Solidariteit Charleroi en de grote nutteloze werken

Dicht bij de snijkant van het mes

De Belgische industriestad Charleroi biedt een desolate aanblik. Slecht beleid heeft geleid tot armoede en werkloosheid. Het kan een waarschuwing zijn voor Europa in crisistijd.

I
Het vergt niet veel van de verbeelding om metrostation Pensée in Charleroi als een onbedoeld eerbetoon aan het absurdisme van René Magritte te zien. Aan het eind van het spoor ligt de deelgemeente Châtelet, waar de surrealistische kunstschilder is geboren en getogen, maar nog nooit is daar een metro gearriveerd. Ook Pensée ligt er verlaten bij. Hoewel, verlaten? Dat veronderstelt nog dat het station ooit was bevolkt door reizigers. Dat is niet zo. Het is niet verlaten, het is nooit gebruikt, hoewel in vol ornaat uitgerust met perrons, roltrappen, toiletten, schakelkasten, rails, wissels, bovenleidingen.

Pensée is een van de stations van de spookmetro van Charleroi, een acht kilometer lange lijn die sinds de jaren zeventig klaarligt om gebruikt te worden. In die veertig jaar heeft er nog nooit een trein gereden. De metro is om geen andere reden aangelegd dan omdat de Walen recht hadden op het equivalent van het bedrag dat de Vlamingen tezelfdertijd in de haven van Zeebrugge investeerden. Het project is een overblijfsel van de ‘wafelijzerpolitiek’, typisch Belgisch compromisbeleid dat ook in de infrastructurele investeringen aan beide zijden van de taalgrens verdelende rechtvaardigheid nastreeft en in het hele land enkele grands travaux inutiles, grote nutteloze werken, heeft opgeleverd.

Maar de spookmetro is ook een van de schrijnende voorbeelden van de bestuurlijke miskleunen in Charleroi, die desolate stad in het oude industriële bekken van Wallonië. Het stemt moedeloos dat al die miljoenen die zijn opgeslokt door het zwarte gat van een zinloos prestigeproject niet zijn aangewend om de stad uit haar treurigheid te verheffen. Het verhaal van Charleroi gaat niet alleen over het stervens­proces van een fabrieksstad die ooit 24 uur per dag rook en stoom ademde en nu gelaten afwacht wat er komen gaat. Het vertelt ook over politiek wanbeheer, zowel stedenbouwkundig als maatschappelijk, cultureel, educatief. ‘Als de Parti Socialiste hier even veel energie zou hebben besteed aan het leefbaar houden van de stad als aan het behoud van hun machtscentra zou het er hier heel anders hebben uitgezien’, zegt journalist Pascal Verbeken.

In een beeld gevat heeft het stadsbestuur van Charleroi het sociaal contract met zijn burgers afgekocht met uitkeringen. Zij kunnen, desnoods levenslang, bijstand krijgen van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, oftewel de sociale dienst, maar op veel meer hoeven ze niet te rekenen. De stad zakt weg in verval, behalve misschien op de plekken waar gasten Charleroi binnenkomen, zoals station Zuid en het vliegveld. Vlak daarachter strekken de neonstraten met kapotte huizen, dicht­getimmerde winkels, wrakkige school­gebouwen, braakliggende terreinen en gesloten fabriekscomplexen zich uit.

De armoede slokt de stad op. ‘Werkloosheid wordt een condition de vie, met een grotere normaliteit dan ’s ochtends de wekker horen gaan en je naar het werk begeven’, aldus Verbeken. ‘Kinderen van de derde generatie werklozen hebben hun ouders, noch hun grootouders ooit enige vorm van arbeid zien verrichten. Het komt voor dat zij “werkloos” invullen als beroep dat zij na hun school zullen kiezen.’

