‘dicht aan ’t hart een voet!’

DE NAAM RIMBAUD roept vooral de mythe op die rond deze dichter is ontstaan. Rimbaud: dat is niet in de eerste plaats een aantal gedichten; het is vooral een bepaald type dichterschap, dat van de poète maudit, van de gedoemde dichter. En het is dan ook eerder Rimbauds turbulente leven dan zijn poëzie dat als eerste achter zijn naam opduikt. Het is het verhaal van de briljante scholier die al op zijn vijftiende verbazingwekkende gedichten schreef en als dichter in zeer korte tijd uitgroeide tot een van de belangwekkendste vernieuwers van de West-Europese poëzie, om na vijf jaar resoluut met dichten op te houden. Het is ook het verhaal van een vlijtig, braaf, door zijn moeder getiranniseerd jongetje dat gedurende die vijf jaar veranderde in een onverbeterlijke wegloper, een drinkebroer, een geduchte vagebond, die een heftige homoseksuele relatie had met de oudere dichter Verlaine. Na zijn afscheid van de poëzie ging hij door het leven als onder andere beroepsmilitair, opzichter van een steengroeve, tolk bij een rondtrekkend circus, handelaar in huiden, stoffen, koffie, ivoor en wapens - er wordt zelfs gesuggereerd dat Rimbaud in slaven gehandeld zou hebben. Hij verbleef lange tijd in Harar, dat in het huidige Ethiopië ligt, en stierf ten slotte in Marseille.

Het is kortom zo'n verhaal dat moeiteloos aan een bepaalde behoefte tegemoet komt: de behoefte aan een bepaald beeld van dé dichter, aan een archetype. De dichter lijdt; het leven is walgelijk, zijn poëzie de uit dat bittere leven geperste druppel schoonheid die het lijden en de walging zowel ten volle uitdrukt als in die uitdrukking overwint. Saint Rimbaud - zoiets.
ZIJN GEDICHTEN worden bij dit alles lichtbeelden, illustraties van wat we blijkbaar het liefste willen als we aan dichters denken. En in een enkel geval volstaat alleen de titel van een gedicht om het beeld dat wij zo koesteren tevoorschijn te roepen, zoals in het geval van het dan ook zeer beroemde ‘Le bateau ivre’, 'De dronken boot’. Bij het horen van die titel hoeven we eigenlijk niet meer te lezen, maar deinen we onmiddellijk mee en weg op de woeste baren van het gedoemde dichterschap dat Rimbaud heet.
'Gewetenloze romaneske schurken zijn wij’, schreef Pierre Michon in een recentelijk vertaalde novelle, Rimbaud de zoon, over precies deze kwestie. Want, zegt hij, we lezen Rimbaud niet: 'Wat wij doen is een gedicht schrijven, elk op onze eigen manier. Het is óns gedicht, en Rimbauds gedichten blijven verborgen binnen het onze, in zichzelf gekeerd, haast hypothetisch: ons eigen gedicht neemt zoveel plaats in dat we het kleine boekje waarin de geschriften van Arthur Rimbaud rusten soms opslaan en ons er dan over kunnen verbazen dat ze bestaan. We waren ze vergeten.’
Die verbazing kan je ook overvallen als je de nieuwe vertalingen van Rimbauds poëzie door Paul Claes leest. Dat heeft natuurlijk te maken met het gegeven dat elke vertaling als het ware een nieuw gedicht náást het origineel oplevert, en er dus in zekere zin een nieuwe, een Nederlandse Rimbaud uit Claes’ vertaling naar voren treedt. En natuurlijk refereert Claes in zijn uitgebreide commentaar bij elk gedicht afzonderlijk en in zijn uitstekende inleiding aan de historische Rimbaud, en daarmee aan alle ingrediënten van de mythe rond zijn persoon - maar die historische context is hier inderdaad niets anders dan referentiepunt. Het zijn de feiten die ons inzicht kunnen verschaffen in de betekenis van Rimbauds poëzie in zijn eigen tijd, in hoe zijn eerste verzen bijvoorbeeld de sporen dragen van de voorbeelden die de vijftien-, zestienjarige schooljongen zich razendsnel eigen maakte (het aloude principe van de imitatio en de aemulatio kende hij uit zijn lessen Grieks en Latijn maar al te goed). Genialiteit bestaat uit het vermogen handig te stelen, zoals Enid Starkie het ooit formuleerde in haar lang geleden geschreven biografie, en Rimbaud had dat genie.
