Week 13

Deze week

DAVID EN GOLIATH
Voor het eerst zijn er verkiezingen geweest in het gelukkigste land ter wereld, Bhutan. Gaat het nu profiteren van China’s pr-probleem?
AMSTERDAM – Deze week waren er verkiezingen in Bhutan, het dwergstaatje ten zuiden van Tibet. Het was een papieren exercitie: tot 2006 was koning Jigme Namgyal Wangchuck absoluut monarch, maar bij zijn aftreden zette hij een democratiseringsproces in werking. Niet dat iemand daar echt om gevraagd had; in 44 van de 47 kiesdistricten die maandag naar de stembus gingen, won de meest koningsgezinde van de twee deelnemende partijen. De 28-jarige koning Jigme Khesar Namgyal Wangchuck blijft zo onverstoord aan het hoofd van de regering.
Waarom is dit relevant om te weten? Op het oog is Bhutan een staatje om over het hoofd te zien, en is kennis van de hoofdstad (Thimphu) hooguit goed voor Triviant-spellen en pubquizzen. Overige trivia: het land heeft 672.000 inwoners, voornamelijk vajrayana boeddhisten, die volgens een wereldwijd happiness-onderzoek het gelukkigste volk ter wereld zijn. 45 procent is zeer gelukkig, 52 procent gewoon gelukkig. Aan de voetbalkwaliteiten van het nationale team zal het niet liggen: in de 101-jarige geschiedenis van het land heeft het team slechts twee keer een wedstrijd gewonnen.
Toch kan het land, met het oog op de naderende Olympische Spelen, een strategische positie innemen. De laatste jaren heeft Bhutan de banden aangehaald met India: de stuwkracht van de rivieren die in de Himalaya ontspringen, wordt omgezet in hydro-elektriciteit, die in enorme hoeveelheden wordt geëxporteerd naar het subcontinent. Niet alleen heeft die nauwe band gezorgd voor een flinke economische groei (procentueel de grootste van Azië), maar er ook toe geleid dat Bhutan tegenwicht kan bieden aan de Chinese moloch, waarmee het, sinds China buurland Tibet binnenviel, in 1959, allerhande grensconflicten heeft.
Na enkele jaren van detente laait het vuur tussen de twee landen de laatste tijd weer op; nu de protesten in Tibet hardhandig uit elkaar worden geslagen, wordt de Bhutaanse grens overspoeld met vluchtelingen, terwijl China in het grensgebied (een formele grens wordt door beide partijen niet erkend) volop aan het bouwen is.
Wat kan Bhutan doen? De jonge koning Jigme Khesar, opgeleid in Oxford, is sinds zijn aantreden bezig met een succesvol charmeoffensief bij de buurlanden. Nu is het tijd om te oogsten: terwijl China in een kat-en-muisspel verzeild is geraakt met de media over zijn pr (de Olympische Spelen waren immers bedoeld als coming out van China als vriendelijke wereldmacht), kan Bhutan een eisenpakket op tafel leggen – concrete afspraken over de grenzen en over de vluchtelingenstroom uit het noorden. De vraag is dan of China een nieuw conflict met een aaibaar bergstaatje durft te riskeren, een staatje dat ook nog eens kersvers democratisch is en op handen wordt gedragen door zijn buurlanden. Het is een gok, maar als er voor Bhutan ooit een ‘window of opportunity’ was, dan is het nu.
JOOST DE VRIES

HET WILDE WESTEN, REVISITED
Terwijl het Amerikaanse Hooggerechtshof overpeinst of wapenbezit een individueel recht is, willen steeds meer staten wapens op universiteiten en scholen stimuleren.
NEW YORK – Op 16 april is het een jaar geleden dat Seung-Hui Cho op de campus van Virginia Tech 27 medestudenten en vijf docenten doodschoot. De foto’s van de gestoorde Koreaanse Amerikaan in guerrilla-uitrusting gingen de wereld over. Het was de meest dodelijke schietpartij op een school in de geschiedenis van de Verenigde Staten, maar niet de laatste. Vorige maand nog schoot een andere ontspoorde student, gewapend met een jachtgeweer en twee handwapens, op Northern Illinois University vijf medestudenten dood, voor hij de hand aan zichzelf sloeg.
