week 11

Deze Week

De straf voor haastige spoed
Het dossier Irak begint nu echt pijn te doen. Stukje bij beetje wordt duidelijk welke steken het Pentagon heeft laten vallen in de Iraakse veldtocht.

AMSTERDAM – The New York Times heeft afgelopen week een groot artikel, gebaseerd op gesprekken met hoge militairen, gepubliceerd over de eerste dagen van de operatie Iraqi Freedom. Daaruit blijkt dat al in de eerste dagen van de snelle opmars door de Iraakse woestijn strategische fouten zijn gemaakt, die tot onenigheid leidden in de militaire top.

Bevelhebber generaal Tommy Franks wilde koste wat het kost dat zijn tanks doorstoomden naar Bagdad. Maar officieren in het veld constateerden hevige tegenstand in de steden waar de tanks doorheen raasden. Licht bewapende en uiterst fanatieke Fedayeen – soennitische strijders die trouw hadden gezworen aan Saddam Hoessein – wachtten tot de hoofdmacht voorbij was en vielen de lange Amerikaanse bevoorradingslijnen aan. Maar Tommy Franks wilde niet toestaan dat de opmars werd vertraagd om met de Fedayeen af te rekenen. Volgens inlichtingenbronnen wordt het taaie soennitische verzet van nu juist gevormd door de strijders die toen gespaard bleven. Een gemiste kans.

Toen Bagdad eenmaal was ingenomen, werd nóg een verkeerde keuze gemaakt. Officieren te velde drongen erop aan dat de Eerste Cavalerie Divisie (zestienduizend man) werd ontplooid om alsnog de Fedayeen op te sporen en te bestrijden. Minister Donald Rumsfeld van Defensie hield de verscheping van de divisie echter tegen. Hij vond het wel welletjes met de troepenopbouw.

Een nieuwe misser is intussen in de maak. In het blad Foreign Affairs waarschuwde militair analist Stephen Biddle tegen «Irakisering» van het conflict. Het idioom stamt uit de Vietnam-oorlog. De toenmalige «Vietnamisering» hield in dat er een Zuid-Vietnamees leger werd opgebouwd dat zelf de klus moest klaren. De Amerikaanse troepen, die inmiddels zware verliezen hadden geleden, konden terug naar huis. Ook nu willen de Amerikanen dolgraag hun troepen terugtrekken. Maar ze hebben een misrekening gemaakt bij het vormen van het nieuwe Iraakse leger. Het zijn vooral Koerden en sjiïeten die daarin de dienst uitmaken. In de huidige bijna-burgeroorlog wordt het leger door de soennieten gezien als onderdrukkende macht. Deze Iraakse troepen inzetten is volgens Stephen Biddle olie op het vuur gooien. De denktank International Crisis Group denkt er al net zo over.

En Rumsfeld? Die houdt zich doof. Tijdens een hoorzitting in de Senaat kondigde hij ijskoud aan dat als het geweld zich uitbreidt Iraakse troepen tegen de eigen bevolking zullen worden ingezet.

JOERI BOOM

Haalt Poetin 2008?
De presidentsverkiezingen in Rusland laten nog twee jaar op zich wachten. Het staatshoofd heeft tot die tijd niets te duchten. Toch wordt er gespeculeerd over zijn tussentijdse aftreden.

AMSTERDAM – De verkiezingsagenda in Rusland staat haaks op die in Frankrijk. In Frankrijk schrijft een nieuwe president na zijn overwinning vaak parlementsverkiezingen uit om zich te verzekeren van een mooie achterban in de Assemblée Nationale. In Rusland is het sinds de ontmanteling van de Sovjet-Unie en de daarop volgende chaos in 1991-1993 omgekeerd: eerst verkiezingen voor de Doema en dan voor het Kremlin. De campagne voor de Doema is zo het trainingsveld, waarop de macht kan oefenen met zichzelf, met de oppositie en met in de markt gezette partijtjes waarmee de oppositie kan worden bestreden.

President Vladimir Poetin heeft deze «politieke technologie» twee keer toegepast. In 1999 wist hij zo de sociaal-liberale partij Jabloko een hak te zetten met een concurrerende liberaal-kapitalistische partij. En in 2003 kon hij op deze manier met de patriottische «achtergrondpartij» Moederland een wig drijven in het trouwe communistische electoraat. Zijn eigen presidentiële partij Verenigd Rusland is sindsdien nagenoeg alleenheerser. Alleen bureaucratische infighting drukt de eensgezinde pret zo nu en dan.

