Week 37

Deze week

MINISTERIËLE REVANCHE

Toen ze burgemeester was, gooide de rechter nog roet in het eten. Als minister slaat Guusje ter Horst terug: gebiedsverboden worden bij wet toegestaan.

AMSTERDAM – Burgemeesters en officieren van justitie mogen burgers voortaan drie maanden lang de toegang tot een wijk of straat ontzeggen zonder tussenkomst van de rechter. Ook kunnen ze een meldplicht opleggen. De gebiedsverboden kunnen keer op keer verlengd worden tot maximaal één jaar. De ministerraad heeft eind vorige week ingestemd met een wetsvoorstel daartoe van de ministers Ter Horst (Binnenlandse Zaken, pvda) en Hirsch Ballin (Justitie, cda).

Doel is de overlast te bestrijden die niet direct strafbaar is of waar moeilijk tegen op te treden valt. Tot de mogelijke clientèle behoren uiteenlopende groepen als voetbalvandalen, hangjongeren, potenrammers en voorvechters van dierenrechten. Ter Horst gaf vrijdag na afloop van de ministerraad toe dat dit niet zomaar een maatregel is: ‘Het bijzondere is dat de rechter er niet aan te pas hoeft te komen. Het moet onmiddellijk werken in een urgente situatie.’

Met zulke stevige maatregelen heeft Ter Horst de afgelopen jaren uitgebreid geëxperimenteerd. Als burgemeester van Nijmegen strooide ze kwistig rond met gebiedsverboden. Die bevoegdheid was zoals gebruikelijk vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (apv). In tegenstelling tot de meeste andere gemeenten mocht in Nijmegen ook de politie de maatregel opleggen. Onder druk van de rechter – in zaken aangespannen door Louis Sévèke, de Nijmeegse activist die in 2005 om het leven werd gebracht – moest Ter Horst diverse malen gebiedsverboden intrekken en de regeling aanpassen. Zo zou soms onvoldoende zijn aangetoond dat sprake was van ‘een reëel dreigende verstoring van de openbare orde’. De rechter wees op het gevaar dat een maatregel die bedoeld was om de orde te handhaven, gebruikt kon worden als straf.

Aan al dat geharrewar komt nu een eind. In haar nieuwe functie als minister regelt Ter Horst haar oude wensen in een wet. Een wet die de regel dient toe te passen. De meerwaarde ten opzichte van de bestaande apv’s is de langere duur van de gebiedsverboden én de meldingsplicht, laat een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken weten. Geen rechter die er een stokje voor kan steken. Althans, dat is de bedoeling. Ook de nieuwe wet moet zich straks in de praktijk van alledag bewijzen. Achteraf kan een getroffene nog steeds bezwaar maken tegen een gebiedsverbod. Wie weet komt de minister dan opnieuw lastige rechters tegen op haar pad.

KOEN HAEGENS

YORIN-IDEALISME

Hedendaags idealisme van jongeren leidt zelden tot vechten in het oerwoud. Meestal gaat het om gecombineerde vakanties.

AMSTERDAM – De niet aflatende belangstelling voor de Groningse studente Tanja is begrijpelijk: ze is jong, ze is mooi, we kunnen meelezen met haar dagboek en haar engagement roept nostalgie op naar jeugdig idealisme van vroeger. We stellen ons haar voor, tijgerend door de jungle voor de Farc, halfautomatisch geweer op de rug, vechtend voor een betere wereld. Valse romantiek, want zo gezellig is het daar niet in Colombia. Is zij een uitzondering? Of is het gewapend idealisme terug?

Bekend zijn de paar radicale moslimjongeren die de trein naar Tsjetsjenië namen om voor hun idealen te vechten, maar niet-religieus geïnspireerde idealisten als Tanja zijn op de vingers van één hand te tellen. Ze hoeven ook niet zelf te gaan: het echte ‘grote engagement’ is in de afgelopen jaren al overgenomen door Artsen zonder Grenzen, Greenpeace, Amnesty International en andere ideologisch neutralere organisaties.

