Week 11

Deze week

De Fatah-connectie

Toen plan A niet werkte, bedacht de regering-Bush een plan B om Hamas uit het zadel te werpen. Nu is het wachten op plan C.

AMSTERDAM – In een bekend citaat beschrijft Hamas-leider Osama Hamdan het democratiseringsstreven van de Amerikaanse regering in het Midden-Oosten aan de hand van het sprookje van Assepoester: ‘De VS zijn als een prins op zoek naar Assepoester. Ze hebben het glazen muiltje en willen mensen vinden die er in passen. Passen de democratisch gekozen mensen de Amerikaanse schoen niet, dan zeggen de Amerikanen dat ze niet klaar zijn voor democratie.’

Onderzoeksjournalist David Rose beschrijft hoe dat concreet in zijn werk is gegaan na de verkiezingsoverwinning van Hamas in 2006. Zijn artikel in het Amerikaanse tijdschrift Vanity Fair stelt dat de Amerikaanse regering een belangrijke rol heeft gespeeld in het ontstaan van de huidige vete tussen Fatah en Hamas. In 2007 was er volgens Rose namelijk sprake van een geheime operatie vanuit het Witte Huis om Fatah-milities te bewapenen en te financieren met als doel om Hamas gewapenderhand uit te schakelen. Het is niet de zoveelste samenzweringstheorie. David Rose heeft een uitgebreide onderbouwing voor zijn artikel: uitgelekte geheime documenten, interviews met Amerikaanse en Israëlische bestuurders en gesprekken met zowel Hamas-politici als Fatah-veiligheidschef Muhammad Dahlan. Verscheidene documenten zijn te downloaden van de Vanity Fair-website. Ze geven een interessant inkijkje in een problematische mislukking van de Amerikaanse machtsdiplomatie. In een reactie van een woordvoerder van het Amerikaanse State Department wordt het artikel ‘absurd, niet waar en belachelijk’ genoemd. Eerder uitgelekte informatie in zowel Israëlische als Arabische kranten lijkt het verhaal echter te bevestigen.

Niet alleen praktiseert de regering-Bush een ander beleid dan ze predikt, ze doet dat op een dramatisch onsuccesvolle manier, zo blijkt uit het artikel. In het optreden rond Hamas stapelt Washington mislukking op mislukking. Allereerst is er het besluit om verkiezingen te houden in de Palestijnse gebieden, op aandringen van Bush, die af wil van het corrupte regime van Arafat. Het blijkt echter toch niet zo’n goed idee als het radicaal-islamitische Hamas, dat Israël weigert te erkennen, onverwacht als grote overwinnaar uit de bus komt. Washington besluit tot hard optreden. Plan A is om de financiële hulp aan de Palestijnse Autoriteit te bevriezen en zo Hamas onder druk te zetten. De blokkade blijkt echter voornamelijk Fatah te verzwakken. Vervolgens brengt Condoleezza Rice een persoonlijk bezoek aan Fatah-leider Abbas in oktober 2006. Rice verzoekt Abbas om de Hamas-Fatah-regering te ontbinden, de noodtoestand uit te roepen en een ongekozen noodregering aan de macht te brengen: een effectieve coup. Plan B treedt in 2007 in werking: Fatah-milities worden bewapend en gefinancierd via Amerikaanse bondgenoten in het Midden-Oosten. Als het nieuws over de wapenleveranties via de Jordaanse krant Al Majd en het Israëlische Haaretz uitlekt, besluit Hamas het initiatief naar zich toe te trekken. De resultaten zijn bekend. Na hevige gevechten wordt Fatah verdreven uit Gaza en lijkt het vredesproces verder weg dan ooit. Het is weer een diplomatiek fiasco dat de regering-Bush zich op haar toch al besmette blazoen mag schrijven.

MERIJN OUDENAMPSEN

Tempelrevolutie

De politieke ommekeer in Maleisië is geen verrassing. Die hing in de lucht. Al jaren.