Verbeken is een chroniqueur van Wallonië, van de geschiedenis van dit landsdeel, van zijn verhouding met Vlaanderen, van zijn verdriet en ook van zijn pracht. Zijn reportages zijn doortrokken van de notie die de socialist Jules Destrée, opgegroeid onder de rook van Charleroi, in 1912 verwoordde in het roemruchte pamflet waarin hij aan de koning schreef dat er in België Walen en Vlamingen wonen, geen Belgen: ‘De Waal hoort toe aan de Latijnse beschaving, de Vlaming aan de Germaanse cultuur. Wat de een geestdriftig maakt, laat de ander koud en wekt misschien zelfs afkeer op.’ In 2007 maakte Verbeken de stand van de natie op in Arm Wallonië, dit jaar deed hij dat in Grand Central Belge, het verslag van zijn voettocht langs de negentiende-eeuwse private spoorlijn die Wallonië met Vlaanderen verbond en als economische as van het land fungeerde. Beide reportageboeken brachten hem in Charleroi. Verbeken is gefascineerd door de stad en haar bewoners, van wie het lot is verbonden met glorie en neergang van de zware industrie.

Tijdens de tweedaagse zwerftocht die ik met Verbeken maak door de straten van Charleroi bekruipt ons naast de ergernis over het wanbestuur nóg een benauwende gedachte. Kan het zijn dat wij hier niet alleen in het verleden van Charleroi kijken, maar ook in de toekomst van Europa? Staande op de terril Saint Charles, een van de sintelbergen die het silhouet van Charleroi domineren, beaamt Verbeken dat hij zich die vraag ook heeft gesteld. Vanaf de Saint Charles kijken wij aan de ene kant naar La Providence, de laatste plek in Charleroi waar de industriële macht die de stad vormde nog zichtbaar is. Op een megaterrein, meer dan honderd hectare groot, staat hier wat rest van de hoogovens, cokesfabrieken en staalwalserijen die ooit Europa, Rusland, India en China van de rails voor hun spoorwegen voorzagen. Walen hebben honderd jaar geleden de metro van Parijs aangelegd, met materiaal dat van La Providence vandaan kwam. Tot in deze eeuw spuwde de cokesfabriek met oorverdovend gerommel vanuit de ingewanden elke tien minuten een reusachtige witte wolk uit, honderden meters hoog, wanneer tienduizenden liters water over de gloeiend hete kolen werden gestort om ze te koelen. La Providence stootte vuur en rook uit, steunde en kreunde, maar voor de tienduizenden arbeiders was dat de adem van de stad.

Nu zwijgt dit industriële doolhof, op het zoemen van een energiecentrale na, en staan de roestige ovens en afbrokkelende fabrieks­hallen, de kranen, schoorstenen, transportbanden er zielloos bij. Zij representeren het verleden van Charleroi. Aan de andere kant van de terril kijken wij uit over het heden van de stad, de woonwijken waar de verarming die alles grauw en grijs maakt steeds dieper de huizen binnendringt. Ook in de hoogtijjaren had niemand het daar ooit echt breed, op een enkele fabrieks­directeur, ingenieur of dokter na, maar iedereen koesterde zich wel in de zekerheid van werk en inkomen. In een tijdsbestek van enkele decennia, sinds het industriële verval eind jaren zestig inzette, is dat perspectief volledig omgeslagen. In Charleroi zijn duizenden verhalen op te tekenen van mensen die kwamen toen de banen voor het oprapen lagen, om nu oud te worden in een stad met de hoogste werkloosheidscijfers van het land. Zó breekbaar kan welvaart zijn. Is dat ook de toekomst van Europa?

Helemaal onzin is die gedachte niet, is de uitkomst van ons gesprek op de Saint Charles. De Europese schuldencrisis maakt duidelijk hoe vooruitgang die ogenschijnlijk een gestaag proces leek toch onverhoeds kan omslaan in achteruitgang. Een tweede conclusie is dat veel zal afhangen van de Europese overheden. In Charleroi regeert de uitzichtloosheid mede doordat de plaatselijke overheid de stad in de steek heeft gelaten en haar verplichting aan de burgers slechts verstaat in uitkeringen. Hier is goed te zien dat goed of slecht beleid het verschil kan maken. Dat gaat op grotere schaal evenzeer op voor nationale overheden en de Europese Unie. Ook in steden en streken die nu de crisis nog doorstaan kan de armoedeval openklappen als de overheid stelselmatig verkeerde keuzes maakt. Het verhaal dat Verbeken vertelt in Grand Central Belge en tijdens onze voettocht door Charleroi scherpt het bewustzijn van dat risico.

