Week 20

Deze week

Opiniërende soldaten

Amerikaanse beleidsmakers en legerofficieren vragen zich al geruime tijd af of martelen geoorloofd is, of effectief. Een interne opiniepeiling van het Amerikaanse leger laat zien dat de geest al uit de fles is.

AMSTERDAM – In de Amerikaanse politiek wordt al sinds 11 september 2001 gesproken over de toelaatbaarheid van martelen in de ‘oorlog tegen het terrorisme’. Aanvankelijk leken de haviken aan de winnende hand. Vice-president Dick Cheney, die in de wandelgangen van Capitol Hill maandenlang ‘VP-Torture’ werd genoemd, zat stevig in zijn zadel. De laatste maanden van dit jaar neigt Bush er daarentegen naar zijn eerdere uitspraak ‘Amerika doet niet aan martelen’ ook enigszins op de werkelijkheid te laten aansluiten. Hij wordt daarbij geholpen door de openlijke afkeer die de nieuwe minister van Defensie Gates over de martelpraktijken heeft uitgesproken. Condoleezza Rice heeft inmiddels ook de kant van Gates gekozen en de Republikeinse presidentskandidaat McCain, zelf een slachtoffer van marteling, was al vanaf dag één tegen het flexibel omgaan met de regels.

Maar de vraag is of de voorstanders van foltering niet al hebben gewonnen doordat de discussie is gevoerd. Omdat een gezond taboe al is gebroken. Want hoewel president Bush zijn oren steeds minder laat hangen naar Cheney en kornuiten, is het wellicht een illusie te denken dat de martelpraktijken met een enkele pennenstreep kunnen worden uitgebannen. Zeker nu Bush niet eens meer voorkomt in Time’s lijstje machtigste mensen van de aarde.

Ook het leger is minder een commandomachine dan menige generaal of politicus zou wensen. Dat ondervond de Amerikaanse legerleiding deze week, toen de resultaten uitlekten van een interne peiling onder soldaten en mariniers, verricht tussen augustus en oktober 2006. 41 procent van de soldaten en 44 procent van de mariniers is het erover eens dat ‘martelen geoorloofd is als daarmee het leven is te redden van een collega’.

Al is dat geval imaginair (hoe weet een folteraar nu voordat hij de elektroden aanbrengt of de informatie die hij gaat verkrijgen uiteindelijk het leven van een soldaat redt?), het is zorgelijk genoeg, vindt ook generaal David Petraeus, de hoogste legerleider in Irak. Zorgelijker nog is dat 36 procent van de soldaten en 39 procent van de mariniers meent dat martelen zou moeten worden toegestaan, gewoon, ‘om belangrijke informatie te verkrijgen over opstandelingen in Irak’.

Petraeus was op zijn beurt het meest geschrokken, zo verklaarde hij nadat het onderzoeksrapport was uitgelekt, doordat bijna de helft van de ondervraagden (anoniem) verklaarden dat ze een ‘lid van hun gevechtseenheid’, niet zouden aangeven voor ‘het verwonden of vermoorden van een onschuldige burger’. En dat dit gebeurt, daar twijfelen alleen rechtse politici in Amerika nog aan, legerleiders niet. Van de gepeilde mariniers gaf zeven procent toe wel eens een Iraakse ‘noncombatant’ te hebben geschopt of geslagen wanneer daar geen noodzaak toe bestond. Petraeus, tijdens de persconferentie: ‘Er moet in training beter worden uitgelegd dat het niet inconsistent is om misstanden te rapporteren.’

Het onderzoek laat ook zien dat in Irak meer soldaten en mariniers zelfmoord plegen dan in het totale leger. In het totale leger (dus inclusief de troepen in Irak) is dat 11,6 per honderdduizend soldaten. In Irak is dat 17,3.

Dat klinkt hoog, maar het is toch nog aanzienlijk lager dan het gemiddelde onder de Franse en Deense bevolking. In Frankrijk pleegden er vorig jaar per honderdduizend inwoners 17,6 zelfmoord. En Rusland spande de kroon, met 38,7 zelfmoorden per honderdduizend inwoners. Nederland doet het beter dan het Amerikaanse leger in Irak: 9,2 per honderdduizend.

PIETER VAN OS

Schisma

Binnen de kring der intense islamdeskundigen tekent zich een scheuring af. Een van de belangrijkste bezwaren tegen moslims wordt nu vanuit de VS onderuitgehaald.

