Bas Heijne over homoseksualiteit in een veranderende maatschappij

Dezelfde blote kerels, een ander decor

Omdat er niets meer te bevechten viel, hebben homoseksuelen zich de afgelopen decennia vooral cultureel geuit. Nu het klimaat onder invloed van de islam verandert, moeten ze zich weer politiek manifesteren.

Een jaar of acht geleden vond in Centre Pompidou te Parijs een internationale conferentie plaats over homoseksualiteit. Dat gold toen nog als een opzienbarende gebeurtenis. Niet eerder was er in een culturele instelling als Centre Pompidou een conferentie gehouden over homokunst en homocultuur. Hoewel de organisatie besefte dat je met zo’n onderwerp wel moest stranden in weinig concrete oeverloosheid, verklaarde ze de conferentie al voordat die begonnen was tot een daverend succes. Dat die überhaupt plaatsvond, in die «officiële» omgeving, gesanctioneerd door de overheid, werd als een triomf op zich beschouwd.

Terwijl buiten Pompidou de Europride in volle gang was – geloof in de volledige integratie van homoseksuelen ging nog hand in hand met geloof in de volledige eenwording van Europa – ging het er in de conferentiezaal serieus aan toe. Bezwaard kijkende mannen, stuk voor stuk schrijvers, vertelden ombeurten hoe ze zich hadden losgemaakt van een wereld vol vooroordelen en haat, ook zelfhaat, en nu eindelijk degenen waren geworden die ze eigenlijk altijd al hadden moeten zijn. Ze waren heel erg homo en ze waren heel erg zichzelf, was er iets mooiers?

Ik herinner me van die avond vooral een Zwitserse schrijver die een euforisch verhaal hield over hoe hij jarenlang slachtoffer was geweest van de gruwelijke benepenheid van de Zwitserse bourgeoisie en uiteindelijk zijn vrijheid had gevonden in «de aanraking van het lichaam». Alles wat hem in het leven had dwarsgezeten, alles wat hem gefnuikt en vernederd had, was verdwenen op de dag dat hij het lichaam had aangeraakt. Hij vertelde er niet bij om welk lichaam het ging en je kreeg de indruk dat het al een poosje geleden was dat hij het had aangeraakt, zodat zijn betoog over zijn persoonlijke bevrijding onwillekeurig iets van een smeekbede kreeg.

In de verhalen was de maatschappij nog altijd vanzelfsprekend de vijand, de boze buitenwereld die hun geaardheid als een gruwel beschouw de. Hun persoonlijke aanvaarding van hun homoseksualiteit betekende dan ook vooral dat zij zich losgemaakt hadden van die maatschappij en een even veilig als gelukzalig onderkomen hadden gevonden in hun homo-identiteit. Dat was het onvermijdelijke happy end dat volgde op een moedige coming-out.

Zulke verhalen hadden veel weg van bekeringsverhalen, waarin een leven van pijn en vernedering uiteindelijk een gelukzalige bestemming vond in het geloof in Jezus, die alle tranen zou wissen. De coming-out was het keerpunt, het moment waarop alles voorgoed anders werd. Maar over hoe het verder ging, kreeg je niets te horen. Integendeel, het moment van de coming-out was het alfa en omega van hun seksuele identiteit. Dat was ongetwijfeld ook wat die treurige Zwitser bedoelde met «zijn aanraking van het lichaam». Met die aanraking werd duidelijk meer bedoeld dan een flinke vrijpartij, eerder een bijna-religieuze openbaring.

Ik onderschat de persoonlijke betekenis niet van een coming-out in het leven van een jongen of meisje, of zelfs in het leven van een volwassen man of vrouw. Maar wat me onrustig maakte, was dat die oudere mannen er een fetisj van gemaakt hadden, een moment van openbaring dat tot in het oneindige herhaald kon worden. Omdat zij hun bestemming gevonden hadden, waren ze gedwongen alles in hun nieuwe leven als rooskleurig te zien. De retoriek van de eeuwigdurende bevrijding stond geen kanttekeningen toe. Aangezien de maatschappij als onverbeterlijk vijandig werd gezien, moest alles wat met hun nieuw gevonden identiteit te maken had wel zaligmakend zijn. Ze waren bevrijd en ze waren ook uniek.