Maar de volgende keer kan dat kunstje niet worden herhaald. Conform de grondwet kan Poetin zich in 2008 niet herkiesbaar stellen. Een logische opvolger heeft hij nog niet. Of beter, hij heeft twee potentiële opvolgers: vice-premier Dmitri Medvedev, die in zijn vrije tijd ook president-commissaris is van het gasbedrijf Gazprom en in die hoedanigheid symbool staat voor het geleide «staatskapitalisme» dat onder Poetin floreert, en vice-premier Sergej Ivanov, die nog steeds minister van Defensie is en daarmee spreekbuis van het eveneens bloeiende militair-industrieel complex.

Omdat een keuze voor een van beide vleugels onherroepelijk een keuze tegen het andere kamp betekent, zijn er nog twee andere varianten denkbaar: een derde konijn uit de hoge hoed – naar analogie van Poetin zelf, die in de zomer van 1999 door toenmalig president Boris Jeltsin te voorschijn werd getoverd – of een staatkundige manoeuvre. Volgens het Russische dagblad Novije Izvestija is de laatste oplossing nu in het Kremlin en de Doema aan de orde. Op basis van gesprekken met hooggeplaatste parlementariërs van Verenigd Rusland heeft de krant dinsdag onthuld dat er verregaand wordt gesproken over twee verkiezingen op één dag. In december 2007 zou zowel de nieuwe Doema als de nieuwe president moeten worden gekozen. President Poetin zou vlak voor die zondag in december 2007 aftreden en een opvolger naar voren schuiven.

Formele argumenten zijn er te over. Twee verkiezingen op één dag kosten minder geld en minder energie. Dat gaat er ook in Rusland bij de burgers goed in, omdat die verkiezingen in meerderheid tijdverspilling vinden. De politieke motieven zijn echter belangrijker. Met dit scenario, waarvoor op zichzelf geen grondwetswijziging nodig is, houdt het Kremlin alle opties open zonder het risico te lopen dat het wordt verrast door een plotseling oppositioneel «zwart paard». Zo’n mogelijke kandidaat kan dan niet warmlopen.

HUBERT SMEETS

Gepimpte boekhandels
In de strijd om de boekenkoper is symboliek nu ook een wapen.

AMSTERDAM – De winkels van de Boekhandels Groep Nederland (bgn) worden «gepimpt». Scheltema, Donner, Broese en alle andere boekhandels die nu nog het teken *) als logo voeren, gaan binnenkort Selexyz voor hun naam zetten.

Voor bgn was 2005 een goed jaar. De boekhandels hoefden alleen Ikea voor zich te dulden in de ranglijst van beste winkelketens van Nederland en realiseerden een mooie omzet. Reden en noodzaak te over om een nieuwe weg in te slaan. Het moet nog groter en centraler waar het studieboeken en internetverkoop betreft. Maar het moet vooral duidelijker. De asterisk en het haakje dekken de lading niet meer. Hoog tijd voor een logo dat «geheimzinnig [is] qua lettercombinatie en woordbeeld».

bgn heeft zijn medewerkers de omvangrijke filosofie achter naam en logo uitgelegd met een vertrouwd medium: een boekje. Daarin valt te lezen over de Latijnse oorsprong die «Selexyz» (uitspraak: «selecties») zou hebben, met grondwoorden als lex (wet), lexis («bouwstenen van taal») en selexis («aparte verzameling van het geschrevene»). Aan «lex» wordt de betekenis «prescriptieve wet: zo moet je het doen!» ontleend. En «xyz» blijkt geen halfslachtige poging om mee te doen met msn-achtige taalverjonging, maar een serieuze verwijzing naar «de drie dimensies van ruimte». Die moeten natuurlijk niet al te «letterlijk» worden opgevat. Selexyz eigent zichzelf heel bescheiden zelfs de vierde dimensie toe: «Mensen kopen tijd. Selexyz bepaalt hoe die tijd doorgebracht wordt.»

De winkels zullen stuk voor stuk worden uitgerust met de nieuwste chiptechnologie, waardoor de medewerkers minder werkzaamheden hebben en meer tijd krijgen om met klanten te praten. Of zou hier toch tussen de regels door gelezen moeten worden?