‘A well regulated militia being necessary to the security of a free State, the right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed’, luidt het heilige tweede amendement op de Grondwet van de Verenigde Staten. Het kwam in 1791 tot stand als onderdeel van de Bill of Rights en bezegelt het recht van individuele Amerikanen om wapens te bezitten.
Of niet?
Voor het eerst sinds 1939 boog het Hooggerechtshof zich deze maand over de precieze betekenis van de tekst. Er wordt tenslotte melding gemaakt van ‘milities’ (burgerlegers) die ‘the people’ het recht geven een wapen te bezitten. En burgerlegers mochten dan in 1791 een taak hebben voor de openbare veiligheid, tegenwoordig is daarvoor een professioneel politieapparaat actief. Ook in de Verenigde Staten.
Washington is een van de meest criminele steden van het land. Toen het bestuur van de hoofdstad bekendmaakte handwapens te willen verbieden, leidde dat in eerste instantie tot begrip. Maar na klachten van onder meer een beveiligingsmedewerker die zich ook thuis met een wapen wilde beschermen, werd de nieuwe wetgeving door het lokale beroepshof ongrondwettelijk verklaard. Het hof verwees naar het tweede amendement en interpreteerde dat als een ‘individueel recht’.
Vorige week dinsdag belegde het Hooggerechtshof een hoorzitting om te begrijpen wat in 1791 bedoeld is. Rechter Anthony Kennedy zei daarbij dat in het amendement louter melding wordt gemaakt van de milities om ‘het recht op het hebben van een militie opnieuw te bevestigen’. De opstellers van het amendement wilden er zeker van zijn dat ‘de afgezonderde settler zichzelf en zijn familie [kon] verdedigen tegen vijandige indiaanse stammen en misdadigers, wolven en beren en grizzly’s en dat soort dingen’.
Kennedy, die in 1988 werd aangesteld door president Reagan, heeft de laatste jaren als swing voter bij nagenoeg ieder besluit van het Hooggerechtshof een doorslaggevende rol gespeeld. In juni, als het hof uitspraak doet, zal dus waarschijnlijk voor het eerst in de geschiedenis expliciet vast komen te liggen dat het recht op wapens een individueel recht is. Dat is een enorme winst voor de wapenlobby, die de afgelopen weken onder de dreigende slogan ‘Freedom under Fire’ fanatiek actie heeft gevoerd.
Om het aantal slachtoffers van schietpartijen op universiteitscampussen te verminderen, hebben vijftien staten sinds de slachting op Virginia Tech hun eigen maatregelen getroffen. Terwijl wapens op vrijwel alle campussen verboden waren, wordt tegenwoordig wapenbezit van studenten en docenten ouder dan 21 jaar toegestaan en zelfs actief gestimuleerd om de veiligheid op de universiteiten te vergroten. Als de medestudenten van Seung-Hui Cho op Virginia Tech zelf wapens hadden gedragen, was de schutter eerder een halt toegeroepen, is de gedachte. Senator Karen S. Johnson was verantwoordelijk voor de wetgeving in Arizona. ‘We zijn niet het wilde, Wilde Westen’, zei ze in The New York Times. ‘Maar de mensen hier zijn meer onafhankelijke denkers als het gaat om veiligheid.’
PETER VERMAAS

DE EZELSOREN VAN VILLEPIN
Dominique de Villepin doet weliswaar zijn keizerlijke bibliotheek van de hand, maar uit recent verschenen memoires blijkt dat hij vast niet alle boeken even goed bestudeerd heeft.
