Dialoog met de natuur

Ik wens met klem vanaf morgen niet meer uitgelachen te worden wanneer ik op de openbare weg met bloemen, planten, bomen en struiken in gesprek ben. Zoals gisteren, in het Leidsebosje, toen ik een uitgemergelde iep probeerde op te beuren met de eerste strofen van Gorters Pan. Herhaaldelijk stopten er bussen vol toeristen en we gingen wel duizend maal op de kiek. Straks, ik zie het al voor me, zorgen wij op menig dia-avondje in Tokio, Sydney en Vladivostok voor dikke pret.

Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom het wel toegestaan is om oeverloos tegen een hond, kat of goudvis te oreren, terwijl een goed gesprek met een boom of plant nog altijd taboe is? Halen planten soms geen adem, circuleren er in hun lichaam ook niet allerlei levenssappen, en transpireren zij soms ook niet, zij het meestal met aanmerkelijk frissere geuren dan die van mens en dier?
Een bang vermoeden maakt zich van mij meester. De mens vindt de plant inferieur, omdat deze geen enkele behoefte voelt aan mobiliteit. Maar in werkelijkheid zijn we stikjaloers op de wereld van de flora, en daarom wordt die zo gediscrimineerd. Terwijl de bomen en planten door de eeuwen heen hebben bewezen wortel te kunnen schieten, zocht de mens zijn geluk altijd elders, met als gevolg oorlog, onderwerping en globalisering van het verdriet. Welke Franse filosoof zei ook alweer dat de bron van alle ongeluk ligt verscholen in het feit dat de mens nooit eens rustig thuis kan blijven zitten? Nu wij ons allen van rijkswege dienen te ‘onthaasten’, kunnen we het beste beginnen met stil te staan.