Maar wat doen dan al die andere jonge, boze mensen bij wie het revolutionaire bloed door de aderen stroomt? Net als Tanja zoeken velen hun heil in het buitenland, maar bijna niemand neemt de wapens op en ook verbinden ze zich niet aan een plaatselijke politieke beweging. Wel doen ze mee aan ontwikkelingsprojecten: werken in een kindertehuis, voorlichting geven over drugs of aids in sloppenwijken of meewerken op een ecoboerderij. Grote idealen zijn ingeruild voor kleinschalige projecten. In de jaren zestig en zeventig zou dat zijn afgedaan als symptoombestrijding, omdat de ‘kapitalistische structuur’ niet wordt aangepakt, maar daar maalt de hedendaagse idealist niet om. Dit is de Yorin-generatie – niet enkel hedonisten, wel een generatie waarvoor de scheidslijn tussen entertainment en het goede doel niet meer bestaat. Misschien dragen ze niet veel bij, kwaad kan het ook niet.

Waar vraag is, is aanbod. Ook in de vrijwilligersprojecten heeft marktwerking haar intrede gedaan. Er is een twintigtal organisaties, met namen als Travel Active en Activity International, dat reizen organiseert voor een paar duizend jongeren per jaar. De meerderheid van hen is tussen de 18 en 25; ze zijn net klaar met de middelbare school of hun studie en willen wel eens wat anders voor het geregelde bestaan begint. Waren vroeger bestemmingen als Cuba en Nicaragua populair om als vrijwilliger te werken bij de suiker- of de koffiebonenoogst, tegenwoordig gaan ze naar Thailand, Ghana en Costa Rica. De vrijwilligers krijgen een cursus in de plaatselijke taal en cultuur en gaan minimaal vier weken werken bij een project naar keuze. Dikwijls wordt een verblijf gecombineerd met een langere reis over het continent. Je bent er toch. Vrijwilliger met een narcistisch tintje, dus: je doet wat voor een ander, maar het moet ook leuk zijn. Je betaalt er bovendien goed geld voor, dus daar mag je ook wel wat voor terug verwachten. Tjerk Romkema van Travel Active over de keuze voor dit soort reizen: ‘In de eerste plaats zijn het natuurlijk veilige bestemmingen. Maar verder is de voorkeur van de consument grillig: is Floortje Dessing ergens geweest, dan zien we dat terug in de populariteit van die bestemming.’

SARA KEE

EEN VLIEGENDE ATHEÏST

Evolutionair bioloog Richard Dawkins oogstte afgelopen weekeinde een stormachtig applaus voor zijn hartgrondige pleidooi voor de natuurwetenschap. De intellectuele zwaargewichten naast hem degradeerden hem tot een godsdienstwaanzinnige.

AMSTERDAM – Het Tilburgse Nexus Instituut vierde afgelopen weekeinde de dertiende verjaardag met een conferentie, waar, zoals altijd, internationale denkers van grote reputatie acte de présence gaven. Nexus koestert het bewonderenswaardige streven om deze denkers uitspraken te ontlokken buiten hun vakgebied; het laat ze voor een moment schilderen op een groter canvas dan de eigen specialisatie. Daarbij zijn de vragen dikwijls zo groot – ‘What is an Educated Man?’ was het dit keer – dat de discussie onherroepelijk uit elkaar valt. Maar dat geeft niet. Want zelfs in het gefragmenteerde debat van afgelopen zondag wisten de fameuze sprekers enkele parels te draaien rond soms behoorlijk abstracte thema’s. Zo was het genieten toen een panel werd gevraagd wat er op het curriculum van een nog op te richten ‘school voor de beschaving’ zou moeten staan. Antwoorden kwamen van de historicus David Cesarani, de hoogleraar middeleeuwse, joodse en Arabische filosofie aan de Parijse Sorbonne Rémi Brague, de evolutionair bioloog Richard Dawkins, de Iraanse schrijfster Azar Nafisi en de Amerikaanse communitaristische denker Michael Sandel.

Vakken als theologie, geschiedenis van de politieke theorie en moraalfilosofie passeerden de revue. Tot Dawkins de beurt kreeg. ‘Ik wil “science” in mijn school en geen godsdienst.’ Vervolgens stak de evolutionair bioloog, die vorig jaar reuring veroorzaakte met zijn atheïstische manifest God als misverstand, een vlammend betoog af. Ondanks de religieuze gloed in zijn ogen bleek hij niet van zins zijn zo fel begeerde sceptische grondhouding los te laten op zijn eigen scepsis. Want de natuurwetenschappen, zo denderde hij, zijn ‘supremely civilising’, de natuurwetenschappen ‘leren je waarom zaken zo mooi zijn als ze zijn’. ‘Natuurwetenschappen geven je mind-expanding experiences en het is een misdaad om kinderen die te onthouden.’ Sterker, in zijn gloedvolle betoog beweerde Dawkins zelfs: ‘Science gives the meaning of life.’ Terwijl de zaal luid applaudisseerde – het ontbrak er nog net aan dat de Dawkins-liefhebbers ‘Go Richard!’ riepen – schudden de andere denkers meewarig het hoofd.

