Deze Week

Week 39

TAALBEHEERSING
NATIONAAL SALONSOCIALISME
BERLIJN – Meestal loopt Matthias Döpfner niet uit de pas. Gepromoveerd in de muziekwetenschap, oud-redacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, woonachtig tussen de nouveau riche in Potsdam en bestuursvoorzitter van Axel Springer, het media-imperium dat onder meer het rioolblad Bild uitgeeft. Döpfner bekleedt deze positie bij de gratie van zijn buurvrouw Friede Springer, in haar vorige leven kindermeisje bij wijlen Axel Springer, later diens geliefde en nu miljardair.
Döpfner geldt als Schöngeist, werd door de lezers van het tijdschrift Deutsche Sprachwelt tot taalbewaarder van het jaar 2004 gekozen. Toch noemde diezelfde Döpfner, nota bene germanist, Oskar Lafontaine een ‘nationaal socialist’. Geen nazi dus, of nationaal-socialist, maar een socialist die nationaal denkt.
Sterke taal. Lafontaine, leider van Die Linke, een monsterverbond van postcommunisten uit de vroegere DDR en ontevreden vakbondsleden uit het voormalige West-Duitsland, roept om onteigening van grote bedrijven. Het zou onzinnig zijn als families miljarden euro’s beheren. Lafontaine en radicale partijgenoten willen onder meer autobouwer BMW in eigendom van de staat brengen.
Het tijdstip voor onteigeningen is niet slecht. Zelfs in het moederland van het globale kapitalisme, de VS, worden nu verzekeringsgiganten en hypotheekverstrekkers onder toezicht van de regering gebracht. Als de Amerikaanse federale overheid dat kan, dan moet dat ook in Duitsland kunnen, zegt Lafontaine, die een slaatje uit de economische crisisstemming wil slaan.
Jarenlang was hij deelstaatpremier voor de sociaal-democraten in het Saarland, vanwege zijn arrogantie luidde zijn bijnaam ‘kleine Napoleon van de Saar’, mede wegens zijn geringe grootte. Ook zijn maatje Gerhard Schröder stond niet bekend vanwege zijn uitzonderlijke lengte. Samen joegen ze Helmut Kohl in 1998, na zestien lange jaren, uit het Kanzleramt.
De een werd kanselier, de ander zijn belangrijkste minister. Schröder rookte Cohiba-sigaren en droeg Italiaanse maatpakken. Lafontaine wilde als bewindvoerder op Financiën de rijken aanpakken en Robin Hood spelen. Hedgefonds, private equity en speculanten kwamen op de zwarte lijst. Een vermogensbelasting werd gepland. Dat beviel Schröder als Genosse der Bosse niet. Exit Lafontaine. In dienst van Die Linke drijft hij tegenwoordig de SPD voor zich uit.
In Chemnitz, een stadje dat in de DDR Karl-Marx-Stadt heette, waarschuwde hij voor Fremdarbeiter. Deze anonieme arbeiders uit den vreemde zouden de baantjes van hardwerkende Duitsers afpakken. De uitdrukking herinnerde velen aan het vocabulaire van de nazi’s. Een socialistische slogan met een nationalistisch tintje. Vandaar de uitspraak van Döpfner.
Vorige week is Lafontaine 65 geworden. Hij werd uitgebreid gefeliciteerd in zijn lijfblad Bild, het blad van diezelfde Matthias Döpfner. Na zijn afgang bij de SPD schreef Lafontaine af en toe columns voor deze krant met zijn karakteristieke bloedrode koeienletters. Daarvan kon de socialist goed leven, bleek uit zijn riante villa. Op navraag van ondergetekende bleek hij vijfduizend euro per maand te verdienen met zijn wekelijkse column voor de vijand.
ROB SAVELBERG
OMGEKEERD MAAR HETZELFDE
DE NIEUWE WIT-ZWARTVERHOUDINGEN
JOHANNESBURG – Quentin Tarantino zou het geschreven kunnen hebben. Het is negen uur ’s avonds. De camera zoomt in. Twee mannen staan naast elkaar in het urinoir van de Merseyside Pub and Tavern in de Zuid-Afrikaanse havenstad Durban. Ze schudden de druppels af en maken de gulp dicht. De een maakt een opmerking over de grootte van de penis van de ander, in de trant van: ‘Hé dikke zak, de mijne is groter.’