AMSTERDAM – Er zijn talloze redenen om de islam als ‘achterlijke’ godsdienst tot op het bot te wantrouwen. De meest principiële vleugel van de islamologie, die weinig moet hebben van de pragmatische pappen-en-nat-houders, heeft die redenen keurig op een rijtje. De islam erkent de scheiding van kerk en staat niet. De islam erkent de ongelovige en afvallige niet. De islam erkent de universele mensenrechten ook anderszins niet. En de islam erkent zelfs de esthetiek van de portretkunst niet. Daarom zijn islamitische landen, volgens de islamologen die deze kritiek stelselmatig uitwerken, bijna per definitie ondemocratisch, gewelddadig, vrouwvijandig en schilderijloos.

Deze ‘achterlijkheid’ heeft een objectieve reden. De islam heeft geen verstand van economie en is daarom niet in staat de scheppende mens te laten gloriëren. De arabist Hans Jansen bijvoorbeeld verklaarde deze achterhoedepositie in het eerste nummer van het nieuwe weekblad Opinio uit het gebrek aan spaarzin bij moslims. Een religie die het banken verbiedt om rente te vragen, kan dus geen economische voorspoed realiseren. De columnist Leon de Winter tamboereert in Elsevier al veel langer op deze interpretatie. Rapporten van de Verenigde Naties sterken hem in zijn theorie dat de islam niet toevallig regeert in arme landen. Dat die landen arm zijn ligt primair aan de islam, die geen snars begrepen heeft van moderne economie.

Maar aan deze consensus rond De Winter is vorige week abrupt een einde gekomen. Niemand minder dan Ayaan Hirsi Ai, thans wetenschappelijk functionaris bij het American Enterprise Institute, heeft de klassieke verklaringsgrond voor de achterlijkheid van de islam ondergraven. In een onder meer door Opinio en NRC Handelsblad gepubliceerde analyse van de toestand in Turkije heeft Hirsi Ali zich op een opmerkelijk revisionistisch pad begeven. Die intellectuele wending moet serieus worden genomen. Hirsi Ali is immers niet de eerste de beste. Integendeel. Hirsi Ali is tussen Jansen en De Winter minimaal primus inter pares: door haar persoonlijke ervaring, academische achtergrond, succesvolle boekenverkoop en politieke inzet is ze intellectueel gezien de belangrijkste in deze groep.

Wat is er aan de hand? In Opinio en NRC Handelsblad breekt Hirsi Ali een lans voor het Turkse leger dat de nu nog seculiere lidstaat van de Navo behoedt voor islamisering. Zonder de krijgsmacht ‘dreigt het erfgoed te worden verkwanseld, niet door een inval van buiten maar van binnenuit’, aldus Hirsi Ali. De Europese Unie moet volgens haar dan ook geen kritiek meer hebben op het feit dat het Turkse leger een autonome politieke rol speelt en zich opstelt boven de burgerlijke politiek.

Waarom dreigt Turkije door islamisten, dat wil zeggen door de AK-partij van premier Erdogan, onder de voet te worden gelopen? Een reden is dat Erdogan beschikt over ‘zelfbeheersing en geduld’. Hij onderhandelt met de EU omdat hij zo het leger de pas kan afsnijden en dus achter de rug van het naïeve Brussel het islamisme kan laten zegevieren. Op zichzelf is het verwijt al een novum. Zelfbeheersing en geduld waren tot nu toe geen eigenschappen die de islamologie graag voor de jihad reserveerde.

Maar de andere reden die Hirsi Ai aandraagt als argument voor een gemilitariseerd Turkije is pas echt een paradigmawisseling. Zij verwijt Erdogan verantwoordelijk te zijn voor ‘economische vooruitgang’. Hirsi Ai: ‘Het valt niet te ontkennen dat toen de seculiere partijen aan de macht waren, de Turkse economie een puinhoop was. Sinds de ambtsaanvaarding van Erdogan heeft er een sterke groei plaatsgevonden, is de inflatie gedaald en zijn de buitenlandse investeringen gestegen.’ Kortom, juist omdat de islamist Erdogan wél verstand heeft van economie is de islam een gevaar aan het worden.

