Week 33

Deze Week

Hubert Smeets vertrekt

De hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer vertrekt ‘na vijf boeiende jaren’ naar zijn oude liefde, NRC Handelsblad. Voor zijn komst naar De Groene Amsterdammer was Hubert Smeets al vele jaren aan de NRC verbonden.

Smeets werd in 2003 hoofdredacteur. Onder zijn hoede heeft De Groene, met zeer beperkte middelen, een geweldige slag gemaakt naar een betere auteurskrant, die ‘eigenlijk een verdomd mooi krantje is’, zoals H.J.A. Hofland onlangs nog eens memoreerde. De Groene maakt bovendien winst, iets wat in de tijdschriftenmarkt, waar twee van de drie directe concurrenten structureel verlies lijden, opmerkelijk genoemd mag worden. Bovendien heeft Hubert Smeets een aanzet gegeven voor nieuwe journalistieke ontwikkelingen bij de krant, zoals bijlagen, inzet van internet en het organiseren van een speciaal congres ter gelegenheid van het 130-jarig bestaan van het blad.

De oude liefde bleef trekken, zo schreef Smeets in zijn afscheidsbrief aan het personeel: ‘Ook na bijna vijf jaar weekbladritme ben ik een dagbladmannetje gebleven. Ik sprak niet voor niets altijd over de krant De Groene Amsterdammer als ik het weekblad De Groene Amsterdammer bedoelde. Bovendien kan ik niet verhelen dat ik me na bijna vijf jaar nog steeds intens verbonden voel met NRC Handelsblad.’

Directie, redactie, medewerkers en bestuur van De Groene Amsterdammer betreuren zijn vertrek zeer. Hubert Smeets is een bijzonder aangenaam mens, met een fijne neus voor wat er speelt, een even onstuimige als weldadige belangstelling voor zijn redacteuren en een uitmuntende pen, niet alleen journalistiek, maar ook commercieel. ‘De Groene heeft geboft met zo’n hoofdredacteur’, aldus het bestuur.

De stichting Groene Beheer, aandeelhouder van De Groene Amsterdammer, is in overleg met redactie en directie over de invulling van de vacature. Alle hoofdredactionele taken en verantwoordelijkheden zijn per heden overgedragen aan plaatsvervangend hoofdredacteur Koen Kleijn.

Paul Disco, Directeur/uitgever

VERKIEZINGSTERREUR

Plotseling is Rusland niet zo stabiel als president Poetin suggereert. Wie zit er achter de bomaanslag op een sneltrein en waarom? Veel vragen. Geen antwoorden.

AMSTERDAM – Bijna meteen na de bomaanslag maandagavond op de Nevskij Express en nog voordat de zwaargewonden buiten levensgevaar waren, rezen er al vragen over de terreurdaad. Hoe is het mogelijk dat in een ‘geleide democratie’ als die in Rusland – waar de ME geen kind heeft aan een van die niet-toegestane demonstraties van de oppositionele gelegenheidscoalitie rond schaakgrootmeester Gari Kasparov – een bom explodeert op de belangrijkste route van het land?

Het antwoord daarop zou tien jaar geleden niet zo ingewikkeld zijn geweest. Dat kan omdat de Russische staat onmachtig is geworden tegenover zowel separatistische groepen als economische clans. Dat kan omdat de democratie in handen van president Boris Jeltsin is uitgedraaid op anarchie, waarbij het recht van de sterkste geldt. Maar nu is het antwoord veel ingewikkelder. Na bijna acht jaar ‘dictatuur van de wet’ onder diens opvolger Vladimir Poetin, die zich erop laat voorstaan dat Rusland een stabiel land is geworden waar recht en orde heersen, is een terreurdaad op nota bene een van de vele sneltreinen tussen Moskou en Sint-Petersburg een onbegrijpelijke ongerijmdheid.

De aanslag bewijst op het eerste gezicht dat Rusland helemaal niet zo stabiel is als Poetin veinst. Voor die conclusie zijn meer aanwijzingen. Het aantal politiek óf commercieel gemotiveerde moorden in Rusland is ten tijde van Poetins presidentschap helemaal niet afgenomen, integendeel, eerder toegenomen. Het verschil is alleen dat de moord-en-doodslag onder Jeltsin meer aandacht kreeg, mede omdat de Russische samenleving in de jaren negentig van de vorige eeuw nog enige hoop op immateriële vooruitgang koesterde en nu zo cynisch is geworden als de pest.

