Week 19

Deze Week

Hoe het mis gaat in Afghanistan

Er wordt wat afgelachen om de mededeling van minister Bert Koenders (PvdA) voor Ontwikkelingssamenwerking: Uruzgan moet de Betuwe worden van Afghanistan.

AMSTERDAM – Uruzgan-gebied is geschikt voor de teelt van abrikozen, perziken en amandelen. Wat Koenders verkondigt lijkt een sprookje. Uruzgan, de Afghaanse provincie waar momenteel Nederlandse isaf-militairen trachten veiligheid te bieden zodat de Afghaanse regering er haar macht kan vestigen, is nog lang niet onder controle.

De Uruzgan-missie loopt nu meer dan tien maanden en Koenders is de enige bewindspersoon geweest die de veelgehoorde opmerking dat deze oorlog ‘niet met militaire middelen gewonnen kan worden’ inhoud gaf. Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: Nederlandse eenheden zijn verwikkeld in een bittere contraguerrilla, een counter-insurgency-_missie. Alle eerdere ervaringen van dergelijke oorlogen (Atjeh, Maleisië, Vietnam, Irak) leren dat die verloren is als het gros van de bevolking geen zwaarwegende redenen heeft om de rebellen af te vallen. _It’s the economy, stupid! citeerde overste Gerard Koot, de vorige commandant van het reconstructieteam in Uruzgan, met graagte Bill Clinton. Wie in vrede een goede boterham verdient, zal zich verzetten tegen ideologisch ingegeven geweld. Dat kun je niet eten, noten wel. Ze leveren zelfs meer op dan papaver, de grondstof voor opium.

Tijdens tochten met Nederlandse eenheden trof De Groene Amsterdammer veel papavervelden en enkele amandelboomgaardjes. Twee problemen meldden de dorpelingen: water en een veilige route naar de markt van Tarin Kowt. De Nederlanders werken eraan. Maar de rebellen, soms hardcore Taliban, soms drugshandelaren, soms gedupeerde boeren die de ongelovigen uit hun land willen hebben, bedreigen de dorpelingen. Wie samenwerkt met de Nederlanders wacht het noodlot. Uit een dorp werden ’s nachts, na een eerder Nederlands bezoek, de mannen meegenomen. Ze werden geslagen en bedreigd. De dorpsoudste die het ons vertelde, vroeg bedeesd of de militairen zo snel mogelijk wilden vertrekken. Een counter-insurgency-operatie is zo sterk als zijn zwakste schakels. Afghanistan kent er twee: de Amerikanen en de Afghaanse overheid. De Amerikanen bijten zich vast in het bestrijden van de papaverteelt, waarvan kleine boeren de dupe worden. De Afghaanse overheid is corrupt en incompetent. De tentakels van de opiummaffia strekken zich uit tot de regering-Karzai zelf.

Afgelopen maand werd duidelijk hoezeer isaf langs de afgrond scheert. Twee keer leegden Amerikaanse mariniers hun wapens op omstanders en doodden tientallen burgers. Vorige week maakte ook de Navo burgerslachtoffers. In Herat, het tot voor kort veilige district in het westen, vielen meer dan vijftig burgerdoden door bombardementen waar waarschijnlijk ook Nederlandse F16’s bij betrokken waren. Het leidde tot woedende demonstraties. Les 1 van de contraguerrilla: een slechte behandeling van de bevolking leidt tot meer steun voor de guerrilla en schaadt de missie.

Dat geldt ook voor de papaververnietiging. Voordat de missie begon zeiden Nederlandse generaals, Navo-bevelhebbers en ministers dat isaf niet zou meewerken aan de vernietiging. De reden: wie de arme boertjes aanpakt, drijft hen in de armen van de rebellen. Het zijn juist de handelaren en smokkelaars die eruit gepikt moeten worden, niet de telers. Het standpunt nu: opiumbestrijding is een zaak van de Afghaanse regering. isaf steunt haar en moet meewerken als daarom wordt gevraagd. Koenders heeft als voorwaarde gesteld dat kleine boeren ontzien worden. Maar er is geen kadaster in Uruzgan. Onderminister van Anti-drugszaken Khodaidat vertelde een gpd-verslaggever: ‘Als we ergens beginnen, pakken we alle velden aan. Wie de eigenaar is, maakt ons niks uit.’

Ook aan de tweede Nederlandse voorwaarde is niet voldaan: boeren overhalen alternatieve gewassen te verbouwen. Het resultaat: vernietigingsteams, inclusief journalisten, worden beschoten door wanhopige telers die in hun bestaan bedreigd worden. Het gebeurde de afgelopen weken twee keer in Uruzgan en het is koren op de molen van de rebellen. Weg steun van de bevolking. Weg besef dat zij beter af is met isaf. Weg Uruzgan-Betuwe.

Het is géén fata morgana, Koenders’ Betuwe-plan. Het is Nederlands eigen catch 22.

JOERI BOOM

Bush’ beschaving

Volgens historicus Andrew Roberts is president Bush de natuurlijke leider van het Britse rijk.