PARIJS – Het veilinghuis Drouot bracht afgelopen week de imperiale bibliotheek van oud-premier Dominique de Villepin onder de hamer: onder de aangeboden waar enkele brieven van Napoleon Bonaparte en almanakken met verhandelingen over wapens, maar ook een exemplaar van Burke’s klassieke Reflections on the Revolution in France (1791) uit de contrarevolutionaire bibliotheek van Talleyrand. Voor de lieve som van 28.000 euro werd een aan keizerin Josephine opgedragen almanak met de wapens van Bonaparte gekocht.
Wat bracht Villepin – zelf niet aanwezig – ertoe deze kostbaarheden van de hand te doen? Dekt hij zich in om straks de advocaatkosten te kunnen betalen als hij gedaagd wordt in de nog steeds voortsluimerende Clearstream-affaire?
In de inleiding van de veilingcatalogus schrijft de oud-premier dat hij na een ‘dertig jaar durende passie’ simpelweg de pagina wil omslaan. Als binnenkort de laatste twee delen van zijn Napoleon-biografie zijn verschenen, wil hij zich richten op nieuwe horizonten. Dat is het aardige van Frankrijk. Premier Balkenende zul je niet snel met een Abraham Kuyper-biografie zien komen, maar in Frankrijk draait een beetje politicus zijn hand niet om voor een boek over zijn held. Eerder publiceerde Villepin Les Cents-Jours, ou l’esprit de sacrifice en Le soleil noir de la puissance; binnenkort verschijnen de laatste twee delen over de val van de Keizer en diens einde op Sint-Helena.
Maar wie de onlangs verschenen memoires van Bruno le Maire ter hand neemt, moet constateren dat zo’n hobby nog niet betekent dat Villepin het zelf ook in de vingers had. Le Maire was Villepins naaste adviseur tijdens diens premierschap. Als chef de cabinet assisteerde Le Maire bij het dagelijkse overleg tussen president Chirac en de bewindslieden. Had Villepin maar een fractie van de doortastendheid van Bonaparte gehad, denk je onwillekeurig bij lezing van het onthullende (en prachtig geschreven) boek van Le Maire. Villepin, zo blijkt, is in de eerste plaats een dienaar van de staat, erop gebrand het goede te doen. Maar maakt dat hem een goede politicus? Zonder overleg lanceert hij een arbeidscontract voor jongeren, overtuigd als hij is dat daarmee de jongerenwerkloosheid kan worden teruggedrongen. Hij rekent echter buiten de vakbonden en de studenten. Gevolg: wekenlange bezettingen van universiteiten, massale demonstraties en een kelderende populariteit. Steeds geïsoleerder raakt Villepin. De huidige president (‘zijn ongegeneerde streven naar de macht slechtte iedere barrière’) wordt opgevoerd als een behendig manoeuvrerende, onophoudelijk pistachenootjes etende machtspoliticus met de Marseillaise als ringtone. ‘Ga toch onderhandelen Dominique’, houdt Sarkozy hem voor, ‘Frankrijk zal nooit een contract accepteren waarmee jongeren zonder opgaaf van redenen ontslagen mogen worden. Dat kun je betreuren, maar zie het onder ogen.’
Dergelijk realisme is Villepin echter volkomen vreemd. Wanneer alles in de soep is gedraaid en hij zijn presidentiële ambities – mocht hij die al gehad hebben – op zijn buik kan schrijven, citeert hij Machiavelli: ‘De heerser moet het goede doen wanneer hem dit mogelijk is, maar indien de noodzaak hem daartoe dwingt, niet aarzelen tot het kwade zijn toevlucht te nemen.’ Een ultiem bewijs van zijn eigen onmacht? Of liep hij daarmee vooruit op zijn nieuwe hobby? In aanloop naar de veiling kondigde Villepin aan zich na zijn ‘Napoleontische periode’ te gaan toeleggen op de zestiende eeuw.
MARIJN KRUK

DUUR BETAALD ADVIES
Overheidswerk wordt in Engeland steeds vaker uitbesteed. De belastingbetaler is de dupe.