II
Dat verhaal begint ruim honderd jaar geleden, bij de semi-wereldtentoonstelling die Charleroi in 1911 organiseerde. De stad etaleerde toen met zelfbewustzijn haar industriële knowhow. Dankzij de industrie van Wallonië was België de vierde wereldhandelsnatie en derde industriële macht, na Engeland en de Verenigde Staten. De Exposition Internationale was daarvan het symbool. Charleroi presenteerde zich als een voortrekker van de industriële revolutie en bastion van de moderne tijd, niet ten onrechte. Hier ligt de bron van tal van innovaties die de staal-, steenkool- en glasindustrie tot de drijvende kracht van de economie maakten. Zo had Charleroi dankzij de creativiteit van Emile Fourcault, eigenaar van een glasfabriek in de deelgemeente Dampremy, in de negentiende eeuw de wereldprimeur van het vensterglas.

De stad plooide zich rond de industriële mastodonten, waardoor ze op een specifieke manier haar vorm kreeg. Zijn oudere steden, met een geschiedenis van eeuwen, doorgaans gegroeid vanuit het centrum, in Charleroi is het omgekeerde gebeurd. Hier is de buitenkant naar de kern gekropen. Charleroi is een samenklontering van vijftien dorpen die na de vestiging van een fabriek of mijn in snel tempo uit hun voegen groeiden. Lukraak verrezen de arbeidswoningen rond de fabriekscomplexen, tot het ene dorp het andere raakte. Van een stedenbouwkundig plan of een urbane visie op de stad is in de geschiedenis van Charleroi geen spoor te bekennen.

De fabrieken in Charleroi bepaalden het aangezicht van de stad. Mohammed Fekrioui, zoon van een Marokkaanse immigrant en plaatselijk politicus van de christen-democratische CdH, herinnert zich nu nog hoe de vlam in de schoorsteen van staalfabriek Hainaut-Sambre zijn hele buurt in deelgemeente Marcinelle in een gloed zette. ‘De kaars van Charleroi’, noemden hij en zijn vrienden de vlam. De muren van zijn kamer waren ’s avonds en ’s nachts verlicht met de flikkering van het vuur.

Naast de fabrieken en mijnen waren de spoorwegen een beeldbepalende factor. Charleroi was in zijn glorietijd een van de belangrijkste knooppunten in het West-Europese net, met langeafstandslijnen naar alle windstreken en een dicht web van industrielijntjes dwars door de buurten. Het stadse leven met alles erop en eraan, van handelshuizen, cafés en theaters tot bordelen, concentreerde zich rond de stations, in het bijzonder station West langs de Grand Central Belge. ‘De hele wijk leefde op het ritme van de treinen die hier aankwamen en vertrokken’, schrijft Verbeken. ‘Op de perrons sjouwden werkmannen met groenten uit Mechelen, fruit uit Antwerpen, Hollandse bintjes, Leuvense pils en Brusselse geuze. Maar het station was vooral een draaischijf van zware goederen voor de industrie: steenkool, hout, cement, glas en bouwmaterialen.’

Dat is een beeld van Charleroi-West en de stationsbuurt dat uit een andere wereld lijkt te komen. De dynamiek en de vrolijkheid zijn verdwenen. Het negentiende-eeuwse stationsgebouw in de typerende bouwstijl van de Grand Central is rücksichtslos gesloopt, om plaats te maken voor een anonieme betonnen goot naast de ringweg. Van een kruispunt van grote goederenlijnen is het station gedegradeerd tot een halte van de stoptrein. De tranen springen je in de ogen bij de aanblik van de vlakte ervoor, in de oude tijd een plein vol stedelijke drukte. Er gebeurt niets, behalve parkeren. De Parijse lantaarns en de kiosk van vroeger zijn verdwenen. Het beeld van de omringende straatjes wordt bepaald door gesloten winkels en kapotte ramen, soms afgedekt met een oude plastic zak van de Lidl. Het is vooral aan het onder­nemerschap van de nazaten van de Italiaanse en Griekse immigranten te danken dat de troosteloosheid er niet volledig is. Voorzover ik kan nagaan, vind je in weinig andere steden in België zulke goede mediterrane restaurants.