Hoe dan ook, Selexyz wil een winkel zijn met «een rijkdom aan geselecteerde boeken» die klanten laat «ervaren hoe verhalen het leven verrijkt [sic]. Dát is onze opdracht en dát willen we uitdragen aan iedereen. Selexyz is de uitverkorene.» Amen.Op de website van Boekblad, het platform van het boekenvak, buitelen de reacties over elkaar heen: de ene nog venijniger, sceptischer en verbitterder dan de andere. Het varieert van «goede 1-aprilgrap» en «Dyslexyz?» tot: «Toch klinkt ‹Ik ga de Russische Bibliotheek kopen bij het Kruidvat› beter dan ‹Ik ga Solzjenitsin aanschaffen bij Selexyz›.»

De winkelmanagers van de betrokken boekhandels zijn echter positief gestemd, zelfs over de invoering van de bedrijfskleding, in de herkenbare kleuren ecru of olijfgroen met zwart. «Als het bedrijf het goed kan uitleggen, dan krijgt het iedereen wel mee», oordeelt filiaal Leeuwarden. Nijmegen erkent dat nog wel bedacht moet worden «hoe we in twee zinnen een antwoord kunnen formuleren aan klanten die vragen naar het waarom van Selexyz».

In ieder geval is het probleem dat mensen *) met alles behalve boeken associeerden nu verleden tijd.

JOYCE KRAAIJEVELD

Een hoofd voor een droom
In Nederland mag hier en daar worden gesteigerd nu sommige leden van de Hofstadgroep zijn veroordeeld wegens het verspreiden van radicale denkbeelden, in de Verenigde Staten kan alleen al een droom je de kop kosten.

AMSTERDAM – Wanneer precies is niet bekend, maar ergens vóór het jaar 2000 droomde Zacarias Moussaoui zijn terreurdroom. Hij was piloot in een groot verkeersvliegtuig dat hij met passagiers en al in het Witte Huis boorde, droomde hij. Nu moet hij zich voor die droom verantwoorden in de Verenigde Staten, waar hij terechtstaat.

Moussaoui wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de terreuraanvallen van 11 september 2001. Hij zou «de twintigste kaper» zijn geweest, die gearresteerd werd voordat hij aan boord kon gaan van de vliegtuigen die zich in het Pentagon en het World Trade Center boorden. De drie toestellen die doel troffen hadden elk vijf kapers aan boord. Een vierde vliegtuig werd gekaapt door vier terroristen. Zij werden overmeesterd door passagiers. Het toestel stortte neer.

Zijn droom speelt een cruciale rol in het proces. Een gearresteerde moslimterrorist heeft getuigd dat Moussaoui in 2000 aan Osama bin Laden over zijn droom vertelde. «Onthoud die droom», antwoordde de al-Qaeda-leider. Moussaoui, die volgens menigeen niet helemaal goed bij zijn hoofd is, heeft de droom niet ontkend. Maar, zegt hij, die droom had niets te maken met 9/11. Jazeker, hij was van plan een vliegtuig te kapen. En dat hij vlieglessen nam, waarbij hij overigens uiterst belabberd presteerde, staat buiten kijf. Trots meldde hij in de rechtszaal dat hij bezig was met zijn eigen terreurplan, waarover hij verder niets loslaat.

De aanklagers vinden juist dat de droom zijn betrokkenheid bij het vermoorden van meer dan drieduizend mensen in New York en Washington bewijst. Want alleen dan krijgt hij de straf die volgens hen staat op een dergelijk hersenspinsel en de bereidheid dat uit te voeren: de doodstraf.

JOERI BOOM

VerlossingJohn Dennis Profumo (1915-2006)
LONDEN – Op zichzelf stelde de affaire tussen John Dennis Profumo (1915-2006) en Christine Keeler weinig voor. Ze leerden elkaar op een zomeravond in 1961 kennen aan de rand van een zwembad van Lady Astors landgoed Cliveden. De minister van Oorlog, gekleed in dinner jacket, had de negentienjarige nachtclubdanseres naakt uit het zwembad zien stappen, om vervolgens geamuseerd gade te slaan hoe ze trachtte haar erogene zones te bedekken met een voor dit doel ongeschikte handdoek.

Het daaropvolgende overspel – Profumo was gelukkig getrouwd met de actrice Valerie Hobson – zou twee maanden duren. Pas een kleine twee jaar later kreeg de affaire de status van een publiek schandaal. Profumo ontkende in het Lagerhuis een affaire te hebben gehad, won een smaadzaak tegen Paris Match, maar moest twee maanden later alsnog de pijnlijke waarheid vertellen.