Maar de historische feiten maken dit keer de poëzie zelf dus niet onzichtbaar. Die poëzie oogt nieuw, en Nederlands, en Rimbaud is in Claes’ handen daarmee óók een hedendaags dichter geworden. Een gedicht als 'Ma bohème’ - 'Ik liep, de vuisten diep in mijn kapotte zakken’, zo begint het, gevolgd door de prachtige regel: 'Mijn overjas werd ook een ideëel geval’ - laat zich nu moeiteloos lezen als ook een gedicht over het nomadisme waarover je in postmoderne kringen zo veel hoort. Natuurlijk is dit gedicht historisch beschouwd de lyrische verwerking van Rimbauds eigen zwerversbestaan - en de bohémien als type doet nu enigszins gedateerd aan - maar er staat mij maar weinig in de weg om regels als 'En rijmend in de wonderlijke schaduwplekken,/ Liet ik als liersnaren de elastieken rekken/ Van mijn gekneusde schoenen, dicht aan ’t hart een voet!’ ook te zien in het verlengde van het werk van bijvoorbeeld Deleuze. Het kan voor wie het wil.
CLAES ZELF doet overigens iets soortgelijks als hij het in zijn inleiding heeft over de 'voyant’ (de ziener) die Rimbaud in zijn eigen ogen wilde, of zelfs moest zijn, over de 'voyou’ (de vagebond) die hij in de ogen van anderen werd, en de 'voyeur’ die hij in zijn gedichten vaak is. 'Seksualiteit en poëzie stellen het probleem van de relatie tussen ik en ander’, schrijft Claes samenvattend over Rimbaud. 'De oplossing van de voyeur is die van de omvatting: de blik verzwelgt de ander. De oplossing van de voyou is die van de ontkenning: de walg stoot de ander af. De oplossing van de voyant is die van de ontgrenzing: ik en ander worden een in een erotische osmose.’ Omvatting, ontkenning, ontgrenzing - het lijken, voor wie terugkijkt, de drie stadia die Rimbaud doorliep, waarbij het zienerschap het 'hoogste’ stadium is.
Maar je kunt ze ook eenvoudig zonder hiërarchie zien als de drie polen waartussen Rimbauds poëzie zich in laat-twintigste-eeuwse ogen beweegt en opmerken dat die polen het spanningsveld vormen waarin ook veel van de hedendaagse poëzie zich bevindt. In die hedendaagse poëzie is het probleem van ik en ander nog steeds even virulent aanwezig, maar, zo lijkt het, zonder dat de ontgrenzing daarbinnen nog het ultieme doel is.
Er zijn momenteel nogal wat dichters voor wie de omvatting ontkenning en ontgrenzing tegelijk is, en in wier werk de blik niet alleen de ander (of het andere) verzwelgt, maar er tegelijkertijd ook door verzwolgen wordt. Het ligt voor de hand die dichters als erfgenamen van Rimbaud te zien, maar deze vertaling maakt van Rimbaud toch ook weer een kind van deze, onze tijd. En dat maakt dat het lezen van bijvoorbeeld zijn beroemdste gedicht, 'Le bateau ivre’, niet langer alleen maar het beeld van de gedoemde dichter oproept, maar ook een spiegel wordt, een gedicht waarin men niet zozeer Rimbaud, maar iets van zichzelf begint te herkennen, van dat zo problematisch geworden zelf.
Het gedicht neemt je nog eens mee langs alle dromen en visioenen waarin dat zelf zou kunnen en heeft willen ontsnappen, maar ten slotte rest alleen die ene 'kilzwarte plas waar avondbalsem zweeft,/ terwijl een neergehurkt kind er terneergeslagen/ een boot broos als een meivlinder de vrijheid geeft’.
Voor Rimbaud duidt dat op de mislukking van het streven: 'Ik kan niet meer, doordrenkt van uw verdriet, o baren,/ In ’t zog van de katoenschuiten laveren gaan,/ Of door de trots van vlaggen en van wimpels varen,/ Of ’t vreselijke oog van de pontons weerstaan’, zo heet het in de laatste strofe. Maar toch, hoe terneergeslagen men ook wordt van al die mislukte metafysische projecten uit onze geschiedenis, daar is toch dat bootje 'broos als een meivlinder’ dat er zijn vrijheid krijgt - en dat in een gedicht dat anno nu al die dromen en visioenen nog eens laat opgloeien, misschien wel om ons met dat speelgoedbootje te verzoenen, of om ons duidelijk te maken dat dat bootje lang zo kinderachtig en waardeloos niet is.
Dit gold op deze manier niet voor Rimbaud, die de poëzie de rug toekeerde om zich volledig door de werkelijkheid te laten verzwelgen, maar het geldt wat mij betreft wel voor de dichter die ik hier van Paul Claes heb teruggekregen. Ik zou nu eindeloos willen citeren om dat nog eens te onderstrepen.