Charleroi is in het diepst van zijn wezen spannend, avontuurlijk, en dat klinkt nog door in de herinneringen die Verbeken uit de mond van oude Carolos heeft opgetekend, over de balzalen en bibliotheken in deelgemeente La Docherie, het ‘petit Paris’ rond de glasfabrieken in ­Lodinsart, de gemengde bevolking van fabrieksdirecteuren en arbeiders in Marchienne Etat. In deze buurt bezocht Verbeken Martine, een van de laatst overgebleven bewoners uit de tijd dat Etat nog welvaart kende en een uitgaanscentrum met cafés en tavernes was. In de cafés aan de Route de Mons kwamen niet alleen arbeiders, maar ook handelaars, bankiers en fabrieksdirecteuren over de vloer, soms met de Jaguar met chauffeur voor de deur. In de Rue Vandervelde bevonden zich luxewinkels met merkkledij, Italiaanse lederwaren en maatschoenen. Zo lang geleden is dat nog niet eens, herinnert Martine zich. Sommige winkels hielden het vol tot in de jaren negentig. Nu kreunt Etat onder het verval, met kapotte trottoirs en wegen, straatputten die door bierblikjes zijn verstopt, steegjes waar een traliehek het vuil buiten moet houden. ‘Twee jaar geleden liep de drugshandel zo uit de hand dat de Turken in de wijk het recht in eigen hand namen’, vertelt Martine. ‘Enkele Oost-Europese dealers werden in koelen bloede geliquideerd. Je krijgt de far West als de overheid wijkt. Hier regeert het recht van de straat.’

Haar huis heeft zijn waarde verloren, dus verhuizen kan Martine niet. Ze wil dat ook niet echt, zolang ze hoop kan ontlenen aan de Marokkaanse en Turkse buren die op haar huis passen en aan Alexandre Manirambona. Hij is een Belgische Burundees van omstreeks veertig, een grote zwarte man die een jaar of tien geleden de apotheek aan de Rue Vandervelde overnam. Hij doet het zijne om de verloedering te weerstaan. In zijn winkel ligt nog steeds een stapeltje van een oudere petitie aan het gemeentebestuur waarin de buurt vraagt om meer actie van de gemeente. Manirambona vertelt ons dat hij net terugkomt van een bezoek aan een oude vrouw in de wijk. Zij durft haar huis niet uit en daarom heeft hij haar de medicijnen zelf gebracht. Bij haar stoel voor de tv houdt zij permanent een pistool binnen handbereik, voor het geval de inbrekers toch weer weten binnen te dringen.

Met Verbeken op reportage gaan in Charleroi is ook een kwestie van de straten ‘lezen’. Ondanks de verwaarlozing zijn in Etat de huizen waar ooit de directeur of de dokter woonde nog herkenbaar aan de erker, de hoge ramen, de deur die ooit sjiek was. Naast de deur vallen evenwel de vele brievenbussen op, een indicatie dat het huis van onder tot boven per kamer aan gezinnen is verhuurd. Vier, vijf, zes gezinnen per huis is geen uitzondering. Aan namen als ‘Vladimara’ en ‘Paco’ in de graffiti op de muren is af te lezen dat immigranten bezit hebben genomen van Etat. In de Rue Latérale zien we achter een raam twee koperen beeldjes van oude mijnwerkers. Daar zal een gepensioneerde arbeider uit een van de gesloten mijnen wonen. Twee huizen verder hoopt de bewoonster gehoor te vinden met een tekst achter haar raam: Ma rue n’est pas une poubelle. Mijn straat is geen vuilnisbak.

Tussen haar woninkje en dat van de gepensioneerde mijnwerker staat een vaag pand, met neergelaten blinden, minicamera’s aan de ­kozijnen, een kijkgaatje in de deur. ‘Wat dat is?’ zegt Verbeken. ‘Zonder twijfel een drugspand. Zo kun je, als je je ogen de kost geeft, veel afleiden uit de straat. Wie er woont, wat er gebeurt, wat de klachten zijn. Je hoeft daarvoor niet altijd aan te bellen. Zo kom je in vijf minuten meer te weten dan met uren lezen in rapporten van studiediensten. Hoewel je als reportagejournalist in ons vak de status van straathond hebt, is dit genre voor mij nog altijd een rijke, doeltreffende vorm om de waarheid over een stad te achterhalen. De waarheid achter de rapporten.’