Michael Sandel nam het woord en zei op ernstige toon tegen Dawkins: ‘Aanvankelijk vond ik het prima dat jij je natuurwetenschap kreeg op onze school van de beschaving. Maar als ik je nu zo hoor, wil ik dat vak onderbrengen bij de geschiedenis van de moraalfilosofie. Natuurwetenschap vertelt ons steeds beter en preciezer wat er is. Wat er zou moeten zijn, dat is een ander verhaal.’ De spitsvondige Fransman Remi Braque ging een stap verder. ‘Ik ben geschokt. Natuurwetenschap vertelt ons natuurlijk totaal niet wat het goede is om te doen. Nu wil ik dat vak van jou juist vervangen door theologie. Niet religie, maar theologie. Want je kunt veel zeggen van die wetenschap, maar het is zeker de enige die begint bij het betwijfelen van het eigen subject. Bestaat God?’

David Cesarani haalde zijn landgenoot John Gray erbij, de Britse filosoof die in zijn laatste boek Black Mass prachtig laat zien hoe de meeste invloedrijke en destructieve seculiere ideologieën van de moderne tijd schatplichtig zijn aan het christendom, met zijn apocalyptische visioenen van een ‘eindtijd’, het koninkrijk Gods of een duizendjarig rijk.

Dat was te veel intellectuele tegenstand voor Richard Dawkins. Nadat bijna alle panelleden hem de oren hadden gewassen, gooide hij de handdoek in de ring met de opmerking, aanmerkelijk minder opgewonden uitgesproken: ‘We zijn het eigenlijk gewoon met elkaar eens. Want oké, de natuurwetenschap vertelt ons niet wat het goede is om te doen, maar het geeft de noodzakelijke achtergrondkennis om beslissingen te nemen.’

Later op de dag kwam het onderwerp nog even terug. Een onbekende heer in het publiek gaf de aanbeveling om jonge scholieren al de beginselen van epistemologie (kenleer) mee te geven. Epistemologie en wetenschapsgeschiedenis, zei hij, zijn immers de beste instrumenten om te voorkomen dat wetenschap een cult wordt, die louter om zichzelf wordt gewaardeerd. In de epistemologie leer je de menselijke tekortkomingen, toevalsfactoren én fundamentele inzichten kennen die samen de wetenschap voortstuwen.

Wetenschap is veel te belangrijk om aan wetenschappers over te laten. Het was een van de stimulerende conclusies op een geslaagd congres van een weldadig ambitieus instituut.

Jaïr Tchong en Pieter van Os

TOCH EEN (NA)ZOMEROORLOG VOOR ISRAËL?

Na een onverwacht rustige zomer lopen de spanningen aan Israëls noord- en zuidgrens toch nog hoog op.

JERUZALEM – Israëliërs vragen zich af wat er met de aangekondigde zomeroorlog is gebeurd. Al sinds het voorjaar stonden de lokale media bol van de verhalen dat de zomer van 2007 ‘heet’ zou worden: het Israëlische leger zou immers toe zijn aan een overwinning. Gecombineerd met de heersende wraakgevoelens na de desastreus verlopen confrontatie met Hezbollah vorig jaar, leek dat een geheid recept voor een grootschalig gevecht. Maar de doemdenkers hebben ongelijk gekregen.

Of krijgen ze alsnog gelijk?

Want plotseling zijn de spanningen bij zowel de noordgrens met Syrië als de zuidgrens met Gaza nagenoeg tot een kookpunt gekomen. In het Israëlische plaatsje Sderot vlak bij de Gazastrook werd een kleuterschool getroffen door een Kassamraket. Er vielen geen slachtoffers, maar de schrik was er niet minder om. Het Israëlische leger is daarna op jacht gegaan naar lanceerinstallaties in de Gazastrook, maar een grootschalige invasie bleef uit. Dat heeft volgens militaire analisten alles te maken met de oplopende spanning aan de Syrische grens. Daar moet het leger paraat staan en Israël wil voorkomen dat het te maken krijgt met een tweefrontenoorlog. De Syriërs beweerden vorige week dat een Israëlisch gevechtsvliegtuig hun luchtruim had geschonden en zelfs een onduidelijk doelwit in het noordoosten van het land onder vuur had genomen.