De stemming tijdens die Franse conferentie stond in schril contrast met de werkelijkheid zoals ik die ervoer. Die werkelijkheid was heel wat minder dramatisch en romantisch. Dat wij een avond lang in de rondte konden kletsen, gesubsidieerd door de Franse overheid – aan het eind van de avond kwam de toenmalige directeur van Centre Pompidou met ouderwetse elegantie een roos aanbieden aan de enige lesbische deelnemer – was volgens mij een symptoom van een belangrijke ontwikkeling. Ook in Frankrijk werd, jaren nadat eenzelfde ommekeer zich in Nederland had voltrokken, homoseksualiteit niet langer gezien als iets wat zich buiten de maatschappelijke orde bevond. Wat me ergerde aan de bevrijdingsretoriek van de schrijvers was dat die een onoverbrugbare kloof tussen henzelf en de maatschappij veronderstelde. Dat de samenleving hen ooit zou kunnen omarmen als onlosmakelijk deel ervan was voor hen, met hun persoonlijke geschiedenis van pijn en vervreemding, ondenkbaar. Daarom hielden ze krampachtig vast aan hun positie van verschoppeling en uitverkorene tegelijk.

Die verandering in het bewustzijn betekende natuurlijk niet dat er geen discriminatie of haat meer bestond. En er viel ook nog genoeg te doen op het gebied van gelijke rechten. Maar in Frankrijk hadden zelfs de heftigst opgewonden tegenstanders van de samenlevingscontracten voor mensen van hetzelfde geslacht een stap gezet die ze twintig jaar daarvoor waarschijnlijk nog voor onmogelijk hadden gehouden: het ging niet langer over de vraag óf homoseksuelen een plaats in de samenleving mochten opeisen, maar wélke.

Dat was misschien ook de reden dat veel homoseksuelen, zoals die schrijvers op de conferentie, moeilijk konden aanvaarden dat de maatschappij als geheel niet langer de vijand was, dat de samenleving hen niet langer als wezensvreemd beschouwde, net op het moment dat ze zelf hadden ontdekt dat ze uniek waren. Mijn eigen pleidooi tijdens die conferentie om af te rekenen met het even blijmoedige als valse superioriteitsdenken, waartoe alleen verdrukte minderheden in staat zijn, om zich te ontworstelen aan de vaak claustrofobische benauwdheid van de eigen homocultuur werd dan ook met verbazing en ontsteltenis aangehoord en uiteindelijk opgelucht afgedaan met een sympathiek bedoeld: c’est la Hollande! Het moest tenslotte gezellig blijven.

Die bewustzijnsverandering was desondanks een feit, niet alleen in Nederland maar in het grootste deel van de westerse wereld. De discussies en zelfs de hetzes van de onverbeterlijke homohaters gingen nu vrijwel alleen over de mate waarin homoseksuelen op heteroseksuelen mochten lijken. De strijd ging niet langer over de vraag of homo’s een bedreiging van de maatschappelijke orde betekenden, maar of ze een be dreiging van de maatschappelijke instituties waren: mochten ze samenwonen op contract, mochten ze trouwen, mochten ze kinderen adopteren? Het is ironisch dat zowel homohaters als sommige homoseksuelen tot op de dag van vandaag niet inzien hoe veelzeggend en belangrijk dat verschil is.

Het is een van de meest verrassende paradoxen van onze tijd dat die bewustzijnsverandering waarschijnlijk heeft kunnen plaatsvinden door wat een tijdlang juist gezien werd als de grootste bedreiging van de homo-emancipatie: aids. In de jaren tachtig, toen de ziekte zich plotseling openbaarde, werd in weldenkende kringen algemeen gevreesd dat aids hardhandig een einde zou maken aan de zo moeizaam bevochten tolerantie.

Een gerespecteerde denker als de Amerikaanse essayist Susan Sontag publiceerde Aids and its Metaphors, waarin ze stelde dat de taal waarin over de opkomende ziekte werd gesproken weinig goeds voorspelde voor de toekomst. Het was namelijk een taal die ontleend was aan de middeleeuwse angst voor de pest. Zodra in het collectieve bewustzijn de link gelegd zou worden tussen mannelijke homoseksualiteit en aids zou het hek van de dam zijn.

Er waren in de eerste jaren genoeg signalen en gruwelijke incidenten die erop wezen dat deze horrorscenario’s werkelijkheid zouden worden. Maar terugkijkend kun je stellen dat de sombere voorspellingen van Sontag niet uitgekomen zijn. De catastrofale sociale backlash is uitgebleven.

