Diana’s secret

De straat waar ik woon komt uit in een winkelstraat waar de kleine middenstand het, zoals overal, moeilijk heeft. De ene na de andere zaak zie ik sluiten, en nadat de ramen een tijd met krantenpapier zijn afgedekt, en bouwvakkers er stof en lawaai hebben geproduceerd, komt er weer een andere ondernemer een gok wagen.

Ik bewonder die durfallen. Als zij het niet deden, kwamen de panden in handen van de geijkte ketens (Kruidvat, Blokker, Halfords of Gall&Gall), zoals overal, met een ontmoedigende uniformisering van de Nederlandse winkelstraten als gevolg. Lang houden die kleintjes het helaas zelden uit. (Het is crisis, zegt men, maar als ik op donderdagavond een restaurant wil reserveren, zit alles vol.)

Vanmiddag stond ik voor een grote keukenzaak die over de kop gaat en leegverkoop houdt. 25 procent korting op het hele assortiment, stond er al een tijdje. Elke letter een eigen A4'tje. Vandaag is die 2 door een 3 vervangen. Toch durfde ik niet naar binnen. Ik zou me een opkoper voelen, een lijkenpikker, en hoe verleidelijk de messenblokken en pastamachines ook oogden, in mijn keuken zouden ze me beschuldigende blikken blijven toewerpen. Ik ontwaarde de eigenaar door het raam. Snel stapte ik door.

Bij het belendende pand - ooit een videotheek, dichtgeplakt met kranten - bleek ik net getuige van een feestelijk moment. Op een ladder werd een nieuw gevelbord gemonteerd. Een lange plexiglas-achtige plaat die in de lichtbak geschoven kon worden zoals het deksel van een doos schaakstukken. Het waaide. De gevelplaat zwabberde. Diana'sFlowers stond erop, of zoiets. In elk geval flowers. Kennelijk moet dat in het Engels. Misschien rekenen ze op buitenlandse klandizie.

Anyhow. Dat ding zwabberde in de wind, het trapje wankelde, en ik stelde me voor hoe het zou zijn wanneer er gebeurde wat alleen in films en internetfilmpjes gebeurt: krak, trappetje omver, man op de tegels, gevelplaat gebroken, Diana gebroken. Ik ween om bloemen/ in de knop gebroken. Maar ik weende niet, ik schoot in de lach.

‘Wat sta jij daar nu stompzinnig te grinniken?’ vroegen Diana’s ogen me fel. Snel stapte ik door.

Even overwoog ik of ik dat gehannes met die gevelplaat kon gebruiken, maar ik verwierp het al voordat de vraag goed en wel geformuleerd was. Te grof. Leuk voor slapstick, leuk voor DWDD, maar niet voor mijn edele achtertuin.

Waarom zijn zulke situaties eigenlijk zo grappig? Door het ernstige streven een winkel te beginnen, het officiële karakter van die gevelplaat planten en dan - in contrast - de brute verstoring daarvan. Zoiets als een bruidsjurk die afzakt tijdens de plechtigheid. We lachen om het contrast tussen ernstig streven en banaal falen. De literatuur (boeken die ik graag lees, bedoel ik daarmee) moet in plaats van die korte hilariteit een voortdurende onderhuidse lach verbergen. In literatuur is de wereld permanent doordrenkt van een subtiel lacharoma. Bij Thomas Mann gebeurt dat, bij Reve, bij Nabokov. Nou ja, noem ze maar op. Onder de zinnen houdt iemand z'n lach in, alles is gedrenkt in een relativerend besef van onze nietigheid, van het inherent-tragische van ons streven.

Een eindje verderop is net een koffiezaak geopend. De eigenaar is een ontzettende ouwehoer, ontdekte ik toen ik er wat ging kopen. Hij kende de familie waar hij zijn bonen inkocht persoonlijk, reisde drie keer per jaar door Zuid-Amerika, enzovoort. Zo iemand die tot vervelends toe out of the box heeft leren denken. Je komt een half pond koffie kopen en krijgt een verhandeling over panfluitspelen. Zo iemand die iets te ver uit z'n comfort zone is geraakt en jou er ook in wil slepen. Je kunt er ook koffie aan tafeltjes drinken maar er zit vrijwel nooit iemand.

De zaak heet zoiets als Diana’s Secret. Maar dan iets nog exotischer dan Diana. Ik vergeet het altijd, maar in elk geval is het secret, wat Engels is voor geheim, maar waarom noemt die panfluitspeler z'n zaak dan niet Diana’s Geheim?Anyhow. Die tent is zo geheim dat geen hond hem weet te vinden.

Maar nu zaten er zowaar drie mensen op het terras, twee vrouwen, één man, elk met een kopje van Diana’s espresso. Zozo, glimlachte ik de eigenaar toe. De zaken gaan goed. Toch keken de drie bepaald niet opgewekt. Ze rookten driftig en verbeten, en op het tafeltje gingen formulieren heen en weer. Ik bestudeerde ze zo onopvallend mogelijk, en zag dat het een Europees Schadeformulier was waarop je na aanrijdingen de situatie op een ruitjesvel moet uittekenen. En toen zag ik ook hun auto’s geparkeerd staan, gedeukt, de lak eraf geschraapt.

Kijk, dacht ik, dat begint er al meer op te lijken. Dat is beter dan die slapstick bij Diana’s Flowers. Hier sluimert het mild-komisch-tragische dat zo geschikt is voor fictie. Een van de vrouwen bestrafte mijn nieuwsgierigheid met een felle moordenaarsblik. Snel stapte ik door.