Week 40

Deze week

Woestijnwetten

Gaza staat aan de rand van de afgrond. Is dat het rechtvaardige gevolg van de strijd tegen Israël of vormt het de oorzaak van de onophoudelijke vijandigheden?

DAMASCUS – ‘Hamas heeft Shalit gekidnapt. Hamas moet Shalit laten gaan’, blogde Leon de Winter op de website van het weekblad Elsevier. ‘Als Israël niet de kracht heeft om voor hem te bloeden en om voor zijn leven desnoods heel Gaza te verwoesten, dan zal Hamas op een dag Israël verwoesten. Zo gelden de regels in dat deel van de wereld. Zo luiden de wrede en onverbiddelijke woestijnwetten van het Midden-Oosten.’

De Winters woorden staan in schril contrast met die van gerenommeerde Israëlische schrijvers als Amoz Oz en David Grossman. Op 24 september riepen die Israël op tot een staakt-het-vuren, om zo een einde te maken aan het lijden aan beide zijden van de grens. Tevergeefs. De regering-Olmert zit op de lijn De Winter.

De Nederlandse schrijver heeft geen enkele reden zoveel wanhoop in zijn woorden te stoppen, want het devies is tand-om-tand. Israël heeft de Gazastrook afgelopen week tot ‘vijandige staat’ verklaard, hetgeen Israël onder meer het recht geeft water, gas en elektriciteit af te sluiten. Condoleezza Rice, op bezoek in Israël om een grote Amerikaanse vredesconferentie voor de regio aan te kondigen, steunde de maatregel, hoewel die in strijd is met artikel 33 van de Geneefse Conventie. Dat bepaalt dat ‘niemand gestraft mag worden voor een misdrijf dat hij of zij niet zelf heeft gepleegd. Collective penalties and likewise all measures of intimidation or of terrorism are prohibited.’

Het is onjuist te veronderstellen dat de draconische Israëlische maatregelen slechts een antwoord vormen op de ontvoering van de soldaat Shalit. Het Israëlische afknijpbeleid dateert immers al van midden jaren negentig. En na de verkiezingsoverwinning van Hamas werd het nog eens aangescherpt, waardoor de humanitaire situatie in Gaza momenteel bijna onhoudbaar is geworden.

Dit wordt de laatste maanden bevestigd in een vloedstroom van rapporten van internationale organisaties. Volgens de VN overleeft de helft van de bevolking van Gaza op voedselpakketten, bedraagt de werkloosheid meer dan 70 procent, leeft 87 procent van de bevolking onder de armoedegrens van 2,4 dollar per dag en kan bijna niemand iets ondernemen vanwege de strenge im- en exportbepalingen. Ook de Wereldbank trekt aan de bel. ‘Met een voortgaande afgrendeling op dit niveau’, verklaart Faris Hadad-Zervos, de banks verantwoordelijke man in de Palestijnse Gebieden, ‘loopt Gaza het risico van onomkeerbare instorting. Dan zal Gaza voor lange tijd volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp, geleverd door de internationale gemeenschap.’

Israël hoopt dat het collectieve strafbeleid de inwoners van Gaza zal opzetten tegen Hamas. Of, zoals Harvard-professor Sara Roy, verbonden aan het Centrum voor Midden-Oosten Studies, het formuleert: ‘De verpaupering van Gaza’s economie is niet per ongeluk, maar weloverwogen.’ En: ‘Men hoeft slechts te kijken naar de economie van Gaza ten tijde van de tweede intifada om te concluderen dat de verwoesting niet van recente aard is.’ Al in 2003 vertelde Raji Sourani, directeur van het Palestijnse Mensenrechtencentrum in Gaza, dat de tweede intifada zelf niet het probleem was. ‘Het is de situatie die leidde tot de tweede intifada.’ En die is alleen maar verslechterd. Moedwillig. Door ‘de vijand’.

PETER SPEETJENS

Oeigoeren in de Cariben

Afgelopen week deden 68 Europarlementariërs een oproep aan de landen van de Europese Unie: adopteer een Guantánamo-gevangene.