Achteraf heeft de noodgedwongen seksuele openheid die het gevolg was van de voorlichting rondom aids – ik herinner me hoe Ria Bremer in haar medische programma voor de Avro voor het eerst het woord «kontneuken» uitsprak – waarschijnlijk bijgedragen tot de maatschappelijke vertrouwdheid met homoseksualiteit. Zelfs in een tijd waarin de ziekte nog als onherroepelijk dodelijk gold en de onzinnigste geruchten de ronde deden over de besmettelijkheid ervan bleek aids aanleiding tot iets wat zelfs de meest fervente voorvechter van homorechten niet had kunnen bedenken: identificatie.

De film Philadelphia (VS, 1993) was een doorbraak. Voor het eerst identificeerde een massapubliek zich met een aan aids lijdende homoseksuele man. De man, een wegens zijn ziekte ontslagen advocaat (publiekslieveling Tom Hanks) vocht terug tegen een maatschappij die hem dreigde buiten te sluiten, bijgestaan door een zwarte collega die tijdens het lange proces tegen Hanks’ werkgevers en passant van zijn eigen vooroordelen genas. Hanks was in de film geen bijfiguur, hij was homo én held.

Die ontwikkeling staat haaks op het beeld van permanente apartheid dat indertijd aan de conferentietafel in Centre Pompidou werd verkondigd. Zoals feministische vrouwen van het eerste uur met geen mogelijkheid hadden kunnen voorspellen dat hun strijd voor sociale en culturele gelijkheid er uiteindelijk toe zou leiden dat mannen zich als seksueel object zouden gaan presenteren, zo konden maar weinig pleitbezorgers van homo-emancipatie bevroeden dat die emancipatie zou uitmonden in een spontane vereenzelviging van hetero’s met homo’s.

Geen wonder dat toen de Gay Games in 1998 in Amsterdam werden gehouden er in verschillende media beteuterd werd gereageerd: waren homo’s eindelijk helemaal gelijk aan hetero’s, verklaarden ze zichzelf toch ineens weer de uitzondering door een week lang onder soortgenoten te gaan zwemmen en speerwerpen. Waarom zou je je willen afzonderen als je erbij hoort? In NRC Handelsblad schreef ik dat de Gay Games geen stap terug betekenden voor de homo-emancipatie, maar daar juist het natuurlijke sluitstuk van vormden. Wanneer een minderheid haar plaats vindt in een maatschappij wordt activisme als vanzelf tot folklore: zoiets als de Haagse Pasar Malam, het jaarlijkse culturele festival waar Indische Nederlanders hun cultuur vieren. De vergelijking kwam me te staan op een postzak brieven van verontwaardigde homo’s en onlangs zelfs op een afkeurende vermelding in de eerste Nederlandse homo-encyclopedie. Door de Gay Games niet te zien als onderdeel van een sociale strijd voor acceptatie, maar domweg als gezellig vermaak, had ik een doodzonde begaan. Maar in weerwil van wat de briefschrijvers dachten, ontkende ik niet dat er nog altijd discriminatie was. Ik ontkende alleen dat homoseksuelen in de Nederlandse samenleving als eeuwige buitenstaanders werden be schouwd. Het stond homo’s vrij om wel of niet deel te nemen aan de Games, er hoefde in dit geval niets meer bevochten te worden.

In 2001 werd het burgerlijk huwelijk opengesteld voor homoseksuelen. Die mijlpaal gold algemeen als de voltooiing van de maatschappelijke emancipatie. Dat had opnieuw een onverwachte paradox tot gevolg: dat homo’s maatschappelijk onzichtbaar werden als homo’s. Ik bedoel natuurlijk niet op cultureel gebied. In de media zijn overal erg zichtbare homo’s, sommigen vertonen zich zelfs als wat in tijden van homo-emancipatie zou worden afgedaan als afschuwelijke stereotypen – alleen nu ogenschijnlijk niet gedwongen door maatschappelijke dwang, maar gewoon omdat ze het leuk vinden. Homomannen geven op televisie onzekere hetero’s kleed- en versiertips, omdat, dat weet iedereen, homo’s zo veel smaak en gevoel voor mode hebben. Wilde een homojongere in voorbije tijden op iedereen lijken behalve op Albert Mol, de eerste door de massa geaccepteerde homo die uitblonk in wat toen gold als hopeloos stereotiep gedrag, tegenwoordig zorgen Gordon en Joling voor het enige kijkcijfersucces van Talpa, met humor die in bijna alle opzichten een replica is van het zelfdenigrerende nichten geschmier waarmee Mol de huisvrouwen het in hun broek liet doen.