III
Het vereist de verbeeldingskracht en de open blik van Pierre-Yves Dallenogare om de eigen charme van Charleroi te zien. Uit het aangeharkte dorp Wépion bij Namen verhuisde hij ruim twintig jaar geleden naar hier. ‘De stad is geen oogverblindende vamp’, tekende Verbeken uit zijn mond op. ‘Het is geen stad voor toeristische brochures in vierkleurendruk. Maar ze heeft wel een grote schoonheid, althans voor wie die schoonheid wil zien.’ Behalve leraar godsdienst aan een technische school is Dallenogare een verwoed fotograaf. Met zijn Mamiyaflex legt hij vast hoe het urbane anarchisme Charleroi zijn eigen aantrekkingskracht geeft, óók dankzij het contrast met de schone schijn van steden waarin alles er opgepoetst en vlekkeloos bij staat.

Verbeken typeert hem als een van die Carolos die een kei in de rivier proberen te verleggen, hoe sterk de stroom ook is. Georges Vercheval en Jeanne Vervoort zijn ook zulke pioniers die iets bijzonders in Charleroi tot stand brengen. Het fotomuseum dat zij hier eind jaren tachtig stichtten in een voormalig karmelietessenklooster geldt als een van de betere van Europa.

Na de wandeling door Marchienne Etat, hoe droefgeestig stemmend ook, luidt de conclusie van Verbeken vooralsnog dat de ontbinding van een oude fabrieksstad als Charleroi géén onontkoombaar lot hoeft te zijn, ook al is de schaal van de problemen door de stervende industrieën aanzienlijk. Dat de overheid het nu niet meer lijkt te trekken komt óók door een reeks van foute beleidskeuzes in de afgelopen decennia. Verbeken: ‘Om te beginnen de keuze om kunstmatig leven te houden in fabrieken en mijnen die op het punt van faillissement stonden, hoewel zonneklaar was dat de poort zou sluiten zodra de beademing zou worden losgekoppeld. Dat is in de jaren zeventig, tachtig gebeurd. Het ging om jobs die ten dode waren opgeschreven. Als de overheid toen die enorme sommen verstandig zou hebben aangewend, zoals wél is gebeurd in het Roergebied, zou Charleroi er nu minder erg aan toe zijn geweest. Waarom is dat geld niet besteed aan restauratie en renovatie, aan meer politie, fiets­paden, onderwijs?’

Sloop en nieuwe betonbouw zijn regel in Charleroi, restauratie en renovatie de uitzondering. Wie arriveert op station Zuid is geneigd al die zwartgallige verhalen over de stad met een korreltje zout te nemen, tot blijkt dat hij op het verkeerde been is gezet door het fraai gerestaureerde ­stationsgebouw en het opnieuw ingerichte plein ervoor. Op steenworp afstand, in de ville-basse aan de andere kant van de Samber, strekken de straten met leegstaande winkels, woekerende kamerverhuur en halfgesloopte panden zich uit. Ook de ville-basse, de oude hoerenbuurt, had vroeger volgens de getuigenissen die Verbeken optekende een aparte sjeu. In de laatst overgebleven winkel in een negentiende-eeuwse winkelpassage, nog zo’n plek van vergane glorie, duikel ik oude ansichtkaarten van dit deel van het stadscentrum op. Zij bevestigen het beeld dat Verbeken schetst. Er is dan ook niet veel fantasie voor nodig om zich voor te stellen hoe een grondige restauratie de dichtbebouwde buurt kan revitaliseren. In plaats daarvan heeft de gemeente een projectontwikkelaar uit Antwerpen de vrije hand gegeven om een groot deel tegen de vlakte te gooien. De ville-basse maakt plaats voor een nieuwe betonnen en glazen koopcentrum. Vergelijkbare projecten in Charleroi doen het ergste vrezen, gezien de kennelijke voorliefde voor vierkante torengebouwen van bruin of spiegelend glas.