AMSTERDAM – De Europarlementariërs bundelden hun krachten, samen met een internationale mensenrechtenorganisatie, naar aanleiding van een Amerikaans rapport. Daaruit bleek dat zeker tachtig Guantánamo-gevangenen onschuldig zijn bevonden, maar nergens naartoe kunnen. Ze vertoeven dus nog altijd op Guantánamo Bay, een klein stukje Amerikaans grondgebied op Cuba. De parlementariërs deden een dringend beroep op de lidstaten van de Unie om de ex-gedetineerden op te vangen. Het enige land dat uit eigen beweging enige gevangenen onderdak heeft geboden, is Albanië.

Na vijf jaar onbepaalde en rechteloze detentie, zonder aanklacht en met vernederingen en martelingen, hebben de VS de vermeende terroristen vrijgelaten. Ze hebben toestemming terug te keren naar huis. Maar er is een probleem. Terugkeer naar het eigen land is onmogelijk, omdat ze er niet meer welkom zijn. Erger, ze zijn er vrijwel zeker van vervolging. Dit geldt voor ongeveer vijftig van de vrijgelaten gevangenen uit landen als China, Libië en Algerije, waar mensenrechten een rekbaar begrip zijn. De VS hebben al dertig mensen teruggestuurd naar bijvoorbeeld Libië, Oezbekistan en Tunesië en zijn niet van plan rekening te houden met de vooruitzichten van de ex-gedetineerden nadat zij zijn uitgezonden. Volgens het rapport, met de titel Guantánamo’s Refugees: Trapped by Inaction, is de kans dat zij in het thuisland opnieuw martelingen moeten ondergaan bijzonder groot. ‘Onacceptabel’ zegt de organisatie die het rapport opstelde, het Center for Constitutional Rights.

Voor de meeste van deze vluchtelingen geldt dat zij domweg op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren, met als gevolg dat ze terechtkwamen in Guantánamo Bay. Toen de Amerikanen Afghanistan binnenvielen, werden grote sommen geld uitgeloofd aan iedereen die een terrorist van al-Qaeda aangaf. Amerikanen hadden moeite die zelf te herkennen en dat bood de plaatselijke bevolking perspectief. Zo kregen vele onschuldige mensen, zonder enig spoor van bewijs van terroristische activiteiten of sympathieën, een enkeltje Guantánamo.

Dit overkwam zeventien Oeigoeren die naar eigen zeggen in Afghanistan op vakantie waren. Oeigoeren zijn een vervolgde moslimminderheid uit het noordwesten van China. In het destijds door moslimfundamentalisten geregeerde Afghanistan konden zij eindelijk even vrij ademhalen. Toen de oorlog tussen de heersende Taliban en enkele geallieerde westerse legers uitbrak, vluchtten de Oeigoeren de bergen in, om later de wijk te nemen naar Pakistan. Een stam aldaar leverde ze uit aan de Amerikanen voor een niet nader onthulde geldsom.

In Guantánamo leefde de groep vier jaar lang, 22 uur per dag geketend in een stalen kooi waar nauwelijks licht naar binnen kwam. Albanië heeft vijf van hen asiel aangeboden, de anderen zitten nog steeds in Guantánamo in de vurige hoop dat ze niet op het volgende vliegtuig naar China worden gezet. In China zijn Oeigoeren even slecht af als in Guantánamo. De Oeigoerse minderheid had het al niet gemakkelijk onder het communisme, maar met de wereldwijde oorlog tegen terrorisme is de situatie nog moeilijker geworden. Iedere Oeigoer is tegenwoordig een potentiële terrorist, separatist of religieuze extremist. Kortom, een vrijbrief voor de Chinese autoriteiten om de onderdrukking nog een tandje hoger te zetten. Waar nu naartoe? Zelfs Afghanistan is geen optie meer.

SARA KEE

Lord Gilmour (1926-2007)

Bij de dood van de libertaire koning van het conservatieve Britse regentendom.

LONDEN – Margaret Thatcher vloekte zelden. Slechts één keer, als rijzende ster, benutte ze het bijvoeglijk naamwoord ‘fucking’. Dat deed ze in combinatie met het woord ‘establishment’. Deze uitbarsting tekende de diepgewortelde afkeer die de IJzeren Dame koesterde jegens de patriciërs, met name die binnen haar eigen partij. In haar ogen waren ze dermate defaitistisch, compromisbereid en zelfgenoegzaam dat ze een gevaar vormden voor haar neoliberale project. Ian Hedworth John Little Gilmour, de ongekroonde leider van dat Thatcher-onvriendelijke conservatieve regentendom, is onlangs overleden.