Je ziet dat wel vaker. Gedrag van minderheden, dat in tijden van sociale strijd door idealistische activisten beschouwd wordt als afkeurenswaardig en het jammerlijke resultaat van zelfhaat en conditionering, blijkt nog altijd opvallend courant wanneer die zogenaamde onderdrukkingsmechanismen grotendeels zijn weggevallen. Het smachtende gedrag van de vrijgezelle vrouwen in de televisieserie Sex and the City lijkt alles te ontkennen waar het feminisme voor stond. Net zo is het stereotype van de zalig valse nicht tegen de verwachting in niet verdwenen met de maatschappelijke integratie van homoseksuelen.

Wat wél veranderd is, is de context. Wanneer een minderheid maatschappelijk geïntegreerd raakt, valt de beschermende laag van politieke correctheid waarmee die minderheid door medestanders werd aangekleed als vanzelf weg. Zie een tekening van Peter van Straaten op zijn Zeurkalender. Een zelfvoldane man in een sjiek restaurant kijkt afkeurend naar het eten op zijn bord en zegt tegen zijn vrouw: «Ze koken hier zo nichterig.» Twintig jaar geleden zou Van Straaten die grap waarschijnlijk niet gemaakt hebben. Nu is het onschuldige humor: we weten precies in wat voor soort restaurant die man zich bevindt.

Politiek incorrecte humor wordt nu gezien als een teken van volwassenheid. De expres botte anti-homograppen die de door en door Jordanese hoofdpersoon in de speelfilm Simon van Eddy Terstall maakt, onderstrepen enkel zijn oprechte affectie voor zijn homoseksuele vriend, die hij, wanneer hijzelf dodelijk ziek blijkt te zijn, zelfs de opvoeding van zijn kinderen toevertrouwt. We zijn hier mijlenver verwijderd van het angstige universum van de schrijvers op de Franse conferentie van acht jaar geleden.

Het wegvallen van die politiek correcte krampachtigheid kan niet genoeg geprezen worden. Maar het feit dat die beschermende laag nu verdwenen is, brengt ook risico’s met zich mee. Een tijdje terug sprak ik de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog, die zich als blanke Afrikaner moedig had opgesteld in de strijd tegen de apartheid. Ze vertelde me dat, met het wegvallen van de apartheid, de verhouding tussen blanken en zwarten in wezen gecompliceerder was geworden, omdat contacten tussen de twee rassen nu niet langer gesteund werden door een ideologische strijd tegen een onrechtvaardig systeem. «Als ik vroeger, voor 1990, naar een township ging, dan was dat een politiek statement. De mensen daar zagen dat ook zo en verwelkomden me als een bond genoot. Als zij op hun beurt naar een blanke buurt kwamen, was dat ook een daad van verzet, en die ondersteunde je dan. Nu hebben zulke bezoeken geen betekenis meer die boven het persoonlijke uitstijgt. Hoewel er veel meer wordt samengewerkt en naar school gegaan, wonen we nog steeds apart. Als je elkaar nu opzoekt, moet je elkaar ook echt graag mogen, je werkelijk op je gemak voelen in elkaars aanwezigheid en om geving», aldus Krog: «Vroeger deden ze veel dingen voor de goede zaak, nu voelen ze zich ongemakkelijk of bedreigd, ze vervelen zich met elkaar, vinden elkaars eten niet lekker, enzovoort. Nu moet je enkel en alleen voor jezelf besluiten wat je wilt en wat je niet wilt.»

De situatie tussen blank en zwart in Zuid-Afrika is niet te vergelijken met de positie van de homoseksueel in Nederland. Maar in beide gevallen is mensen een beschermende laag afgenomen, een ideologische bedding die het sociale verkeer vorm geeft. Men moet elkaar nu echt mogen, niet alleen omdat het zo hoort. Dat geldt ook voor homo’s onderling. Met het wegvallen van het wij en zij ben je ook van de verplichting ontslagen om je voor elkaar verantwoordelijk te voelen. Solidariteit is niet langer verplicht. Een homo mag gerust tegen het homohuwelijk zijn, tegen de adoptie van kinderen. Er is een einde gekomen aan de gettomentaliteit die eenvormigheid en consensus afdwong, uit angst voor de grote boze buitenwereld. Het staat je vrij om helemaal niet met homoseksualiteit bezig te zijn, er niet over na te denken, er niet over te lezen.