De aanslag op de Nevskij Express zou daarin kunnen passen. De explosieven, ontsteking en andere tot nu toe gevonden materialen zijn volgens de politie identiek aan de bom waarmee twee jaar geleden de trein van Grozny naar Moskou werd weggeblazen. Dat zou op een Tsjetsjeense connectie kunnen duiden. Maar de gebruikte spullen zijn ook vergelijkbaar met de bom waarmee in datzelfde jaar een aanslag werd gepleegd op Anatoli Tsjoebais, de chief executive officer van het monopolistische elektriciteitsbedrijf rao-jes, hetgeen meer ruikt naar een bedrijfseconomisch motief.

Maar, zoals altijd in Rusland, is er ook een tweede gezicht. Er zijn binnenkort namelijk verkiezingen. In december wordt een nieuwe Staatsdoema gekozen en in maart volgend jaar een nieuwe president. Veel in die nieuwe machtsorganen zal bij het oude blijven. Er is geen serieuze oppositie en er zijn dus geen serieuze alternatieve kandidaten.

Dus waarom zou je als Rus tegen die tijd enthousiast naar de stembus gaan om op een regeringspartij te stemmen en op een president, die Sergej Ivanov of Dmitri Medvedev kan heten, maar misschien ook wel weer gewoon Poetin? Inderdaad, daarvoor is geen reden. Behalve als er iets op het spel staat. Iets als de stabiliteit van Rusland, die de afgelopen acht jaar weliswaar in goede handen was maar waarop vijanden zullen blijven loeren. Stabiliteit is in Rusland een permanente strijd op leven en dood, zoals de klassenstrijd dat ooit ook was.

Is dat de reden dat de daders meteen na de aanslag werden gezocht in twee kringen: onder separatistische rebellen én onder nationalistische extremisten?

Islamisme en fascisme: een ideale combinatie, ook in Rusland.

HUBERT SMEETS

ZIEKENHUISHORRORSOAP

Correspondent Patrick van IJzendoorn heeft een bijna-doodervaring en maakt kennis met de National Health Service.

LONDEN – Daar lag ik dan. In Queen Elizabeth Hospital, op een late maandagavond. Eerder op de dag had ik, wegens chronische moe- en verkoudheid, bij de huisarts een bloedtest laten doen. Ik was dat alweer vergeten toen rond tienen aan de deur werd geklopt. De avondarts. Of ik me zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon begeven. Het aantal rode en witte bloedlichaampjes, alsmede de bloedplaatjes, lagen abnormaal ver onder het gemiddelde. De HB was bijvoorbeeld 4.1, waar, zo las ik mee, die minimaal 13.3 moest zijn. Dat ik nog kon lopen, sterker, dat ik een uur eerder nog de badkamer had kunnen schoonmaken, was volgens de arts een mirakel.

In een roes pakte ik wat kleren, twee boeken en een tandenborstel. Een half uur later zat ik met mijn vrouw in de bus naar Queen’s, een paar kilometer verderop in Charlton. Het was spitsuur op de eerste hulp. De vloer lag er bezaaid met patat en gratis kranten. Op het herentoilet lag een plas bloed. Nee, dit was niet het paradijselijke Berg en Bosch in Bilthoven, waar ik ooit was opgenomen voor een acute blindedarmontsteking.

De wachttijd was, zo meldde een bord, opgelopen tot vijf uur. Echter, als spoedgeval kreeg ik voorrang op de slachtoffers van kroeggevechten, die zich nog even mochten vermaken met de western op het televisiescherm. Een verpleegster nam mijn bloeddruk op (goed), temperatuur (goed) en mijn hartslag (iets hoger dan normaal). Ik werd naar een kamertje gebracht voor nader onderzoek waar een andere verpleegster bloed aftapte, alvast een infuus aanlegde en een elektrocardiogram uitvoerde. Een uur later kwam er een consultant langs, zoals een internist hier heet. Of ik ergens pijn had? Nee. Hij kneedde in mijn lichaam, op zoek naar inwendige bloedingen. Niets.

Mijn vrouw en ik werden weer alleen gelaten. Op de gang liep een patiënte achter het verplegend personeel aan. Ze leek op de hypochondrische oude vrouw uit Lars von Triers ziekenhuishorrorsoap The Kingdom. Rond drie uur verhuisde ik naar een bed op een volle zaal, tussen rochelende en naar lucht happende ouderen. Mijn vrouw vroeg om wat te drinken voor ons beiden en werd naar een machine in de gang verwezen. Daar kwam alleen koffie en hot choc uit, tegen marktconforme prijzen.