De Israëlische luchtmacht traint vaak in het Turkse luchtruim vlak bij de Syrische grens. Het Syrische staatspersbureau herschreef de claim later en sprak van het ‘afwerpen van munitie’ in plaats van een gerichte luchtaanval. Met deze typering leken de Syriërs de angel uit het incident te willen halen. De Israëlische luchtmacht onthield zich van commentaar.

Ondertussen is de populariteit van premier Olmert tot een nieuw dieptepunt gedaald. Volgens de rechtse Jerusalem Post is Olmert op dit moment ‘zo populair als acute acne’ en vormt hij daarom een gevaar voor het land. Een kat in het nauw maakt rare sprongen, zo is de gedachte. Links in Israël vreest dat Olmert snel zijn spierballen zal laten rollen door alsnog die (na)zomeroorlog te beginnen, om zo de dramatische populariteitscijfers op te krikken. De rechterflank vreest dat hij een grote uitverkoop houdt tijdens zijn privé-gesprekken met de Palestijnse leider Mahmoud Abbas. Hij zou concessies doen die hij later niet kan waarmaken.

De besprekingen lijken gedoemd te mislukken omdat ook Abbas op weinig bijval onder zijn achterban kan rekenen. De Palestijnse media kenmerken hem gekscherend als ‘de burgemeester van Ramallah’. En lieveling van het Westen. En inderdaad: als hij de stad al verlaat, gaat hij naar het buitenland.

DAVID POORT

DE VROUWENKWESTIE

Ondertussen vond verderop in Amsterdam een troebel debat plaats over de waardering van vrouwen in de literatuur. Maar het ging wel ergens over.

AMSTERDAM – Met de voorspelling van universitair hoofddocent moderne Nederlandse letterkunde Erica van Boven dat het debat waarschijnlijk weinig zou opleveren, leek de toon gezet. Dat de discussie tussen recensenten, uitgevers en schrijvers toch niet verzandde, had vooral te maken met de vraag waarom vrouwen het elkaar zo moeilijk lijken te maken.

De constatering dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn bij literaire prijzen – met een daling van zestien naar twaalf vrouwelijke prijswinnaars in de afgelopen vier jaar kun je volgens Van Boven terecht spreken van een achterwaartse beweging – leidde tot de vraag: kunnen vrouwen niet schrijven of worden ze niet goed gelezen?

Natuurlijk kunnen vrouwen schrijven. Maar schrijven ze dan wellicht te veel over ‘persoonlijke wissewasjes’? Die term viel in de klaagzang van Cox Habbema toen zij als jurylid van de Libris Literatuurprijs haar teleurstelling uitte over de kwaliteit van de vrouwelijke inzendingen. Op Trouw-_recensent Ingrid Hoogervorst na meenden de recensenten echter dat niet het onderwerp, maar stijl en vorm er werkelijk toe doen. ‘Een boek zonder persoonlijke wissewasjes lijkt mij eerlijk gezegd onverteerbaar’, aldus _NRC-recensent Janet Luis.

Gesneden koek tot zover. Spannend werd het toen de onderliggende dynamiek van het debat ter sprake kwam en de vrouwelijke recensenten (waarom er geen mannen aan tafel zaten, was niet duidelijk) de blik naar binnen richtten. Schrijver en Groene-_recensent Marja Pruis schreef in een opiniestuk in _de Volkskrant: ‘De hel, dat zijn de andere vrouwen.’ En ook Volkskrant-_recensent Aleid Truijens beweerde dat vrouwen weer iets moeten ‘en dan vooral van hun seksegenoten’. Daniëlle Serdijn, ook recensent van _de Volkskrant, opperde dat dit wellicht te maken heeft met de nabijheid die je voelt wanneer je als vrouw een boek van een vrouwelijke auteur leest. Die nabijheid maakt je als lezer of recensent kritischer. Serdijn: ‘Je wilt dat de onderwerpen die je herkent als vrouw, neem een bevalling, stilistisch en compositorisch in goede handen zijn. Dat is anders dan wanneer ik bijvoorbeeld in Gala van Giphart lees over een sterilisatie. Ik weet niet hoe dat is, dat is vreemder en het vertelt me iets nieuws.’