De mannen gaan terug naar hun tafeltjes waar hun kameraden naar een voetbalwedstrijd op de televisie kijken en vertellen wat er in de toiletten is voorgevallen. Over en weer wordt geschreeuwd en gescholden. De twee groepjes gaan naar buiten om even fysiek orde op zaken te stellen. Er wordt gestompt en geslagen. De ene groep gaat weer terug naar binnen, om de voetbalwedstrijd af te kijken. De andere blijft buiten. Pfff, gelukkig, niets aan de hand, een gewoon kroeggevecht, denken de overige klanten, een typische uit de hand gelopen kroegruzie. Beetje op z’n Engels. Past wel bij de Merseyside Pub and Tavern.
Totdat de buitenblijvers naar hun auto lopen. Ze komen terug met pistolen en openen vanuit de deuropening het vuur op het voetbalkijkende clubje: drie doden en twee zwaar gewonden. De schutters verlaten de pub, stappen in hun auto en rijden weg.
De dagen daarna komen de saillante details boven water. Er was drank in het spel, natuurlijk. Maar ook bleek de ruzie een racistisch element te hebben: Indiërs tegen blanken, of andersom. Het was de Indiër die snerende opmerkingen maakte over de geslachtsgrootte van de blanke. ‘Wij Indiërs en zwarten hebben grotere pikken dan jullie blanken!’
Daarna vroeg het groepje blanken, vaste klanten van de Merseyside Pub and Tavern, luidkeels wat die ‘koelies en kerrievreters’ eigenlijk in die kroeg te zoeken hadden. Toen liep iedereen naar buiten en vielen er klappen.
En er was meer. In de dagen van de apartheid zouden het de blanken zijn geweest die hun pistolen voor de dag hadden gehaald om er als cowboys op los te knallen. Deze keer waren het de Indiërs, die volgens een politiewoordvoerder ‘precision style’ hun opponenten eruit pikten en neerschoten, twee in de borst en één in zijn hoofd. Bovendien bleek dat twee van de schutters, die diezelfde nacht met drie anderen werden gearresteerd, politieagenten waren. Een derde was reservist.
Zo ziet het nieuwe Zuid-Afrika eruit: omgekeerd maar nog precies hetzelfde. Machocultuur, alcoholmisbruik, racisme, politie die zich niet kan beheersen en wapens die worden meegenomen tijdens een avondje stappen.
Vreemd genoeg kreeg het incident nauwelijks aandacht in de Zuid-Afrikaanse media. Het was geen voorpaginanieuws, er waren geen achtergrondverhalen, geen analyses. Niks. Alsof het politiek toch al zo chaotische land te verdoofd en te bang is om dit ook nog overhoop te halen.
FRED DE VRIES

DE SHOW IS VOORBIJ
RAMPEN IN CHINA
PEKING – De olympische euforie in China heeft kort geduurd. Koud was de grootste show die de wereld ooit gekend heeft voorbij of de realiteit diende zich aan. Van de ene dag op de andere maakte het spektakel plaats voor een serie man made disasters, de ene ramp nog miserabeler dan de andere, met als dieptepunt het schandaal van de vergiftigde melk. Op het olympisch triomfalisme en het gejuich van vier miljard televisiekijkers zijn zonder overgang rouw, wanhoop, ongeloof en woede gevolgd, en enorme verlegenheid bij de regering.
Het olympische geluksjaar 2008 is voor China een rampjaar van formaat. Op de sneeuwramp tijdens Chinees Nieuwjaar volgden een kolossaal treinongeluk, de bloedige opstand en de veel bloediger onderdrukking in Tibet, felle demonstraties tijdens de buitenlandse reis van de olympische fakkel, een mega-aardbeving in Sichuan en grote overstromingen in Zuid-China. En toen kwamen de Olympische Spelen, die alle ellende moesten doen vergeten. Het was een onder strakke regie opgevoerde extravaganza, die de Chinezen en de wereld een indrukwekkend beeld heeft gegeven van wat de economische revolutie tot stand heeft gebracht.
Dat was echter maar één gezicht van China. De andere gezichten zijn tijdens de Spelen niet in beeld gekomen. De Paralympics waren nog maar net begonnen, toen in een bergachtige streek in Noord-China onder hevige regens de muur van een stortplaats van mijnafval bezweek. Het daaronder liggende dorp werd bedolven: zeker 270 doden, en waarschijnlijk veel meer, want er woonden veel illegale mijnwerkers. De mijn zelf had geen vergunning, de stortplaats was illegaal, de steunmuur veel te zwak. Volgens de wet was de ramp onbestaanbaar. Maar in het niet-olympische China gebeurt alles wat officieel niet mag, en worden besluiten van de centrale overheid niet uitgevoerd als de lokale autoriteiten er geen brood in zien.