Als Hirsi Ali gelijk heeft – en daar moeten we, gelet op haar status, vooralsnog vanuit gaan – dan is het democratische marktkapitalisme ten dode opgeschreven. Kon dat zich tot voor kort nog baseren op zijn progressieve materialistische kijk op het leven, een visie die attractiever is dan welk religieus gebed dan ook, nu die beheerste en geduldige islamist Erdogan die superieure westerse en seculiere economische theorie heeft gestolen, is het einde der tijden nabij. Alleen het leger kan ons nog redden.

HUBERT SMEETS

De wraak van Royal

Nog steeds geen genoeg van de campagne? De vorige week verslagen Ségolène Royal in ieder geval niet.

PARIJS – Afgelopen zaterdag pleitte Ségolène Royal er op een congres van de Parti Socialiste voor dat de socialistische presidentskandidaat voor de verkiezingen van 2012 zo snel mogelijk wordt aangewezen. Naar eigen zeggen om te voorkomen dat er opnieuw een destructieve strijd om de partijkandidatuur zal losbranden. Daarin ziet Royal namelijk de belangrijkste oorzaak voor haar nederlaag tegen Nicolas Sarkozy. Partijbaronnen als Dominique Strauss-Kahn en Laurent Fabius zouden haar tijdens de campagne onvoldoende hebben bijgestaan, of sterker nog, haar hebben ondermijnd. Royal liet alvast weten voor 2012 beschikbaar te zijn.

Ook Raphaelle Bacqué en Ariane Chemin, onderzoeksjournalisten bij dagblad Le Monde gingen na wat er was misgegaan bij de Royal-campagne. In het afgelopen week gepubliceerde boek La Femme Fatale zijn ze tot een iets genuanceerdere conclusie gekomen. Zeker, Strauss-Kahn en Fabius hebben het lelijk laten afweten. Maar Royal had ook niets gedaan om hun gekwetste ego’s te strelen na haar machtsgreep binnen de partij. Fabius ontvangt de kandidate in zijn kiesdistrict met een tot in de puntjes verzorgde bijeenkomst? Maar geen bedankje kan eraf. Strauss-Kahn die een zaal opwarmt voordat Royal zal spreken? Hij wordt haastig het podium af geduwd. Niet minder kritisch zijn Bacqué en Chemin over de verkrampte manier waarop Royals campagneteam opereerde en ‘282’ (zoals het campagnehoofdkwartier aan de boulevard Saint Germain wordt genoemd) omtoverde in een onneembare vesting, geheel losgezongen van de rest van de Parti Socialiste.

Dergelijke kritiek is niet nieuw. Ook Jane Kramer, verslaggeefster van het weekblad The New Yorker, schreef ongemeen kritisch over Royal. Dat ze door een stagiaire werd afgescheept toen ze een interviewaanvraag indiende, zal daarbij overigens bepaald hebben meegespeeld.

Veel spectaculairder is de theorie die auteurs van La Femme Fatale ontvouwen met betrekking tot de vraag wat Royal er überhaupt toe dreef zich te kandideren. Antwoord: wraak. Ambitieus was ze altijd geweest, maar in het verleden cijferde ze zichzelf weg voor haar levenspartner, partijleider François Hollande. Dat hij de partij als kandidaat zou vertegenwoordigen lag dan ook voor de hand. Maar alles veranderde in het najaar van 2006. En wel met een telefoontje dat Hollande kreeg toen hij met twee vrienden in brasserie Lipp zat, zo stellen Bacqué en Chemin. Hollande verontschuldigde zich jegens zijn vrienden en maakte zich uit de voeten. Een uur later belde Ségolène Royal de twee achtergeblevenen met de vraag waar Hollande uithing.

‘In een relatie weet men nooit waarom een nieuw gebaar of een onaangekondigde afwezigheid gelijkstaat met onvergeeflijk bedrog’, schrijven Bacqué en Chemin. In de weken ervoor had Royal zich al opgewonden over een mooie blonde journaliste waarmee de vader van haar vier kinderen zich ophield in de coulissen van de Assemblée Nationale. Via haar zoon en later haar broer had ze zelfs de hoofdredacteur in kwestie ertoe proberen te bewegen deze rivale over te laten plaatsen.

Na dit telefoontje naar brasserie Lipp trad een ijzige kilte in. Hollande nam zijn intrek bij vrienden en het paar vierde oudjaar niet samen. Het was dit bedrog dat bij Royal de beslissing forceerde zich te kandideren voor het presidentschap van de Republiek: een ‘ambitie ontketend door verraad’, zoals Bacqué en Chemin stellen. Het doet denken aan de Clintons, zij het dat Bill Clinton op het moment van de Lewinsky-affaire al aan zijn tweede termijn als president bezig was.