De schrijver Evelyn Waugh begreep weinig van de ophef. Hij zei drie premiers te kunnen opnoemen die buitenechtelijke expedities hadden ondernomen. Probleem was natuurlijk dat het niet alleen draaide om het oudste beroep van de wereld, maar tevens om het op één na oudste: spionage. De brunette deelde ook het bed met de sovjetmarineattaché – eufemisme voor spion – Jevgeni Ivanov. Dat lag gevoelig, ten tijde van de Berlijnse Muur en de Varkensbaai.

In haar autobiografie The Truth at Last schreef Keeler vijf jaar geleden dat zij als spion werkte voor de «meesterspion» Stephen Ward, die toch vooral faam genoot als liefdesmakelaar binnen hogere kringen, iets waar hij voor zou worden veroordeeld ware het niet dat hij zelfmoord pleegde terwijl de jury zat te beraadslagen. Onderminister Lord Lambton merkte indertijd op dat een platonische relatie tussen Keeler en Ivanov gevaarlijker zou zijn geweest.

Belangrijker was het symbolische belang. Het schandaal speelde zich af in een tijd waarin het land zijn onschuld – vermomde hypocrisie – verloor: het Lady Chatterley-proces, de Grote Treinroof en de opkomst van The Beatles. Onbedoeld werd dit fraai verwoord door premier Harold Macmillan, die, tijdens een redevoering over de Profumo-affaire, zei «niet veel te weten over jonge mensen». Een half jaar later trad «Supermac» wegens ziekte af. In 1964 kwam de socialist Harold Wilson aan de macht, die de Profumo-zaak op marxistische wijze had geanalyseerd als een affaire tussen een aristocraat (Profumo was de Vijfde Baron van het vergane Koninkrijk Sardinië) en een meisje uit de arbeidersklasse waarbij eerstgenoemde het land in gevaar bracht door erover te liegen.

Om zijn morele schuld aan de samenleving terug te betalen, schreef Profumo geen lucratieve biografie (zijn zoon David is daar thans mee bezig) maar klopte hij daags na zijn val aan bij Toynbee Hall, een liefdadigheidsinstelling die zich inzet voor de arme gezinnen in het oosten van Londen. «John» werd «Jack». De gevallen minister begon met de afwas, maar klom snel omhoog tot president, een functie die eerder door ex-premier Clement Attlee was bekleed. Hoewel hij dagelijks aan de affaire terugdacht, zou hij er zelden over spreken. Alleen tegen de journalist Matthew Parris, auteur van Great Parliamentary Scandals, wilde hij kwijt dat er inderdaad onwaarheden over hem zijn verteld, maar dat hij zich daarbij neerlegde. De verfilming Schandal! bezocht hij incognito.

Langzaam kreeg hij waardering. In 1975 ontving Profumo, op voorspraak van Wilson, een lintje. Tijdens de zeventigste verjaardag van Margaret Thatcher, waar hij de tafel met onder anderen de koningin deelde, werd hij door de gastvrouw geroemd als «nationale held». Na zijn dood regende het loftuitingen, onder meer van premier Tony Blair, wiens wegens corruptie of overspel, of allebei, afgetreden ministers na een gedwongen vakantie doorgaans een hoge ministerspost krijgen. Zijn kiezers waren hem echter altijd trouw gebleven. Toen zijn oude studievriend van Harrow en kabinetscollega W.F. Deedes kort geleden een Conservatieve bijeenkomst in Profumo’s oude kiesdistrict Stratford-upon-Avon bezocht, kreeg hij de wind van voren: «Waarom lieten jullie Jack destijds gaan? (…) Wat waren jullie verdomd schijnheilig!»

PATRICK VAN IJZENDOORN

Ali Farka Touré

(1939-2006)

AMSTERDAM – Uitgerekend deze maand heeft het Britse wereldmuziekblad fROOTS hem toevallig op de cover staan. Afgelopen week overleed de Malinese gitarist Ali Farka Touré. In januari 2005 gaf Touré samen met Toumani Diabaté in het uitverkochte Bozar (Brussel) nog een magistraal concert. Compromisloos namen de twee Malinese sterren hun publiek mee, zonder enige concessie aan de gangbare opbouw en spanningsboog van een westers concert. Alleen door lichtshow en hightech crane-met-camera werd duidelijk dat dit België was, niet Mali. Het concert liet een spannend contrast horen: Diabaté, die met een onuitputtelijke melodische vindingrijkheid een waterval van gloedvolle noten aan zijn kora (kalebasharp) ontlokte, en Touré, die met rudimentaire begeleiding op gitaar een robuuste bedding voor Diabaté uitgroef. Het ontbrak bij deze samenwerking niet aan symbolisch belang: Diabaté als telg van de zuidelijke Mandé-cultuur. Touré als personificatie van de noordelijke Sonrai-bevolking.