Wéér zo’n gemiste kans. De recente geschiedenis van Charleroi telt een lange reeks voorbeelden van kansen die het stadsbestuur heeft laten liggen, of zelfs om zeep heeft geholpen. Dat laatste is het geval met de demping van de Samber. Mijn ansichtkaarten getuigen nog van de speciale sfeer die de rivier aan de oude binnenstad verleende, tot de stad besloot haar te dempen en elders, aan de rand van het centrum, een nieuwe geul te graven. Het oude traject is nu een weg, het nieuwe een functionele bak met grote ijzeren stootranden. De lelijkheid wordt geaccentueerd door hard afgedrukte portretfoto’s van lachende Carolos op het beton van de oever, een kunstproject dat als onhandige poging om vrolijkheid te forceren vooral treurig oogt. Verbeken: ‘De Samber, met de hoge huizen aan weerszijden, gaf het stadscentrum van Charleroi een bijna Amsterdamse aanblik. De rivier bracht de mensen op vanzelfsprekende wijze samen. En, pats, ze hebben haar dichtgegooid en een afzichtelijk kanaal gegraven dat als een vestingwal in de stad functioneert. Eerder scheidend dan uitnodigend.’

Zo beroofde een achteloze omgang met de nalatenschap van het verleden Charleroi van een plek waarop de stad fier had kunnen zijn, ten behoeve van een ontwrichtende ingreep. Onverschilligheid voor de oude orde van de stad lijkt bijna een patroon in het handelen van het bestuur. Ook de paviljoens van de internationale industrietentoonstelling van 1911, gebouwd in de strenge neoclassicistische stijl van die tijd, zouden een bron van trots kunnen zijn, ware het niet dat ze er nu haveloos bij staan, overwoekerd door klimop, beklad met graffiti. En ook hier weer de foto’s met die lachende Carolos. Met ijzeren spijlhekken, botweg aan de zuilen vastgeschroefd, zijn de arcades van een van de paviljoens afgesloten, waarschijnlijk om zwervers buiten te houden. Zij hebben nu bezit genomen van de betonnen bankjes die de gemeente ooit op het plein heeft geplaatst. Aan de non-stijl van het straatmeubilair te zien was dat ergens in de jaren zeventig of tachtig. De bankjes hebben in ieder geval hun beste tijd gehad. De aanwezigheid van het bps22, een centrum voor hedendaagse kunst in een van de paviljoens, maakt het geheel niet goed, door de treurige aanblik van het gebouw.

De verwaarlozing van de paviljoens wekt plaatsvervangende schaamte, over wéér een gemiste kans. Ze zouden van Charleroi een toonzaal van de industriële revolutie kunnen maken, samen met de stilgevallen fabrieks- en mijncomplexen, voorzover de sloper deze althans niet heeft afgevoerd. Op zoek naar een geschikte locatie voor zijn film The Banishment kwam de Russische regisseur Andrei Zvyagintsev in Charleroi terecht. Nergens elders in Europa vond hij een stad die zozeer als een industrieel landschap oogt. Staande op de terril Saint Charles, met uitzicht op La Providence, wordt Verbeken en mij in één blik duidelijk wat Zvyagintsev zocht, maar verbazen wij ons eens te meer over de staat van ontreddering waarin het complex verkeert. Al die fascinerende, grillig gevormde gebouwen van ijzer en beton smeken er bijna om tot nieuw leven te worden gewekt, als woon- of werkplek. In het Roergebied gebeurt dat wel. Waarom hier niet?

Het antwoord van Verbeken: ‘Charleroi, met zoveel verleden, heeft zichzelf verboden om achterom te kijken. Het stadsbestuur lijkt het industrieel verleden te willen verdonkeremanen. Sinds het verval inzette, eind jaren zestig, wist men in een soort razernij de eigen industriële erfenis uit. Terrils zijn afgegraven, mijngebouwen en schachtbokken gesloopt, fabrieken afgebroken en op vrachtwagens weggevoerd. Er zijn grote gaten in de stad geslagen. Charleroi raakt zijn skyline kwijt. Ooit een object van trots, lijkt het erfgoed van de industrie nu voor het stadsbestuur een bron van schaamte. Zo zadelt het de Carolos op met een gevoel van gêne over de eigen stad.’