LONDEN – De viering van het Taipusum-festival bij de Batu Caves in de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur eind januari was anders dan in andere jaren. Normaal gesproken beklimmen zo’n anderhalf miljoen Hindoes, uitbundig of in trance, de 272 trappen naar de grotten die dienst doen als tempel van de god Murugan. Dit jaar was het beduidend minder druk en was de sfeer gespannen. Enkele maanden eerder waren leiders van de Maleisisch-Indiase mensenrechtenbeweging Hindraf, die een petitie hadden willen aanbieden aan de Britse gezant, hier opgepakt wegens samenscholing. De arrestatie leidde tot een vreedzame mars door het zakencentrum van Kuala Lumpur, die genadeloos werd neergeslagen. Vorige maand was er wederom een demonstratie. Ditmaal wilden Indiase families, als een handreiking, bloemen aanbieden aan premier Abdullah Badawi. Wederom was de oproerpolitie ter plaatse. Volwassenen werden in het gevang gegooid, hun kinderen in weeshuizen.

Vooral de jongere generatie Indiërs is het zat om in eigen land als tweederangs burgers te worden behandeld. Sinds begin jaren zeventig is de Bumiputera-politiek van kracht. De islamitische Maleisiërs, die zichzelf met enige geschiedvervalsing hebben uitgeroepen tot de zonen van de vruchtbare Maleisische aarde, kregen voorrang op gebieden als woningbouw, onderwijs, financiën, geloof en werkgelegenheid. Dit werd nodig geacht om de boel na de rassenrellen van 1969 bijeen te houden, aangezien de Maleisische meerderheid economisch achterop raakte bij de Indiase en vooral Chinese minderheden. Een kleine veertig jaar later is de houdbaarheidsdatum van deze staatsdiscriminatie ruim overschreden, maar de overheid houdt er krampachtig aan vast. Waar de Indiërs, die een kleine tien procent van de bevolking uitmaken, openlijk hun weerzin tegen deze politiek uiten (een sentiment dat wordt gevoed door het feit dat er de laatste tijd steeds meer tempels worden afgebroken), belijden de Chinezen, ruim een kwart van de bevolking, hun weerzin in stilte.

De twee minderheidsgroepen hebben elkaar gevonden in de progressieve Democratische Actiepartij, een van de drie oppositiepartijen die dit weekeinde hebben gewonnen, mede dankzij slim gebruik van blogs, YouTube tot en met Facebook, aangezien er geen vrijheid van traditionele pers is. De andere winnaars waren de moslimfundamentalistische pas, die haar impopulaire, radicale ideologie de laatste jaren heeft afgezwakt, en de Rechtvaardigheidspartij van de voormalige ex-premier Anwar Ibrahim. Vijf van de dertien staten vielen in handen van de oppositie, waaronder het toeristische eiland Penang, het industriële Selangor en de hoofdstad zelf. De Chinezen en Indiërs straften hun traditionele vertegenwoordigers in de  al sinds de onafhankelijkheid van 1957 regerende  Nationale Eenheidspartij genadeloos af, omdat zij amper iets hebben gedaan om het lot van hun achterban te verbeteren. Vanuit de zakenwereld klonken meteen kritische noten. Zo voorspelde de Azië-analist van ing dat de economische voorspoed van Maleisië door de sociale revolutie gevaar loopt. Deze angst is ongegrond. Behalve maatschappelijke vrijheid willen de Indiërs en zeker de Chinezen, die de economie grotendeels in handen hebben, vooral ook meer economische vrijheid.

PATRICK VAN IJZENDOORN

Gearrangeerde vrijheid

Turkse meisjes krijgen van een Berlijnse vereniging hulp bij doodsbedreigingen. Hatun & Can biedt een woning, werk en een nieuwe identiteit.

BERLIJN – Hatun Sürücü werd drie jaar geleden op straat vermoord in de Berlijnse wijk Tempelhof. Haar drie broers zaten achter de daad en wilden niet zeggen wie de drie dodelijke schoten op haar hoofd had afgevuurd. Ook de ouders van de jonge Koerdische vrouw (23) hielden hun mond dicht. De reden is wel bekend: ze ging uit met een Duitse jongen.

