten. Volgens recente cijfers is het aantal Arabische toeristen in Turkije in vergelijking met vorig jaar met maar liefst zeventig procent toegenomen. Heel Turkije lijkt garen te spinnen bij de soapserie, maar wie nog wel het meest profiteert is de wakkere zakenman die de villa aan de Bosporus, waar de serie wordt opgenomen, voor twintigduizend euro per maand heeft gehuurd en open heeft gesteld voor de Arabische fans. Per bezoeker int hij dertig euro. Er schijnt geen dag te zijn waarop minder dan driehonderd Arabieren de muren van de villa strelen.
ERDAL BALCI

OLYMPISCHE LOTERIJ
BRITS SUCCES IN PEKING
LONDEN – ‘Goh, nooit geweten dat de Britten zo goed zijn in zwemmen. Ik woon hier nu twaalf jaar en in al die tijd heb ik nog nooit een zwembad gezien.’ Arsène Wenger, de Franse voetbaltrainer van Arsenal, kon zijn verbazing over de Britse prestaties op de Olympische Spelen niet voor zich houden. In de medaillespiegel staan ze voor Duitsland en, tot grote neokoloniale euforie, Australië. Gordon Brown, die als minister van Financiën tien jaar geleden de Britse goudvoorraad voor een dumpprijs heeft verkocht, werd bevangen door de goudkoorts en zei dat wat hem betreft ook de militairen in oorlogsgebieden olympische helden zijn.
Het is merkwaardig dat de Britten vooral medailles winnen op disciplines waarmee het land niet snel wordt geassocieerd. Zwemmen? Dat is niet eens een verplicht onderdeel op de basisschool, wat ertoe kan leiden dat, zoals vorig jaar gebeurde, twee stadswachten hulpeloos stonden toe te kijken hoe twee kinderen verdronken in een meertje. Terwijl Rebecca Adlington in Peking goud won op de 400 meter vrije slag, besloot de vooruitstrevende Londense deelgemeente Lewisham het oudste zwembad van Londen af te breken. Fietsen is evenmin een populair tijdverdrijf op het eiland. Er zijn politici die een fietsrijbewijs willen invoeren.
De Britten zelf staan verbaasd. ‘Adlington is niet opgegroeid in een of ander zonovergoten kustplaats in Californië’, schreef de Londense burgemeester Boris Johnson, ‘ze komt uit Mansfield, niet het soort oord waar je in badpak rondloopt.’ Een waarnemer vroeg zich af of het barre openbaar vervoer misschien van invloed is, wat meteen ook de heldendaden van Formule 1-rijder Lewis Hamilton verklaart. Een ander denkt dat er een link is met het afglijden van het land naar een autoritaire heilstaat, daar de sportgeschiedenis uitwijst dat vooral dictaturen medailles verzamelen. Een derde looft Norman Tebbit, die begin jaren tachtig als minister voor Werkgelegenheid zei dat werklozen op hun fiets moesten stappen om een baan te zoeken.
Serieuzer was een analyse van commentator Jim White die John Major uitriep tot held van de Spelen, ook al is diens geliefde cricketsport sinds 1912 geen olympische discipline meer. In 1994 lanceerde de toenmalige premier samen met zijn ‘minister for fun’ David Mellor de National Lottery, waarvan de opbrengst onder meer zou gaan naar faciliteiten voor minder populaire sporten. De Britten kijken nu al uit naar de medailleregen over vier jaar in eigen land. Er geldt één voorbehoud: steeds meer loterijgeld verdwijnt naar de organisatie van het evenement in plaats van naar de sporters zelf.
PATRICK VAN IJZENDOORN