Bij haar aantreden in 1979 had Thatcher Gilmour benoemd tot Lord Privy Seal, een uit de elfde eeuw stammende functie, die behalve uit ceremoniële bezigheden uit het bijstaan van de minister van Buitenlandse Zaken bestond. Gilmour was bepaald ongelukkig met Thatchers euroscepsis, maar ontwikkelde zich vooral tot criticus van het monetaire beleid. Volgens Gilmour leidden de obsessie met inflatiebestrijding en de bijbehorende bezuinigingen tot een Clockwork Orange Society, waarmee hij refereerde aan de gewelddadige film van Stanley Kubrick. Na twee jaar had Thatcher genoeg van het geborneerde gemopper. Ze ontsloeg hem. Bij zijn afscheidsrede verklaarde Gilmour dat Thatcher met volle vaart op de rotsen afstevende.

Vanaf de achterbankjes zou Gilmour oppositie blijven voeren en in 1989 steunde hij partijgenoot Sir Anthony Meyer bij diens kansloze doch schadelijke couppoging. Maar de scherpste kritiek uitte hij met de pen. In 1983 publiceerde Gilmour met Britain Can Work een aanval op Thatchers werkloosheidsbeleid. Een kleine tien jaar later blikte hij terug in Dancing with Dogma: Britain under Thatcherism, met op de cover een stoute foto waarop hij met Thatcher danst. Inmiddels was hij als Lord Gilmour of Craigmillar lid van het Hogerhuis geworden, een functie die hij vooral waardeerde omdat die zijn parkeerproblemen in de binnenstad oploste.

Thatcher was niet de eerste conservatieve premier die te maken kreeg met Gilmours vileine pen. Na een kort avontuur in de advocatuur wendde de 28-jarige Gilmour zijn deel van het familiekapitaal aan om het conservatief-libertaire weekblad The Spectator te kopen. Hij benoemde zichzelf tot hoofdredacteur. Vanuit die functie hekelde hij het Suez-beleid van Anthony Eden en de criminalisering van homoseksualiteit en streed hij, vrij succesvol, tegen de doodstraf. Vooral dat laatste leverde hem vijanden op, onder wie raadsheer Lord Goddard, die toevallig presideerde in een smaadzaak tegen Gilmour, nadat The Spectator een verhaal had gepubliceerd over een bacchanaal van drie prominente Labour-politici. ‘The Speccie’ moest een fikse schadevergoeding betalen. Later zou een van de drie betrokken socialisten toegeven onder ede te hebben gelogen.

Gilmour formuleerde zijn libertaire politieke filosofie in The Body Politic en vestigde zijn naam als conservatieve intellectueel met Inside Right. Binnen de partij stond hij bekend als een geleerde, verlegen – wat soms voor arrogantie werd aangezien – en beminnelijke man. Hij sloot zich aan bij de Blue Chip Supper Club, een broederschap van conservatieve intellectuelen die, zo beweerde het lid Matthew Parris, ‘geamuseerd delibereerden over de wijze waarop die krachtige maar beperkte kleine dame in Downing Street het vuile werk opknapte’. Gilmour organiseerde populaire tuinfeesten bij zijn huis aan de oever van de Theems, waar, in de woorden van zijn compagnon en collega Alan Clark, knappe vrouwen het gazon deelden ‘met rondrennende kinderen in feestkleren, bisschoppen, slimme journalisten en politieke paria’s’.

Veel plezier beleefde Gilmour aan zijn voorzitterschap van de Byron Society, waar hij een vriendschap ontwikkelde met Michael Foot, de officiële oppositieleider tijdens de eerste jaren van het Thatcher-tijdperk. Zijn carrière sloot hij passend af met een boek over de romantische dichters Byron en Shelley.

PATRICK VAN IJZENDOORN

Wowi! De Duitse politieke popster

Berlijns burgemeester interesseert zich in een meeslepende autobiografie nauwelijks voor de problemen van de stad, maar de hippe burgervader blijkt een meester in gelikte teksten en wilde plannen. Op naar het kanselierschap.