Dat vrouwen ondergewaardeerd worden, heeft volgens Serdijn vooral te maken met de onevenredige man-vrouwverhouding in jury’s. Onderzoek ondersteunt die gedachte: hoe meer vrouwen in de jury, hoe meer vrouwelijke winnaars. Daar is concreet wat aan te doen. Maar pas op, want een beroepsgroep boet nog steeds aan status in wanneer vrouwen er onderdeel van worden. Van Boven: ‘Het is een manier van kijken die diep in ons collectief onbewuste verstopt zit en dát is het mechanisme dat ook aan deze discussie ten grondslag ligt. Dat dit onbewust en dus onbenoemd blijft, geeft het debat haar troebele karakter.’

MARTE KAAN

DE BLANKE BOER ALS ONDERWIJZER

In Zimbabwe zijn de landhervormingen uitgelopen op een ramp. Namibië gooit het over een andere boeg. Maar ook daar dreigt een fiasco.

WINDHOEK – Namibië is een leeg land. De twee miljoen inwoners hebben een gebied van 25 keer de oppervlakte van Nederland ter beschikking, ingeklemd tussen Zuid-Afrika en Angola. Sinds de onafhankelijkheid in 1990 is het land een democratie, met transparante verkiezingen en een vrije pers. Maar ondertussen worstelt het met de erfenis van de apartheid, die Zuid-Afrika er bracht. Net als in Zimbabwe loopt de landverdeling er langs scheve raciale lijnen: vijfduizend blanke boeren bezetten ruim veertig procent van de landbouwgrond. De rest is beschikbaar voor ruim een half miljoen zwarte boeren. Kortom, zo’n één procent van de boeren bezet de helft van de beschikbare landbouwgrond. Die ene procent is blank.

De Namibische regering probeert iets aan de scheve verdeling te doen, maar zonder veel succes. Het beleid is gebaseerd op vrijwilligheid. Alleen als een blanke boer uit zichzelf besluit te stoppen, komt de overheid in actie en koopt de grond om die vervolgens ter beschikking te stellen aan zwarte, landloze mensen. Als gevolg van deze zachte aanpak is de afgelopen vijftien jaar nog maar tien procent van de blanke landbouwgrond overgegaan in zwarte handen.

Gek genoeg is deze trage herverdeling een zegen voor de economie. Want, hoe tragisch ook, bijna geen boerderij die ter beschikking werd gesteld aan zwarte Namibiërs, is nog rendabel. Een deel van de bedrijven die overgaan van blank naar zwart, komt in handen van hobbyboeren uit de stad: middenklassers die de boerderij gebruiken om er tijdens de vakanties te ontspannen. Op de rest worden arme, zwarte families gevestigd. Tien tot twintig families per boerderij. Vooral die ‘opgeknipte’ bedrijven doen het erg slecht. ‘In de onvruchtbare woestijn van Namibië heb je een enorm stuk grond nodig om rendabel te kunnen boeren’, aldus Robin Sherbourne, directeur van het Institute for Public Policy Research (ippr) in de hoofdstad Windhoek. ‘Als je een boerderij verdeelt in tien of twintig kleine stukken en op ieder perceel een familie huisvest, stort de zaak volledig in.’

Een bezoek aan de boerderij Oerwoud in het noorden van het land laat zien waarom. Op de ooit bloeiende boerderij, in het bezit gekomen van veertien families, heerst bittere armoede onder de tachtig bewoners. Een van die boeren, Johannes, vertelt in een hutje van roestig golfplaat en platgeslagen olietonnen: ‘We kunnen nooit genoeg water in emmers en jerrycans vervoeren om de maïs te laten groeien. Vorig jaar hebben we in totaal vijf kisten maïs geproduceerd. Daar konden we precies een maand van eten. Toen ik hier zes jaar geleden aankwam, had ik goede moed. Ik had weliswaar geen ervaring met landbouw, maar de overheid beloofde me training en financiële steun. In de praktijk kwam het erop neer dat ik een stuk zand kreeg en het verder zelf moest uitzoeken. Er komt iedere maand een auto uit de stad met twee zakken maïsmeel waar we pap van maken. Dat is de enige steun die de overheid ons geeft.’

Het alternatief voor het falende overheidsbeleid is een nog zachtere hand, meent Lameck Mwewa, hoogleraar natuurbeheer aan de Technische Hogeschool van Windhoek. Mwewa bemoeit zich met de opleiding van overheidsfunctionarissen die het landhervormingsbeleid uitvoeren. Hij erkent de problemen. Lameck Mwewa: ‘Een blanke boer zou een paar jaar samen moeten werken met de zwarte families die zijn bedrijf gaan overnemen. Hij moet voor kennisoverdracht zorgen, waardoor zwarte boeren niet zomaar in het diepe worden gegooid.’

Tobias Reijngoud