Emancipatiebewegingen staan altijd in het teken van bewust wording, en die bewustwording is ongetwijfeld nodig om een bepaalde vrijheid te bevechten. Maar ik zelf heb persoonlijke vrijheid altijd gede finieerd in de mate waarin ik weer onbewust kon worden, waarin ik mezelf maatschappelijk niet als dit of juist dat hoef te benoemen.

Virginia Woolf, feministe van het eerste uur, stelde dat wanneer een schrijver een vrouw was, dat vanzelf zou blijken uit de boeken die ze schreef. Maar wanneer diezelfde schrijver boeken ging schrijven als vrouw, kon het alleen maar troep worden. Dat die vrijheid niet vanzelf spreekt, dat die vrijheid voor mij bevochten is door moedige mensen, daar ben ik me ten volle van bewust.

Maar onbewust zijn is niet zonder risico. In hoeverre wordt die vrijheid nu bedreigd?

In politiek correcte tijden was het niet moeilijk de vijand te vinden. De vijand, dat was iedereen die iets naars zei over homo’s. Je had een paar virulente christenen, zoals het evangelistenechtpaar Goeree, veelgevraagde gasten in televisieprogramma’s als belichaming van het pasklare kwaad, omdat ze behalve homohaters ook nog eens antisemieten waren. Je had een roman als Mystiek lichaam van Frans Kellendonk, waarin door de schrijver lelijk werd gedaan over de ongeworteldheid van homo’s. Je had RPF-voorman Leen van Dijke, die uit de bijbel had begrepen dat homo’s qua zondigheid ongeveer gelijk stonden aan dieven. En dan was er natuurlijk nog Volkskrant-columnist Gerry van der List, die in het jaar van de Gay Games zijn walging kenbaar maakte van homo seksueel gedrag in het openbaar en de Gay Games beschreef als een homoseksuele versie van de Apocalyps, die begon met overdreven heupwiegen en eindigde in een kosmische orgie van sperma.

Zo simpel is het niet meer. Het geval-Van der List is exemplarisch. Onlangs verklaarde hij, nu werkzaam bij Elsevier, tegen een journalist van HP/De Tijd dat hij zijn mening had veranderd en nu helemaal vóór evenementen als de jaarlijkse Gay Parade was. De reden was de islam. Niet langer zag Van der List de carnavaleske botentocht als het toppunt van ontaarding en decadentie. Integendeel, dezelfde gespierde mannen en uitgedoste vrouwen staan nu voor manmoedig verzet tegen de islam, een godsdienst die homoseksuele uitingen in het openbaar immers ook beschouwt als het toppunt van ontaarding en decadentie – en daar wil Van der List niet bij horen.

Zo’n omslag doet op het eerste gezicht nogal absurd aan: zijn de gevoelens van Van der List over uitdagend heupwiegen in het openbaar werkelijk veranderd, of heeft hij ze tijdelijk in de ijskast gezet?

De tournure van Van der List laat zien dat het klimaat aan het veranderen is. In zijn column over de Gay Games wilde Van der List nadrukkelijk politiek incorrect zijn, zich verzetten tegen de in zijn ogen afgedwongen meerderheidsconsensus dat alles wat homoseksuelen lieten zien ook meteen geweldig was. Nu diezelfde afkeer in Nederland plotseling weer ideologische trekjes heeft gekregen door de hardnekkige afwijzing van de islam van alles wat met homoseksualiteit te maken heeft, wordt Van der List ineens politiek correct, en dus ook ideologisch. Kortom, het zijn nog steeds dezelfde blote kerels, maar ze staan ineens voor iets anders.

Dat die plotselinge omslag voor Van der List ook persoonlijke gevolgen heeft gehad, blijkt uit zijn stukjes in Elsevier, waarin hij plotseling met grote regelmaat over muziek schrijft die ik alleen maar kan om schrijven als nichtendisco. Onlangs schreef hij zelfs een lang artikel over het Songfestival. Late bekeerlingen gaan altijd overdrijven.

Maar de vraag blijft: mogen Nederlanders met een uitgesproken islamitische achtergrond zeggen en opschrijven wat Van der List in 1998 ook al vond? De nadrukkelijk politiek incorrecte website El Qalem pu bliceerde vorig jaar een anti-homomanifest dat in toon niet veel verschilde van de column van Van der List. De auteur, de Nederlandse Marokkaan M.R. Jabri, zei geïnspireerd te zijn door de stijl van Theo van Gogh, met wie hij naar eigen zeggen veelvuldig had gepolemiseerd.