Op een grote rotonde, om de hoek van de oude expositiepaviljoens, staat het trieste symbool van dat schaamtegevoel, in de vorm van een beeld van de stripfiguur Marsupilami. Tot in de jaren zeventig afficheerde Charleroi zich met haar daverende industrie zonder omwegen als le pays noir, het zwarte land. Bij de entrees van de stad stonden borden met deze tekst en een gestileerd silhouet van mijnen en fabrieken langs de snelweg. Die borden zijn vervangen door de beeltenis van Marsupilami. Hij is het nieuwe beeldmerk van Charleroi, de vestigingsplaats van stripuitgever Dupuis. Vandaar dat metershoge plastic beeld, omgeven door een fontein, op de rotonde aan het einde van de Boulevard Gustave Roullier. Het is een ironische speling van het lot dat Marsupilami vanaf zijn sokkel uitkijkt op de hoofdvestiging van de Université du Travail, sinds meer dan honderd jaar de hogere beroepsopleiding die het Pays Noir van zijn technisch geschoold personeel voorzag.

De driebaansweg op poten rondom het centrum completeert het beeld van een gemeentebestuur dat achteloos omgaat met de historische erfenis van Charleroi. De autosnelweg is op brute wijze aangelegd, alsof de buurten die hij doorkruist er niet toe doen. De schaal van de weg past niet bij de maat van de stad. Tussen de pilaren die het wegdek dragen is een schemerig niemandsland ontstaan, een unheimisch gebied met officieuze parkeerplekken en hoeken vol gedumpt afval. Op de Rue de Montigny valt ons oog op een groot, monumentaal huis, weliswaar vervallen, maar nog altijd getuigend van de betere tijden. Op nog geen meter afstand van het dak raast het verkeer met hoge snelheid over de brede betonnen bak van de ringweg.

IV
‘Lis et profit, vois et imite, réflèchis et travaille’, staat boven een deur van de Université du Travail: ‘Lees en profiteer, kijk en imiteer, denk na en werk.’ De school is in 1903 opgericht door de socialistische politicus Paul Pastur, advocaat van de armen in Charleroi. In 1886, het jaar waarin een wereldwijde economische crisis het proletariaat overal massaal in opstand bracht, verdedigde hij de revolterende arbeiders in zijn stad, die het kasteel van de steenrijke glasmagnaat Baudoux in de as hadden gelegd. Behalve strijdbaar was de socialistische beweging ook vervuld van het ideaal om de eigen kinderen met goed onderwijs een betere toekomst te bezorgen. Van dat verheffingsideaal getuigt de tekst boven de deur van de Université.

Volgens Verbeken vertelt Charleroi ook het verhaal hoe de socialisten hier tezamen met hun hoop op betere tijden het ideaal van volksverheffing hebben opgegeven. Veeleer dan op het streven de Carolos te verrijken met kennis en cultuur is hun strijdvaardigheid nu gericht op materiële doelen. Onbegrijpelijk is dat niet, gezien de armoede alom, maar het heeft de stad niettemin geen goed gedaan. Sinds jaar en dag bestuurt de Parti Socialiste (PS) de stad. Dat maakt de gevolgen van hun handelen groot.

Verbeken: ‘Links is hier zijn emancipatoire ambitie kwijt. Volksverheffing is zelfs een beladen woord geworden, een paternalistisch woord om je voor te schamen. Vroeger legden de socia­listen in Charleroi er eer mee in dat zij de stad scholen gaven, bibliotheken, theaters, cercles culturel. Dat is verleden tijd. Veel culturele voorzieningen zijn hier niet meer. Deze stad met meer dan tweehonderdduizend inwoners telt één bioscoop, één boekhandel. Het materialisme dat de socialisten aan rechts verwijten zit in de kern van hun eigen visie op sociaal beleid. Vooral de hoogte van de uitkeringen doet er nu toe. Nu ben ik erg vóór een gul sociaal stelsel, zonder meer, maar met geld alleen verlicht je de sociale misère die wij hier in de straten hebben gezien onvoldoende. Ik mis de dwingendheid waarmee links de mensen vroeger wilde opstuwen. De PS zou daarin veel ambitieuzer, idealistischer moeten zijn. Wat wordt nu het nieuwe baken in de stad? Een groot betonnen koopcentrum waarvoor de ville-basse plaats moet maken.’