LONDEN – De Londense stadsdelen Lewisham en Croydon hebben de straatverlichting geprivatiseerd. Op aandringen van de rijksoverheid zullen gespecialiseerde lichtconsultants de peertjes vervangen. Het publiek-private contract kost de belastingbetaler 79,5 miljoen pond over een periode van 25 jaar. Op dit moment doen de gemeenten hetzelfde werk voor de helft van de prijs. Het is slechts een plaatselijk voorbeeld van een trend die al langer dan een decennium aan de gang is: het uitbesteden van overheidstaken aan consultants. Britse overheidsinstellingen gelden als een melkkoe, onder meer voor de Amerikaanse IT-consultant EDS, opgericht door voormalig presidentskandidaat Ross Perot, dat de afgelopen jaren organisatorische en financiële puinhopen heeft achtergelaten op verschillende overheidsdepartementen. Waar IT-consultants te vaak broddelwerk afleveren, daar zijn managementconsultants zelfs geheel waardeloos, zo bleek eind 2006 uit een rapport van het National Audit Office (NAO).
De drie miljard pond die naar de waarzeggers van bedrijven als Logica en Accenture is gegaan, had naar het idee van de Britse Rekenkamer evengoed kunnen worden verbrand. Een mooi voorbeeld van funeste outsourcing vond plaats bij de douane. Daar was besloten managementconsultants in te schakelen voor een bezuiniging die 105 miljoen pond moest opleveren. De operatie slaagde wonderwel; de rekening bedroeg echter 106 miljoen pond. Dat outsourcing van overheidstaken leidt tot verspilling heeft onder meer te maken met alle bijkomende controlemechanismen. Veel van de achthonderdduizend ambtenaren die sinds het voorbije decennium zijn aangenomen, houden zich bezig met het opstellen van targets en vervolgens het controleren, rapporteren en evalueren ervan. Dat kan leiden tot curieuze denkpatronen. Op een ministerie waar het facilitair management is uitbesteed, werd het milieuvriendelijke idee om minder papier, glas en plastic te gebruiken niet opportuun geacht omdat dat zou leiden tot een lager recyclingvolume, en dus een boete.
Dat prestatiecontracten en bijbehorende targets een eigen leven gaan leiden, is een van de kritiekpunten in het boek Systems Thinking in the Public Sector van psycholoog John Seddon. Volgens hem is de ‘hervorming’, oftewel privatisering, van de publieke sector in Groot-Brittannië gebaseerd op de verkeerde aannamen. Ten onrechte wordt aangenomen dat inspectie, keuze en marktwerking leiden tot verbetering van diensten, dat werknemers kunnen worden gemotiveerd door prikkels, dat leiders een totaalvisie nodig hebben, managers targets en dat IT de motor van verandering is. In Seddons optiek leidt de hele rapportagebureaucratie juist tot frustratie en inefficiëntie. Zijn boek is een pleidooi voor een herwaardering van het eigenlijke werk, meer vrijheid van handelen en het gebruik van gezond verstand.
Voor een revolutie zal Seddons boek niet zorgen. De consultants hebben de afgelopen jaren een machtspositie opgebouwd binnen de publieke sector. Dat bleek vier jaar geleden uit een rapport waarin gemeld werd dat publiek-private samenwerking goed werkt. Het was opgesteld door PriceWaterhouseCoopers, dat sindsdien voor 7,5 miljard pond aan overheidsopdrachten heeft gekregen. De geloofwaardigheid van het NAO zelf heeft schade opgelopen, nu is gebleken dat zijn inmiddels vertrokken baas Sir John Bourn niet alleen als een zonnekoning heeft geleefd op kosten van de belastingbetaler, maar ook is gefêteerd door consultants. Mogelijk had zijn weigering om de prestaties van EDS eens te onderzoeken te maken met de kaartjes voor de rugbywedstrijd Engeland-Ierland, de finale van het wereldkampioenschap voetbal en een polowedstrijd in Windsor, die hij van de Texaanse onderneming had gekregen.
PATRICK VAN IJZENDOORN