Touré (Kanua, Mali, 1939) overleefde als tiende kind negen voorgangers, vandaar de bijnaam farka (ezel) in de betekenis van vastberaden. Na de dood van zijn vader vestigde de familie zich in Niafunké, een dorp gelegen aan de Niger, 850 kilometer ten noordoosten van de Malinese hoofdstad Bamako.

Touré’s vroegste muzikale vorming is puur traditioneel: djerkel (eensnarige gitaar), n’jarka (eensnarige viool), n’goni (viersnarige luit) en de fluit van de Peul. Touré groeit op in een islamitisch milieu, maar dat geloof wordt gecombineerd met een pre-islamitische religie, waarin de djinns (riviergeesten van de Niger) een belangrijke rol spelen.

Als twintiger spreekt hij zeven verschillende Malinese talen vloeiend. De jaren zestig zijn in Afrika de jaren van herwonnen cultureel besef: ook de Malinese regering stimuleert authenticité. In alle disciplines worden er biënnales georganiseerd, waaraan door jongeren enthousiast wordt deelgenomen. Touré wint als lid van een collectief dansers en muzikanten van Niafunké diverse malen. In 1968 speelt hij voor het eerst op uitnodiging buiten Mali: in Sofia, Bulgarije. In die stad koopt hij zijn eerste westerse gitaar. Begin jaren zeventig verhuist Touré naar Bamako, waar hij bij de nationale radio gaat werken als technicus. Het biedt hem ook de mogelijkheid op te nemen. Sessies uit die tijd zijn in 1996 uitgebracht als Radio Mali. In 1980 vestigt Touré zich in Niafunké. Pas in 1987 zal Touré voor het eerst weer buiten Mali optreden. In Engeland maken zijn charisma en unieke gitaartechniek grote indruk: bbc-deejay Andy Kershaw draait Touré wekelijks in zijn radioshow, waarmee zijn faam begint. Die faam wordt internationaal verzilverd met het album Talking Timbuktu, dat hij samen met Ry Cooder in 1994 opneemt.

Toch zag Touré zichzelf altijd eerder als boer dan als muzikant. De recettes die zijn roem hem bracht vloeiden rechtstreeks terug naar landbouwprojecten ten bate van Niafunké. Hij was zo verknocht aan zijn grond dat zijn Britse label in 1999 besloot de studio dan maar naar Ali te brengen, in plaats van andersom. In een verlaten landbouwschooltje te Niafunké nam hij improviserenderwijs een van zijn meest indringende albums op, vernoemd naar zijn dorp. In 2004 werd hij als dank voor al zijn inspanningen gekozen tot burgemeester van Niafunké.

Als fenomeen illustreert Touré het onvermogen van het Westen om de uniciteit van de Afrikaanse cultuur in te zien. Tot vervelens toe werd hij getypeerd als «de Afrikaanse John Lee Hooker», terwijl Touré zelf zijn muziek met recht als puur Malinees zag. Traditionele muziek uit het noorden van Mali was voor hem de inspiratiebron.

Het is veelzeggend dat het Westen pas door de associatie met Cooder en de romantische notie van Afrika als bron van de blues de muziek van Touré kon verstaan. Maar door een dermate dwingende mal over zijn muziek te leggen misken je het unieke Malinese karakter ervan. Zeker In the Heart of the Moon, zijn vorig jaar verschenen cd die hij samen met Toumani Diabaté opnam, heeft niets met de blues van doen.

De opnamen van zijn laatste album, waarop naar verluidt de n’goni een hoofdrol speelt, heeft Touré nog net kunnen voltooien. Navolging heeft Touré niet echt, hoewel Afel Bocoum als pupil wordt gezien. Tijdens dezelfde indrukwekkende sessies te Niafunké nam deze jonge singer-songwriter onder auspiciën van de meester zelf een prachtig debuutalbum op.

JAÏR TCHONG

Mededeling

Wegens een korte vakantie in den vreemde en gebrek aan digitale communicatiemogelijkheden aldaar moet Menno Hurenkamp een weekje overslaan.

REDACTIE