De slechte staat van de scholen waar wij ­langs lopen op onze tocht door Charleroi ­symboliseert de stiefmoederlijke behandeling van het ­onderwijs. Ook hier heeft het gemeente­bestuur weer een kans gemist. Eind jaren zestig kreeg de stad de kans academisch onderwijs binnen te halen, na de splitsing van de universiteit van Leuven in een Nederlands- en een Franstalig deel. Charleroi had geen interesse. De socialisten wilden geen katholieke universiteit in de stad: pas des calotins dans notre ville! Frans­talig Leuven week toen uit naar de bieten­velden ten oosten van Brussel, om daar de volledig nieuwe universiteitsstad Louvain-la-Neuve te bouwen. Het gevolg is dat hoog­opgeleide ­jongeren uit Charleroi voor een academische studie ­moeten uitwijken naar Louvain, Luik of Brussel. Zij komen niet meer terug. In Charleroi blijven hun lageropgeleide leeftijdgenoten achter. Een braindrain van jewelste. Verbeken: ‘Charleroi dreigt een sociale afvoerput te worden. De stad fungeert als laagste punt, voor mensen die beginnen te vallen en dan hier terechtkomen. De armen uit Brussel. Hier, in Charleroi, val je niet op als iemand met wie het niet goed gaat.’

Zo heeft de stedenbouwkundige, maatschappelijke, culturele en educatieve verwaarlozing van Charleroi de stad dicht bij de snijkant van het mes gebracht. Een algemene verlaging van de uitkeringen, niet onwaarschijnlijk in het economisch tij van nu, kan genoeg zijn om een massa Carolos onder het bestaansminimum te drukken.

Bij het vallen van de dag, bovenop de Saint Charles, komen Verbeken en ik tot de conclusie dat Charleroi weliswaar een bijzonder geval is, maar als allegorie voor de breekbaarheid van de welvaart ook een waarschuwing voor Europa. Het verhaal van deze stad bevestigt dat goed of slecht beleid het verschil kan maken, zeker in crisistijd. Cruciaal is of de overheden hun sociaal contract met de burgers waarmaken door hun publieke taken naar behoren uit te voeren. Anders biedt de desolate aanblik van Charleroi misschien een blik op de toekomst van andere steden in Europa.


Pascal Verbeken, Grand Central Belge: Voetreis door een verdwijnend land. De Bezige Bij Antwerpen


Cijfers

Met 203.000 inwoners is Charleroi de grootste stad van Wallonië en de derde van België, na Brussel en Antwerpen. Ongeveer een kwart van de beroepsbevolking – zo’n 40.000 mensen – is werkloos, althans volgens de officiële werkloosheidscijfers van de instituten IWEPS en Forem. Maar de illegalen in de stad worden daarbij niet meegerekend. Ter vergelijking: in heel Wallonië bedraagt het officiële werkloosheidspercentage 15,6, in Brussel 21,5, in heel België 11 en in Vlaanderen 6,6. Dat laatste percentage is vergelijkbaar met dat in Nederland.

Volgens een studie van de universiteit in Louvain-la-Neuve van eind jaren negentig leeft een inwoner van Charleroi gemiddeld 5,5 jaar korter dan een Antwerpenaar. Toen bedroeg de levensverwachting in 10 van de 55 wijken van Charleroi 64 tot 68, wat overeenkomt met de cijfers van 1950. In dezelfde periode is de gemiddelde leeftijd in de rest van België wel gestegen.

Het gemiddelde inkomen in Charleroi is laag: 11.968 euro volgens de gegevens van Belstat, tegenover 12.593 in Brussel, 14.763 in Wallonië en 16.599 in Vlaanderen. Het inkomen ligt 23 procent lager dan het landelijk gemiddelde. Charleroi is daarmee de minst welvarende centrumstad van België.

De bevolking van Charleroi laat zich schetsen als een lasagne van immigratielagen. Na de Vlamingen in de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste kwamen de Italianen, de Grieken, de Joegoslaven, de Turken en de Marokkanen. Alleen al in de steenkoolnijverheid van Charleroi werkten in de hoogtijjaren meer dan 50.000 arbeiders, onder wie vele immigranten. De laatste mijn ging dicht in 1984.