Hoe dan ook nemen Bacqué en Chemin met hun boek een risico. In Frankrijk is het privé-leven van politici en andere publieke figuren door de wet beschermd. De auteurs verdedigen de publicatie met het argument dat privé en publiek elkaar in dit geval op beslissende wijze hebben beïnvloed. Desondanks heeft het paar Royal/Hollande met een proces gedreigd. Ook de lezers van Le Monde zijn boos. In ingezonden brieven verwijten zij Bacqué en Chemin hun gedurende de campagne essentiële informatie te hebben onthouden. ‘Le Monde publiceert niet alles en dat is maar goed ook’, antwoordde de ombudsman van de krant.

MARIJN KRUK

Feest zonder lampjes

Vijftig jaar onafhankelijk en nog altijd wachten op de regen.

ACCRA – Ter ere van de zojuist aangebroken vakantie willen we ergens een ijsje gaan eten. Accra biedt niet veel mogelijkheden op dat gebied, maar er zijn enkele spaarzame coffeeshops. ‘Heeft u ijs?’ ‘Nee, er is geen ijs. De machines werken niet. De stroom is te zwak.’ Er is ook geen brood, alleen taartjes van een dag geleden.

Volgende salon, andere buurt. Geen ijs, alleen maar thee en chocolademelk. Op de vraag of de coffeeshop een generator heeft wordt ontkennend geantwoord.

Het midden- en kleinbedrijf in Ghana wordt hard getroffen door het energiedistributieplan dat de regering vanaf augustus 2006 heeft ingesteld. Zoals menig land in Afrika kampt Ghana met een energieprobleem. Dit komt deels door de toenemende welvaart – en dus groeiend gebruik van elektriciteit – deels door de industrie (mijnen vooral) en, niet minder belangrijk, door een gebrek aan regen.

De regering heeft de ene na de andere oplossing beloofd, maar is na acht maanden niet in staat gebleken om de situatie te verbeteren. De meerderheid van de Ghanezen verwacht onderhand, zo blijkt uit een peiling, dat er binnenkort helemaal geen elektriciteit meer zal zijn.

Het leeuwendeel van alle energie in Ghana wordt opgewekt door twee grote hydro-elektriciteitcentrales in de Voltarivier. De Akosombo-dam is daarvan de grootste. Begin twintigste eeuw heeft een ingenieur onderzocht dat een dam op de plek waar de Voltarivier door de bergen heen breekt een enorm stuwmeer zou creëren. Een hydro-elektriciteitscentrale moest vervolgens heel Ghana van stroom kunnen voorzien. Het was een mooi plan, maar ontzettend duur. De Britse koloniale meesters wilden er niet aan. Maar voor de eerste Ghanese president Kwame Nkrumah was het plan precies wat hij zocht om Ghana snel te industrialiseren. De Akosombo-dam zou de motor voor de industrie vormen die de Ghanees zijn rechtmatige plek in de wereldorde zou bezorgen. Het is sindsdien symbool voor de hoge verwachtingen bij de onafhankelijkheid vijftig jaar geleden.

Inmiddels is Ghana, door de relatief stabiele politiek, een donor-darling. Ook commerciële investeerders die enig risico niet schuwen, weten het land te vinden. Maar zonder brandstof kan een economie niet functioneren. De Ghanese samenleving, op het punt om écht vaart te maken met de welvaartsgroei, sukkelt weer en kan binnenkort abrupt tot stilstand komen. De gemiddelde Ghanees zal dan nooit iets hebben gemerkt van de kansen die het land momenteel geniet. Het overgrote deel van de bevolking zal gewoon voortleven op een vergelijkbaar peil als vijftig jaar geleden, toen Ghana onder Nkrumah ook al eens op het punt stond om zich aan te sluiten bij de welvarende wereld.

De commentatoren in de nationale dagbladen van Ghana schrijven al berustend dat de regentijd, die over ruim een maand begint, de elektriciteitscrisis zal oplossen. Dan stroomt het Voltameer weer vol en kan de elektriciteitscentrale opnieuw op volle kracht draaien. Ook in dat opzicht is er weinig vooruitgang geboekt, want wachten op regen doen inwoners van dit continent al eeuwen.

JASJA ARIAN