Rond half vier ’s nachts besloot ze naar huis te gaan. Ik werd in een rolstoel – lopen mocht inmiddels niet meer – naar de röntgenafdeling gereden voor longfoto’s. Eenmaal terug vroeg ik de vriendelijke nachtzuster om een kussen en probeerde ik vergeefs in slaap te vallen. Bij zonsopgang zag ik dat de zaal uitzicht bood op een begraafplaats.

Daar lig ik binnenkort ook, dacht ik bij mezelf. Echter, bij het ontbijt – cornflakes met melk – kwam een nieuwe consultant langs. Goede tijding. De eerste bloedtest bleek te berusten op een laboratoriumfoutje. Voor de zekerheid werd er nog een derde bloedtest gedaan en ook deze toonde aan dat er niets aan de hand was. En mijn longen waren nog goed ook! Een broeder verwijderde het infuus, waarbij wat gezond bloed over de testresultaten vloeide. Geen probleem, want hij veegde het gewoon aan de lakens af. Rond half tien was ik weer thuis. Ben meteen onder de douche gaan staan, alwaar ik zag dat de stickers van de elektrocardiogram nog op mijn borst en buik zaten.

Een souvenir van de National Health Service.

PATRICK VAN IJZENDOORN

OLIE SLURPEN

Een literfles water kost een kwart fles olie. Althans, dat is de schatting van een denktank in Californië.

AMSTERDAM – Amerikaanse toeristen herken je waar ook ter wereld aan het doorzichtige flesje dat ze overal mee naartoe zeulen. Nederlanders noemen het vaak goeiig ‘mineraalwater’, maar afgelopen week bleek weer eens dat de producenten van de flesjes meestal niet meer doen dan leidingwater filteren. De multinational Pepsico kondigde aan voortaan ‘public water source’ op de etiketten van zijn flesjes Aquafina te zetten. Dit om verwarring – en verdere verontwaardiging – over de oorsprong van het water te voorkomen.

Dat de flesjes vooral onder Amerikanen gretig aftrek vinden, heeft niet alleen met het losse uitgavenpatroon van Amerikaanse consumenten te maken. Ook de allerbelabberdste staat van het leidingwater is een factor. Het protest van Woody Allen, die in zijn film Manhattan de hoofdpersoon voortdurend liet klagen over het bruine water dat hij uit de kraan drinkt, stamt alweer uit 1979. Sindsdien zijn de zaken er niet op vooruit gegaan. Een van de gevolgen: het afgelopen jaar kochten 300 miljoen Amerikanen in totaal 31,2 miljard liter gebotteld water.

Dit cijfer komt van het Pacific Institute, een gerenommeerde denktank op het gebied van veiligheid, milieu en ontwikkeling. In een onlangs verschenen rapport hebben ze de kosten van dit grote aantal flesjes beraamd. Wat blijkt? Het kost 17 miljoen vaten olie om Amerikanen een jaar lang water uit flesjes te laten drinken. En dan zijn transport en distributie nog niet eens meegerekend.

Bij de productie van die pet-flessen wordt ook CO2 uitgestoten: in 2006 meer dan 2,5 miljoen ton. Interessanter nog is dat er bij het bottelen ook water wordt verbruikt, water dat niet in de fles verdwijnt. Het instituut schat dat er voor iedere literfles water twee liter water wordt verbruikt.

Het Pacific Institute kan het niet laten met de natte vinger nog wat meer op te tellen om tot een beeldende conclusie te komen. Als ook de energie wordt meegerekend die op gaat aan het vullen van de flessen, aan het met vrachtwagen, schip of vliegtuig vervoeren ervan, aan het koel bewaren – zowel in de supermarkt als thuis – en aan het verwerken van de fles tot afval, komt het Pacific Institute tot de schatting dat voor de vervaardiging van één fles water een kwart fles olie nodig is.

Deze cijfers legde ik onlangs voor aan een hoge Shell-medewerker, tijdens een bezoek aan de grootste olieraffinaderij van Europa. Samen keken we vanaf de hoogste verdieping van het Shell-kantoor in Pernis naar duizenden pijpleidingen die nodig zijn voor de dagelijkse raffinage van zo’n 416.000 vaten olie per dag. Na een korte stilte vroeg hij mij: ‘Gaat het je om het effect van dat olieverbruik op de natuurlijke leefomgeving of ben je bang dat de olie opraakt? Als het je om dat tweede gaat: maak je daar nu maar niet al te veel zorgen over. Het stenen tijdperk ging niet voorbij omdat de stenen op waren.’

PIETER VAN OS