NEW YORK – Wekenlang was er in het Witte Huis geverfd en gepoetst om afgelopen maandag de Britse koningin Elizabeth II te kunnen ontvangen. Voor Bush en het personeel was zelfs een speciaal etiquetteboekje samengesteld, meldde The New York Times. Iedereen hield zijn hart vast: zou de Texaanse cowboy zich in koninklijk gezelschap weten te gedragen?

De president heeft een zekere reputatie. Zo begroette hij de Britse premier Tony Blair eens publiekelijk met: ‘Yo Blair, how are you doing?’ En in 1991, bij een staatsbanket tijdens zijn vaders presidentschap, legde hij Queen Elizabeth uit dat hij ‘het zwarte schaap van de familie’ was. Moeder Barbara Bush greep in toen haar zoon vervolgens aan de koningin vroeg wie bij háár in de familie het zwarte schaap was. Tijdens een sjiek diner bij de Verenigde Naties zette een dorstige Bush tot schrik van toenmalig minister Colin Powell een waterfles aan zijn mond. Powell schonk bij wijze van hint snel Bush’ glas vol.

Deze keer was bij het ‘belangrijkste sociale evenement’ van Bush’ presidentschap niets aan het toeval overgelaten. Maar bij een kleine verspreking in zijn welkomstwoord stond Bush het schaamrood op de kaken. Queen Elizabeth had al met tien Amerikaanse presidenten aan tafel gezeten, memoreerde Bush. En ze was er bij toen tweehonderd jaar declaration of independence gevierd werd. Wanneer? ‘In 17..’, begon de president, om er na een korte stilte ‘1976’ van te maken. De majesteit keek vervolgens ‘zoals alleen een moeder naar een kind kan kijken’, grapte Bush besmuikt tegenover een niet lachende Elizabeth.

Vervolgens vervolgde hij, geheel conform het protocol, zijn lofzang op de Brits-Amerikaanse relaties. Britse parlementen, zei Bush, ‘vestigden principes die leidend waren voor alle moderne democratieën’. ‘Denkers als Locke, Smith en Burke’ hebben laten zien dat ‘vrijheid het natuurlijk recht is van iedere man, vrouw en kind op aarde’ en Britse ontdekkingsreizigers ‘hielpen vrijheid naar veel landen te verspreiden, inclusief het onze’.

Vrij onschuldige woorden, geheel in lijn met de vrijheidsideologie die Bush’ presidentschap kenmerkt. Maar wie weet dat Bush in de ban is van een zonderlinge Britse wetenschapper die hem als natuurlijk opvolger van Winston Churchill beschouwt, ziet de woorden van de president toch anders. De naar eigen zeggen ‘reactionaire’ historicus Andrew Roberts werd op 28 februari met veel egards ontvangen op het Witte Huis nadat Bush diens werk A History of the English-Speaking Peoples Since 1900 had gelezen. Dit boek, een vervolg op Winston Churchills werk dat in 1900 ophoudt, beschrijft hoe de Engelssprekende wereld, vooral Groot-Brittannië, de VS en Australië, civiliseert en nog altijd behoedt voor totalitaire dreigingen. Alle mogelijke excessen (massamoorden, concentratiekampen en wat dies meer zij) worden door Roberts vergoelijkt voor de strijd om een beschaafdere wereld.

Het tijdschrift The New Republic lichtte de doopceel van de man die urenlang met Bush, vice-president Cheney en politiek adviseur Karl Rove in het Witte Huis van gedachten gewisseld heeft. Twee aardigheden: zijn politieke held is Lord Salisbury, die in Zuid-Afrika tijdens de Boerenoorlog de concentratiekampen bedacht, en in 2001 sprak Andrew Roberts bij de Springbok Club, een groep ultraconservatieve witte Zuid-Afrikanen en Rhodesiërs in Londen die pleit voor ‘herstel van de geciviliseerde Europese heerschappij over het Afrikaanse continent’. Roberts is een racist, concludeerde The New Republic, die openlijk gelooft in Angelsaksisch imperialisme en blanke superioriteit.

Roberts stond niet op de gastenlijst voor het staatsbanket met de koningin, maandagavond (dresscode: white tie). Onder de 134 gasten wel oud-minister Colin Powell. Mogelijk heeft die de president opnieuw kunnen behoeden voor onbeschaafd gedrag.

PETER VERMAAS

Halve waarheid

Alles wat het geschiedenisonderwijs kan helpen, moet worden ingezet. Dus ook een film als ‘Zwartboek’. Of de feiten kloppen, is van later zorg.