Sürücü was door haar ouders van het gymnasium in Kreuzberg gehaald en werd gedwongen om in Turkije met haar neef te trouwen. Ze werd als tiener zwanger en vluchtte terug naar Berlijn. Daar leefde ze ‘als een Duitser’, zouden haar ouders later in de rechtszaal zeggen. Sürücü droeg haar hoofddoek niet meer en werkte als elektricien.

Haar verhaal staat niet op zichzelf. Volgens experts worden jaarlijks minstens duizend meisjes in Duitsland tot (strafbare) gearrangeerde huwelijken gedwongen. Over dit fenomeen verschijnen veel boeken, zoals het relaas Die fremde Braut van Necla Kelek. Deze Turkse schrijfster wordt net als de activistische advocate Seyran Ates veelvuldig bedreigd. Tegelijkertijd zijn deze voor emancipatie strijdende dames de lievelingen van de Duitse pers en politiek. Na de moord op zijn vriendin Sürücü was Andreas Becker het zat. De Berlijnse advocaat richtte de hulporganisatie Hatun & Can op, voor vrouwen die met de dood worden bedreigd.

Een van hen is Sema. De 21-jarige Duitse schuift nerveus op haar stoel in een Berlijns hamburgerrestaurant. Uit angst voor de wraak van haar familie is ze vanuit Keulen naar de Duitse hoofdstad gevlucht. ‘Mijn ouders wilden dat ik trouwde met mijn tien jaar oudere achterneef in Oost-Anatolië, die ik nog nooit had gezien. Op mijn veertiende werd ik met hem verloofd. Afgelopen zomer moest ik in Turkije een trouwjurk uitzoeken.’

Sema stond voor de moeilijkste beslissing in haar leven. Enerzijds wilde ze haar familie, die haar sloeg, bedreigde en opsloot, niet kwetsen: ‘Ik begreep waar het vandaan kwam, want mijn vader moest ook met zijn nicht trouwen.’ Anderzijds wilde ze haar verpleegopleiding afmaken en bij haar Duitse vriendje blijven. Via internet nam Sema ten einde raad contact op met Hatun & Can, dat haar aanraadde direct haar koffers te pakken en met een smoes Keulen te verlaten.

Andreas Becker haalde haar enkele maanden geleden met de trein naar Berlijn en bezorgde haar een woning, borg, huur, werk bij een dokterspraktijk en een nieuwe identiteit. Sema mocht van niemand afscheid nemen, zelfs haar Duitse vriendje weet van niets. ‘Een nieuw leven kost tweeduizend euro’, zegt Andreas Becker. Hij heeft zijn beroep als raadsman opgegeven om zich voltijds om bedreigde moslimmeisjes te bekommeren. ‘Ik kan dit alleen doen omdat ik rijke ouders heb.’ De jurist heeft meer dan zeventig plekken in Europa gevonden waar de meisjes kunnen onderduiken. Artsen bieden kosteloze medische verzorging aan.

Sema zit intussen helemaal alleen in Berlijn. Ze is bang dat haar broers haar zullen zoeken in de Duitse metropool, waar honderdduizenden Turken wonen. Toch is ze blij met haar nieuwe woning en werk. ‘Alles went’, zegt ze laconiek. De hoofdstedelijke autoriteiten accepteren de nieuwe identiteit, verzekering en verhuurder stellen geen lastige vragen. De politie geeft geen informatie over deze vermiste meisjes, want ‘het gaat om mensenlevens’.

De vereniging Hatun & Can bestaat nu een jaar. Andreas Becker is trots ‘al 127 met de dood bedreigde meisjes gered’ te hebben. De slachtoffers kwamen allemaal oorspronkelijk uit islamitische landen. Met vierhonderd anderen wordt intensief contact gehouden. Ook voor paartjes wordt er opvang geregeld. Inmiddels heeft de Zwitserse regering officieel om advies gevraagd.