Klaus Wowereit is burgemeester van Berlijn. Hij is jong, homo, ziet er goed uit, is geliefd bij de Berlijners en wil bondskanselier van Duitsland worden. Zijn vorige week verschenen autobiografie moet hem als kandidaat op de kaart zetten, maar vestigt onbedoeld ook de aandacht op zijn zwakke kanten.

Net als de jonge Clinton, de jonge Schröder en zijn idolen Willy Brandt en John F. Kennedy is Klaus Wowereit een politieke avonturier. Na een armoedige jeugd in West-Berlijn wist hij zich via de partijpolitiek van de sociaal-democratische spd op te werken tot burgemeester van Berlijn. Maar zijn ambitie reikt verder. Zoals iedere ambitieuze politicus dezer dagen doet, heeft ook Wowereit een boek geschreven waarin hij zijn ideeën en opvattingen wereldkundig maakt. Maar anders dan bijvoorbeeld The Audacity of Hope van Barack Obama, waarin die zijn visie op Amerika beschrijft, is …und das ist auch gut so geen politiek statement. Het is een persoonlijk boek waarin Wowereit voornamelijk zijn privé-leven beschrijft. Van jongen uit een eenoudergezin van vijf kinderen verwekt door drie verschillende vaders tot politicus-popster. Het liefst omringd door beroemdheden, is hij een zeer geziene gast op feesten, van techno tot opera. Om een idee te geven van het boek: Wowereit wijdt drie bladzijden aan de toekomst van Berlijn en maar liefst vijf bladzijden aan de viering van zijn vijftigste verjaardag. ‘Ik vond de passage waarin hij beschrijft dat zijn moeder op zijn verjaardag overlijdt het aangrijpendst’, zei een Berlijnse dameskapper me over het boek.

Dat bevestigt het beeld dat critici van Wowereit geven. Zijn huidige functie is een beproefde opstap naar de landelijke politiek en zelfs naar het hoogste ambt. Willy Brandt (bondskanselier), Hans-Jochen Vogel (kandidaat-bondskanselier) en Richard von Weiszaecker (bondspresident) gingen hem voor. Maar waar de andere drie heren belezen figuren waren, zou het Wowi ontbreken aan intellectuele overtuigingskracht. Zo wist hij bij de Duitse landelijke IQ-test het juiste antwoord niet op de vraag wanneer de Tweede Wereldoorlog begon en wat 3 + 8 x 2 is (Wowereit: 20). Problemen die niet binnen achttien maanden kunnen worden opgelost, laat hij links liggen. Zijn motto: ‘representeren, niet regeren’. Althans, dat zeggen de critici.

Toch kent Berlijn problemen die niet met een quick fix zijn te verhelpen. Om de huidige staat van de stad te beschrijven, verzon Wowereit de Engelse slogan ‘poor but sexy’. Dat is aardig, maar kan de schuldenlast van 69 miljard euro niet verzachten. Bovendien profiteert Berlijn het minst van de landelijke economische groei. En terwijl de werkloosheid in Baden-Württemberg en in Rheinland-Pfalz het afgelopen jaar met ongeveer twintig procent afnam, moest Berlijn het met een daling van minder dan tien procent doen. Met een huidige werkloosheid van 15,9 procent duldt Berlijn alleen het troosteloze Sachsen-Anhalt boven zich. De rood-rode coalitie van spd en ex-communisten, die Wowereit met succes leidt, is de industrie-onvriendelijkste van Duitsland.

In zijn boek kondigt Wowereit aan de enorme Berlijnse schuldenlast op eigen kracht af te zullen bouwen, in kleine stappen. Een solide financieel plan daartoe ontbreekt. Zijn oplossing: Berlijn moet zich niet richten op industrie maar op toerisme. ‘Besucher sind unser Arbeitsgeber.’ Daarom moet Berlijn uiteraard over een ‘erstklassige Party-Szene’ beschikken. En als hij dan ook nog de Olympische Spelen naar Berlijn haalt, zoals hij zich heilig heeft voorgenomen, dan kan de burger rustig gaan slapen.

STEPHAN SWINKELS