FILM I Bring What I Love

DICHT BIJ YOUSSOU N’DOUR

Begin november 2004, drie dagen na de moord op Theo van Gogh, stond een volle zaal in het Amsterdamse Concertgebouw te dansen op de door de islam geïnspireerde muziek van Egypt, het album dat Youssou N’Dour dat jaar samen met de Egyptische componist en arrangeur Fathy Salama had uitgebracht. Te midden van de verschrikking van die week kon dat niet anders dan een memorabel concert worden – en dat werd het ook. Het Arabische orkest vol weldadige strijkers in Umm Kulthum-stijl bood samen met het Senegalese ensemble een prachtige bedding voor de vocale souplesse van N’Dour. Wat me van die surrealistische avond het meest is bijgebleven is de volstrekte integriteit waarmee N’Dour zijn publiek door middel van magistrale muziek introduceerde in de mystieke, verinnerlijkte soefivorm van de islam zoals die in Senegal wordt beleden. Zo werd in dezelfde week waarin een moord zo nodig gemotiveerd moest worden met een beroep op de islam de trieste actie van die verwarde Marokkaanse jongeman direct gelogenstraft door een charismatische zanger uit Senegal.
Eerder al ging Egypt, een van de meest persoonlijke cd’s van de Senegalese superster, per toeval een frontale clash met de geopolitiek aan: vlak voordat N’Dour dit album, aanvankelijk slechts voor een Senegalees publiek bedoeld, internationaal zou uitbrengen vlogen twee vliegtuigen het New Yorkse World Trade Center in. Waarop hij onmiddellijk de release uitstelde, omdat hij niet de geringste indruk wilde wekken een apologie voor die gruweldaad te willen geven.
Toen de jonge Amerikaanse cineaste Chai Vasarhelyi (Chinese moeder, Hongaars-Braziliaanse vader, in 2003 doorgebroken tijdens het Tribeca filmfestival met A Normal Life) besloot een hoopvolle film over Afrika te maken, had ze met Youssou N’Dour kortom een gedroomd onderwerp in handen. Haar film I Bring What I Love is dan ook veel meer dan een standaard muziekdocumentaire over het leven van een Afrikaanse popster. Twee jaar volgde Vasarhelyi N’Dour gelijk de spreekwoordelijke vlieg op de muur, en dit nog wel tijdens het meest kritieke moment in zijn carrière. Want terwijl N’Dour internationaal om Egypt werd geprezen, viel hij in Senegal door deze voor de religieuze autoriteiten bedreigende vermenging van popcultuur en religie voor een moment uit de gratie. Hoe zijn reputatie uiteindelijk wordt hersteld is typisch ontspannen West-Afrikaans – en hilarisch om te zien.
Zelden kwam een filmer zo dicht bij een Afrikaanse man, een internationale superster nog wel. De voor iedere muziekfilm gebruikelijke studio- en live-fragmenten worden doorsneden met weldadig menselijke scènes: zijn van trots ronkende vader, zijn oude grootmoeder, die al bijna in een andere wereld leeft, en zijn moeder Ndèye Sokhna Mboup, de trotse vrouw die hem als griotte (lofzangeres) het meest direct tot de muziek bewoog. Steeds resoneert het grotere thema (de soefi’s van Senegal) door in het hectische tourbestaan van N’Dour. Een Franse televisiepresentator vraagt aan de gedreven zanger of hij met zijn album wel het terrorisme verwerpt. Geduldig legt N’Dour nog maar eens uit dat Egypt handelt over de religieuze broederschappen van Senegal die inspireren tot een mystieke, dus apolitieke en vooral vredelievende vorm van islam. ‘In Senegal gaan we op vrijdagavond naar de moskee, en daarna gaan we dansen in de clubs’, stelt N’Dour monter.
‘The new Africa is about dignity’, doceert N’Dour ergens in de film aan een kluitje eerbiedig zwijgende journalisten. Daaraan kan men na afloop van deze film toevoegen: reduceer de islam niet tot zijn meest extremistische, door haatzaaierij en machtspolitiek geïnspireerde varianten. In Senegal danst men erop.

Vanaf 15 januari te zien in The Movies, Amsterdam; Chassé, Breda; Filmhuis, Den Haag; Lux, Nijmegen; Lantaren/Venster, Rotterdam en het Louis Hartlooper Complex, Utrecht