Het melkschandaal zou veel eerder zijn uitgebroken als de autoriteiten niet hadden besloten het geheim te houden om de harmonie tijdens de Spelen niet te verstoren. Pas na het feest werd bekend dat melkpoeder en melk op grote schaal waren aangelengd met water. Dat was weggemoffeld door toevoeging van het proteïnerijke gif melamine. Afgelopen dinsdag was het aantal zieke kinderen gestegen tot bijna 53.000, terwijl er al vier waren overleden. Angstige ouders, arrestaties, ontslagen en een knauw in het prestige van China, dat na de schandalen van vorig jaar over onveilige, soms dodelijke producten beterschap had beloofd. Het melkschandaal tekent een andere Chinese realiteit, die in het olympische triomfbeeld niet past: een falend controlebeleid, en vooral een immoreel idee over zaken doen.
Intussen hebben zich andere rampen afgespeeld, zoals de brand in een illegale disco in Shenzhen zonder goede nooduitgangen (43 doden) en de gebruikelijke slachtingen in de kolenmijnen. Positief punt: een golf van verbijsterde kritiek op internet.
JAN VAN DER PUTTEN

STILLE WANHOOP
RICK WRIGHT (1943 – 2008)
LONDEN – Veel heeft de onlangs overleden Pink Floyd-toetsenist Rick Wright niet gezongen, maar de mooiste zin uit het oeuvre van de Britse band kwam wel voor zijn rekening: ‘Hanging on in quiet desperation is the English way’. Deze regel uit Time komt regelmatig bij me op wanneer ik het stille lijden van de eilandbewoners aanschouw, die met al hun diepe gevoel voor beschaving niet gewend zijn om luidruchtig te klagen, zoals de Amerikanen, agerend de straat op te gaan, zoals de Fransen, of boers te reageren, zoals in onze eigen polder. Binnen de context van dit liedje heeft de stille wanhoop vooral te maken met het ouder worden, waarbij de jaren steeds sneller lijken te gaan, wat later op fraaie wijze zou worden omschreven door Douwe Draaisma in Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt.
De melancholie in Time zit ’m niet alleen in de tekst, maar ook in Wrights atmosferische bijdrage. In de beginjaren van de band was Wright verantwoordelijk voor nummers als See-Saw en Remember a Day, over het verlangen naar de onschuldige kindertijd, in Wrights geval een cornflakesjeugd in Noordwest-Londen, terwijl The Summer of ’68 een ode is aan de mooiste zomer van de swinging sixties en een bijbehorende verliefdheid. Tijdens de hoogtijdagen van de symfonische Pink Floyd, in de eerste helft van de jaren zeventig, draagt Wright met zijn Hammond-orgel grote muziekstukken als Shine on You Crazy Diamond, een eerbetoon aan oprichter en lsd-slachtoffer Syd Barrett, The Great Gig in the Sky en vooral ook Echoes. Dat laatste nummer is het hoogtepunt van het memorabele concert in het lege amfitheater van Pompeï.
Michelangelo Antonioni bracht de muziek van Wright in 1970 treffend onder woorden tijdens de opnames van Zabriskie Point, een film die muzikaal zou worden begeleid door Pink Floyd: ‘Het is erg mooi, maar het is erg droevig. Het doet me denken aan de kerk’, zei de Italiaanse regisseur, nadat Wright wat akkoorden in D mineur had aangeslagen. Na Wish You Were Here nam Roger Waters steeds meer de leiding, wat niet alleen leidde tot een toename van bombast en politiek protest, maar ook tot het einde van Wrights rol.
Binnen de groep was Wright altijd de flegmatieke gentleman, waren Waters en David Gilmour de botsende ego’s en was Nick Mason de sarcastische commentator langs de zijlijn. Toen Mason met zijn autobiografie kwam, liet hij die eerst lezen aan de andere drie. Gilmour had een paar kanttekeningen en Waters, na de rode pen duchtig ter hand te hebben genomen, hing meteen aan de telefoon. En Wright? Die las het, waarschijnlijk op zijn jacht nabij de Maagdeneilanden, en vond het allemaal wel best. Al dan niet in stille wanhoop.
PATRICK VAN IJZENDOORN