ROB SAVELBERG

Naar eigen zeggen

Amerikaanse lezers krijgen geld terug als memoires verzonnen blijken.

NEW YORK – Na het verschijnen van de memoires Love and Consequences, geschreven door Margaret B. Jones, gingen op de redactie van The New York Times alle registers open. Eerst publiceerde de krant eind februari een uitgebreide recensie, een paar dagen later kwam er een lange voorpublicatie en ten slotte werd paginagroot in het katern Home & Garden de auteur in haar feeërieke schrijvershuisje in Oregon geportretteerd.

Jones (33) schrijft in haar boek over haar jeugd als lid van de Bloods, een van de zwarte gangs van Los Angeles. Na seksueel misbruik werd de ‘half witte, half indiaanse’ naar eigen zeggen in het zwarte gettogezin van ‘Big Mom’ geplaatst. Vanaf haar twaalfde ging ze met hulp van haar pleegbroertjes handelen in drugs, op haar dertiende verjaardag kreeg ze haar eerste wapen en maakte ze deel uit van de gangoorlog die de stad al vele jaren in haar greep heeft. Nabije vrienden worden doodgeschoten, in het gevang gegooid of verdwijnen anderszins. Het was een indrukwekkend en goed geschreven verhaal, vonden de recensenten van gerespecteerde kranten. Maar er bleek niets van waar.

Jones is het pseudoniem van Peggy Seltzer, die jarenlang lessen creative writing volgde aan de universiteit van Oregon. Haar zus belde met uitgeverij Riverhead, onderdeel van Penguin, toen ze het gefabriceerde verhaal in de krant las. In werkelijkheid groeide de lelieblanke Peggy op bij haar biologische ouders in een welvarende buurt van Los Angeles, ver van het bendegeweld, en zat ze in haar puberteit keurig op een dure privé-school. Ze gebruikte verhalen van vrienden en kennissen die wél bendelid waren, om een boek te schrijven dat door haar en haar uitgeverij als autobiografie aan de man gebracht werd.

Dit geval staat niet op zichzelf. Toevallig werd vorige week ook bekend dat de goed verkochte holocaustmemoires van Misha Defonseca verzonnen waren en eind januari plaatste een Australische krant vraagtekens bij de door de ex-kindsoldaat Ishmael Beah beschreven helletocht in Sierra Leone. De Amerikaanse boekenwereld herinnert zich echter vooral de deconfiture van James Frey, die begin 2006 toegaf dat hij zijn autobiografie over drugsverslaving goeddeels bij elkaar had verzonnen. Lezers waren woest en dienden zonder al te veel succes een klacht in op grond van de Consumer Protection Act. ‘Als u in de supermarkt een pak koopt waar “spaghetti” op staat en thuis blijkt het rijst te zijn, bent u ook benadeeld’, zei de openbaar aanklager destijds.

De boeken die helemaal niet of niet helemaal waar bleken, zijn alle getuigenissen van mensen die zichzelf vanuit ellende omhoog werken. Dat is wat Amerikanen, die meer reality- en emo-tv kijken dan drama of speelfilms, graag lezen. Maar: ‘Hoe meer we met alle geweld het “echte” willen horen, hoe ongrijpbaarder dat wordt’, concludeerde een wetenschapper op de opiniepagina van de Los Angeles Times.

Dat bedoelde hij in overdrachtelijke zin. Maar ook letterlijk heeft hij een punt. Het boek van Frey is door miljoenen gelezen, voordat duidelijk werd dat hij zijn levensverhaal mooier had gemaakt dan het was. Het was een goed geschreven en knap gecomponeerd boek, dat net als de ‘memoires’ van Margaret B. Jones door recensenten enthousiast was ontvangen.

De uitgeverij van Jones/Seltzer heeft inmiddels alle negentienduizend gedrukte exemplaren van het boek teruggeroepen en excuses aangeboden aan de lezers. Mensen die het boek hebben gekocht, kunnen hun geld terugkrijgen. Wie het alsnog op zijn literaire merites wil beoordelen, krijgt daar helaas de kans niet voor.

PETER VERMAAS