AMSTERDAM – ‘Voor de behandeling van bepaalde thematiek doet het er niet toe of een film voor negentig, tachtig of slechts voor vijftig procent klopt.’ Aan het woord is Reinard Maarleveld, medeoprichter van Histocasa, een bedrijf dat zich ervoor inzet ‘geschiedenis tot leven te brengen’ en nu, gefinancierd door de overheid, een project heeft opgezet rond de film Zwartboek. Middelbare scholieren krijgen aan de hand van lesbrieven bij scènes uit deze film onderwijs over de Tweede Wereldoorlog. Het is hun eerste grootschalige opdracht. ‘De financiering van geschiedenisonderwijs is modegevoelig’, stelt Maarleveld. Onderwerpen die zich daartoe lenen worden gepopulariseerd als bindmiddel voor de samenleving, maar voor ‘harde historische onderwerpen’ zoals bijvoorbeeld de Tachtigjarige Oorlog is geen aandacht. Hoe zit het met religie, ook een hot item? Zouden filmfragmenten uit bijvoorbeeld The Passion of the Christ ingezet kunnen worden om de problematiek rond dit onderwerp aanschouwelijk te maken? Maarleveld: ‘Zeker!’

Zwartboek zit volgens sommige critici vol onnauwkeurigheden. Jessica Durlacher sprak in Vrij Nederland (16 september 2006) zelfs over ‘leugens’. Niet alleen bepaalde details, maar ook hoofdlijnen zijn volgens haar feitelijk onjuist. Maarleveld: ‘We hebben eigenlijk niet echt stilgestaan bij eventuele fouten in Zwartboek.’

YRRAH STOL

Major de Tweede (1932 – 2007)

Tijdens zijn zware bestaan op Downing Street werd John Major regelmatig opgevrolijkt door zijn oudere broer Terry, die altijd even op de thee kwam als hij toevallig in de buurt was. Hij is onlangs overleden.

LONDEN – Er zijn in Engeland talrijke manieren om uit te vinden uit welke sociale klasse iemand afkomstig is. Je kunt de erwten tellen op iemands lepel, kijken of iemand naar de ‘lavatory’, ‘toilet’ dan wel ‘loo’ gaat of bestuderen hoe boter op brood wordt gesmeerd. Minder eenduidig is de interesse in tuinkabouters. Je kunt ze in elke tuin tegenkomen. De nuance zit ’m in de intentie. Sommige excentrieke uppers hebben enkele tuinkabouters en houden bij hoog en bij laag vol dat ze ervan houden. Middenklassers zetten de beeldjes soms uit ironische overwegingen neer. De ongecompliceerde liefhebbers bevinden zich in de lower class.

Terry Major, de oudere broer van ex-premier John Major, was zo’n liefhebber. Tuinkabouters waren de lust in zijn leven. In zijn autobiografie Major Major: Memoires of an Older Brother openbaarde hij ooit stapsgewijs de geheimen van het ambachtelijk maken van tuinkabouters. Op het einde van het hoofdstuk How To Make a Major’s Garden Ornament mokte hij over de massaproductie van karakterloze tuinkabouters.

Het in 1994 verschenen egodocument verwierf al snel een cultstatus. ‘Het is een van de meest in het oog springende producten van onze grote beschaving, samen met de kathedraal van Durham, de celloconcerten van Elgar, Adnam’s bitter en de dubbeldeksbus’, schreef de recensent van Private Eye. De auteur portretteert zichzelf als een hardwerkende familieman die zielsveel houdt van zijn ouders, zijn vrouw en zijn jongere broer John. Een hekel koesterde hij jegens journalisten, vooral wanneer ze John ‘de zoon van een mislukte trapezeartiest’ noemden. Dat zijn broertje ooit twee uur verspilde met een nooit gepubliceerd interview vond hij doodzonde. ‘Twee uur! In die tijd had ik een deur kunnen verven.’

De mooiste, meest ontwapenende passages gaan over zijn bezoek aan New York. Terry was een tijdje eerder tijdens een treinreis in slaap gevallen en op Gatwick beland. Voor het eerst in zijn zestigjarige bestaan zag hij een vliegveld van dichtbij. Het feit dat de broer van de premier nooit gevlogen had, haalde een Londense avondkrant, die hem vervolgens een snoepreisje aanbood. Na enige twijfel – ‘Kun je niet met de boot gaan?’ suggereerde zijn vrouw Shirley – stemde hij toe. Op gedetailleerde wijze beschrijft hij de stewardessen (‘One of the air stewardesses bore a striking resemblance to Mother, and when I told her this she became even more charming’), het opstijgen en het hemelse uitzicht op ‘zijn’ Zuid-Londen. In de straten van New York knoopte hij vervolgens gesprekken aan met voorbijgangers. ‘They were very interested to know how the underground electrical system works in Croydon’, concludeerde hij na een gesprek met een elektricien.

Het hoogtepunt van de vakantie was zijn bezoek aan The Metropolitan Museum of Art, waar hij oog in oog kwam te staan met Rodin’s Burghers of Calais. Het deed hem, zo schrijft hij, denken aan zijn eigen, bescheiden pogingen om de menselijke vorm te vangen tijdens zijn noeste arbeid bij Major Garden Ornaments in een Londense buitenwijk.

Na een paar dagen vertrok hij weer uit New York. Hij had er wel een week willen blijven.

PATRICK VAN IJZENDOORN