Die verdediging van de auteur geeft aan hoe groot de verwarring is. Jabri maakt gebruik van de speelruimte die is ontstaan door de maatschappelijke en wettelijke acceptatie van homoseksuelen in Nederland. Maar de achtergrond van Jabri, zoals die tot uiting komt op de website El Qalem, is oprecht homovijandig. Dat is het cruciale verschil. In de islam zoals die zich in een immigratieland als Nederland manifesteert, staat de homoseksueel nog buiten de orde, hij is de Ander, niet één van ons. Jabri is geen Simon. Het beste bewijs van die constatering is de uitentreuren herhaalde uitspraak van moslimvertegenwoordigers dat men niets tegen homo’s heeft, maar dat het onmogelijk is om én moslim te zijn én homoseksueel. In theorie is dat ook niet mogelijk – net als bij zoveel andere godsdiensten – maar in de praktijk wel, dat weten moslims net zo goed als ik.

Zolang die werkelijkheid niet aanvaard is, zolang homoseksualiteit niet geaccepteerd is als iets wat óók van moslims is, zijn uitingen als het anti-homomanifest meer dan onschuldige provocaties in de geest van Theo van Gogh. De grens tussen provocatie en geweld is dan wel heel dun geworden. Dat er genoeg moslims zijn die zich niet te buiten gaan aan homohaat doet er eigenlijk niet zo veel toe. Het gaat erom dat men de stap maakt die westerse samenlevingen de afgelopen decennia hebben gemaakt: het aanvaarden van homoseksualiteit als onvervreemdbaar onderdeel van de maatschappelijke orde. Daarna mag je weer van alles zeggen.

Dat die stap niet snel gemaakt zal worden, lijkt evident, ook omdat de afkeer van homoseksualiteit binnen de islam niet alleen een religieus probleem is maar ook een sociale kwestie. Veel allochtone jongeren die maatschappelijk verongelukt zijn, vluchten in een gettomentaliteit waarin ze hun eigenwaarde ontlenen aan machismo – en machismo, leert de Amerikaanse zwarte rapcultuur ons, ziet iedere zweem van homoseksualiteit als een aanslag op de eigenwaarde.

Wanneer vrijheid onder druk komt te staan, kun je op twee manieren reageren: angstig of zelfbewust. We moeten oppassen dat het probleem van islam en homoseksualiteit niet leidt tot een nieuwe kramp achtigheid, waarbij homo’s plotseling weer met een onwennige omzichtigheid behandeld moeten worden. Ik hou niet zo van de ongetwijfeld goed bedoelde, maar nogal bevoogdende verontwaardiging van mensen als Barend, Van Dorp en Mulder wanneer ze weer een homo ontvangen die in het uitgaansleven een klap op zijn oog heeft gehad. Zoals veel homoseksuelen zich nog altijd te snel in de rol van het eeuwige slacht offer laten duwen, zo staan er tegenwoordig massa’s hetero’s klaar om de homo weer tot zielig slachtoffer te verklaren, meestal als wapen tegen de vermaledijde islam. Weerbaarheid en paniek gaan slecht samen.

Wat het veranderende klimaat wél eist, is dat homoseksuelen weer zichtbaar worden, zichtbaarder dan ze de afgelopen jaren zijn geweest. Daar is een nieuw soort engagement voor nodig. Aan de zo gekoesterde periode van prettig onbewust zijn lijkt voorlopig weer een einde gekomen. Omdat er niets meer te bevechten viel, hebben homoseksuelen de afgelopen decennia zich vooral cultureel met elkaar beziggehouden, en niet politiek. Daarin moet verandering komen. Als er een situatie dreigt te ontstaan waarin de afkeer van homoseksualiteit groeit en ideologische trekjes krijgt, is het zaak jezelf weer publiekelijk herkenbaar te maken, en niet alleen als geinige presentator of als valse mediavlecht. In plaats van iets te bevechten, valt er nu iets te verdedigen. Dat is een groot verschil. Wat verdedigd moet worden, is de vanzelfsprekende aanwezigheid van homoseksuelen in de samenleving, niet hun uitzonderingspositie.

De acceptatie van homoseksualiteit is de lakmoesproef voor een vrije, multiculturele samenleving. Wanneer homo’s zich al te gauw weer in de rol laten drukken van de eeuwige uitzondering, van de eeuwige homo, door herboren homohaters of door goedbedoelende sympathisanten, gaat er iets belangrijks verloren. Dat werkt contraproductief. Je kunt alleen weerbaar zijn wanneer je jezelf vanzelfsprekend vindt.