Karin Amatmoekrim schrijft een toespraak voor Myrthe Hilkens

Deze wereld heeft dromers nodig

Deze wereld heeft dromers nodig. Dromers, en schrijvers en vertellers, die met verhalen de compassie terugbrengen die zo vaak verloren gaat.

Medium dsc 1992

Of het nou in de Tweede Kamer is, in een speelfilm of op de zeepkist in je buurtcafé: toespraken horen we overal. Toch zijn er maar weinig speeches die ons raken, slechts enkele blijven ons collectief bij. Wat is het geheim achter een succesvolle toespraak? Woordkeuze, timing, drama? En hoe kunnen context en spreker bijdragen aan de ultieme redevoering?

Eind mei vond in De Balie het Logos festival plaats, waar de kracht en de rijkdom van het woord werden gevierd. In het Theater van de Voordracht verplaatsten schrijvers zich in politici, met als doel een memorabele speech te schrijven. Zie en lees hier de toespraak van Karin Amatmoekrim, die deed alsof zij Myrthe Hilkens was.

Deze wereld heeft dromers nodig. Dromers, en schrijvers en vertellers, die met verhalen de compassie terugbrengen die zo vaak verloren gaat.

Ik zie nu velen van u met het hoofd schudden. Overtuigd als u bent dat het tegendeel waar is. U denkt: wat haalt een dromer uit tegen de rampen waarmee we overspoeld worden? Hoe lost de schrijver een oorlog op die van geen kant te winnen valt?

Ik heb begrip voor uw overtuiging. De moed zakt ook mij in de schoenen, elke keer als ik getuige ben van hoe door en door verrot de wereld is waarin we leven. In het nieuws is er geen ruimte voor wat mooi is, en wat hoopvol stemt. De ellende is eindeloos, en hoop is iets wat we onze kinderen voorhouden, maar waarop we zelf verleerd zijn te vertrouwen.

Ik begrijp u.

Maar let op; uw cynisme is geboren uit moedeloosheid. Het is het valse zwaard van de weldenkende mens geworden, een manier om in godsnaam maar niet meer te hoeven voelen. Maar misschien zouden we niet minder, maar méér moeten voelen. Misschien liggen juist begrip en compassie aan de basis van alle oplossingen.

Als we onze idealen in stand willen houden, dan geloof ik dat er een betere bescherming is dan een opgedrongen cynisme. Ik geloof dat herkenning beter is dan vervreemding. Ik geloof dat persoonlijke verhalen er wel degelijk toe doen, omdat ze onze menselijkheid vergroten.

Mijn partij stemde in met het voorstel om illegaliteit strafbaar te stellen. Al snel verwerden die woorden tot een politiek spel, tot terminologie. Zielloos en ontdaan van hun menselijkheid. Er werden cijfers genoemd en aantallen. Slagingspercentages, kosten en baten. Maar denkt u alstublieft even verder na over de woorden zelf. Proef ze op uw tong, en laat ze goed tot u doordringen.

Het strafbaar stellen van illegaliteit. Dat is als het strafbaar maken van een bestaan. Het is stellen dat wat de een in vrijheid en welvaart doet – ademen, waken, slapen, zijn – voor een ander een overtreding is. Het is een camoufleren van andermans menselijkheid. En het is verkeerd.

Ik heb, zoals de meesten onder u, geen oorlog meegemaakt. Geen schrijnende armoede. Geen levensbedreigende discriminatie. Maar dat wil niet zeggen dat ik me de pijn van anderen die dit wel hebben gevoeld minder sterk zou moeten aantrekken. Op school werd me geleerd dat ik nooit mag denken dat vrijheid vanzelfsprekend is. Ik wil daaraan toevoegen dat we ook niet mogen denken dat vrijheid zich beperkt tot dat wat we kennen, tot de taal die we spreken. Ik verzet me tegen de idee dat onze menselijkheid bepaald wordt door onze nationaliteit, of onze welvaart, of onze religie.

De mensen die we vastzetten, als waren ze criminelen omdat ze het lef hadden huis en haard te ontvluchten, deze wereld over te varen alsof het hún wereld was, en niet, zoals wij zo graag denken, een wereld is die enkel toebehoort aan de rijken die in vrede en welvaart leven, en de wereld als hun persoonlijke oester mogen zien. Een oester die niet aan iedereen is gegund. Een wereld die meer is van jou dan van een ander. Als we de mensen, die zijn als u en ik, opsluiten omdat ze de wereld zijn overgestoken, dan weten we allemaal – toe maar, durf dit te voelen, sluit die ogen, doof die oren voor het alomtegenwoordige cynisme – dat het verkeerd is om vluchtelingen als criminelen te behandelen. En alle bezwaren die ertegen worden geroepen (‘ja maar, de economie…’, ‘ja maar, we kunnen niet zomaar iedereen…’) vallen stil in de innerlijke overtuiging, dat gevoel dat vanuit uw kloten en uw maag komt, dat we allemaal mensen zijn. Mensen met verdriet, en angst, met plezier en hoop en kinderen en een moeder, en een ambitie. Mensen die in hun thuisland streden voor rechten die wij hier in het Westen zo belangrijk vinden, mensen die daarom werden vervolgd, wier levens gevaar liepen, mensen die dachten dat wij, die toch zo luid roepen hoe belangrijk vrijheid en democratie zijn, die met die waarden andere landen om de oren slaan, dat juist wij hen zouden beschermen. Mensen die dan uiteindelijk toch werden behandeld als nummers, als criminelen, als zielloze aantallen, per ongeluk of, erger nog, achteloos opgesloten als misdadigers. Mensen die dan, op de toppen van hun angstdromen, zich van hun leven beroven. Want de dood is beter dan een ongewenst bestaan.

U weet over wie ik het heb.

Het waren mensen als u en ik.

Soms lijkt het alsof alles wat goed is onherroepelijk dooft. Als een lucifer in een koude, gevoelloze zee. Alleen de dromers geloven nog dat het ideaal van een vrije, gelijkwaardige wereld bereikbaar is. Misschien hebben we juist daarom dromers nodig. Dromers, en schrijvers, en vertellers. Noem me gerust naïef, als u wil. Maar ik ga weg, juist omdat ik liever naïef ben dan cynisch. Ik ben liever een van die mensen die de woorden weer hun kracht teruggeven. Die de menselijkheid teruggeven aan dat wat verloren gaat in berekenend cynisme. Ik ben liever iemand die verhalen vertelt, zodat we elkaar kunnen herkennen in onze menselijkheid. Ik durf wél te blijven dromen van een wereld waarin alle verhalen meetellen. En daarom ga ik weg.


Beeld: Jan Boeve/De Balie