Dicht op de tijd

In Midzomer, stadsmoe wordt een aan weltschmerz lijdende fietskoerier geconfronteerd met de realiteit van vluchtelingen op Lesbos. Bernard Wesseling tilt zijn roman daarmee naar een hoger plan.

Bernard Wesseling, Amsterdam, oktober 2019 © Bianca Sistermans

Vreemde sensatie: lezen over een stad op haar kookpunt, terwijl we er na een paar maanden lockdown inmiddels aan gewend, misschien zelfs aan gehecht zijn geraakt dat de straten rustig zijn, er geen toerist meer te bekennen is.

In Midzomer, stadsmoe, de vierde roman van dichter en romancier Bernard Wesseling, is alles echter nog bij het oude normaal: het is druk, iedereen beweegt zich dicht op elkaar, en fietskoerier Rochus Veldman vraagt zich af hoe vaak hij de overbevolkte stad niet ‘tot gruis’ heeft gewenst, terwijl hij zich geagiteerd een weg baant door het ‘openluchtwarenhuis’ Amsterdam.

Het tempo en de attitude van de stad beginnen steeds harder op Rochus in te beuken. Om zijn werk vol te houden kiest de zelfbewuste ik-verteller voor een teruggetrokken leven in zijn appartement, waar hij soaps kijkt, gebak eet, zijn buren observeert en via meditatie probeert om verder te onthechten. Maar het is niet alleen de stad. Het leven valt Rochus nog zwaarder sinds de vermissing van zijn vriend Sjako. Om van hem los te komen, probeert hij hem zich nog één keer in zijn volledigheid te herinneren. Daarbij neemt hij zich voor, om zich te ‘zekeren aan het heden’, ons ook over zijn dagelijks leven te vertellen.

De band met Sjako vormt een variatie op terugkerende thema’s in het werk van Wesseling: de vriendschap met een oudere, non-conformistische man uit De favoriet en Portret van een onaangepaste, de vadervormige leegte uit Gezelschapsjongen. Vanaf het moment dat Rochus als jongen van 25 de tien jaar oudere Sjako ontmoet, in de krakersscene van 2004, is het alsof hij een oudere broer heeft. Sjako heeft zich onttrokken aan zijn gegoede milieu, weigert zich naar burgerlijke regels te voegen, flirt met het communisme, dweept met Piketty, is gefnuikt dichter en runt een boekhandel waar jonge mannen komen om politieke discussies te voeren, waarvan Rochus met terugwerkende kracht het theoretische gehalte bekritiseert: ‘Schrijvertjes (ik mag het diminutief gebruiken omdat ik er een van was) die meenden dat engagement iets was wat je in pamfletten en boeken moest realiseren en niet, dat idee ontging ons domweg, door je ín te schrijven bij het Leger des Heils, het Rode Kruis of door aan enige andere vorm van praktisch idealisme te doen.’

Vrij van effectbejag of goedkoop sentiment roept Bernard Wesseling de uitzichtloze toestand in het vluchtelingenkamp op Lesbos op

Net als in zijn vroegere werk weet Wesseling uit zijn rijke vocabulaire exact de juiste woorden te kiezen om zijn beeldend vermogen tot uitdrukking te brengen. Soms maakt de beeldspraak zijn proza wel erg machtig, als cake van beslag waar overijverig de lucht uit is geklopt, maar goed gedoseerd levert het smakelijke zinnen op, die Rochus’ belevingswereld scherp typeren. Kantoortorens op de Zuidas hebben een ‘pokerface van reflecterend glas’, een vervelend figuur is een ‘ingegroeide teennagel van een vent’ en als de trams het rangeerterrein bij zijn huis oprijden, luidt het: ‘Je kunt daarbij net zien hoe onder het uitvallen en weer aanspringen van de binnenverlichting de grijplussen zwaaien. Als een galgenveld bij onweer.’

Op de helft van de roman wordt Rochus’ glijval gebroken door zijn verliefdheid op Alma, een kloek type dat wel weet hoe ze het leven moet aanvliegen. Heel even heb je medelijden met hem dat hij veertig moest worden om zijn mulischiaanse vrouwbeeld af te schudden: ‘Dat dit echt is, ik kan er niet over uit: sekseoverschrijdende kameraadschap. Laat nooit meer iemand beweren dat het niet bestaat. Alma – durf ik het te zeggen? – is mijn vriend.’

Zij haalt hem over om samen zes weken vrijwilligerswerk te verrichten in vluchtelingenkamp Kara Tepe op Lesbos. Hun verblijf daar tilt de roman naar een hoger plan: waar Rochus’ houding in Amsterdam nog weleens als kokette weltschmerz aandeed, wordt hij op Lesbos hard geconfronteerd met de vluchtelingencrisis. Vrij van effectbejag of goedkoop sentiment roept Wesseling de uitzichtloze toestand op, en laat hij zien hoe de bewoners steeds restjes veerkracht uit hun beschadigde geest en lichaam weten te peuren, terwijl hij zelf tegen dilemma’s oploopt over goed handelen en schijnheiligheid: ‘Maar contact maken is de opdracht, laten zien dat het Westen zijn armen opent, al moet het er speciaal voor naar je toe komen zodat je blijft waar je bent.’

Met zijn maatschappelijke activisme legt Rochus een generatieconflict bloot. In tegenstelling tot Sjako slaagt hij erin tot concrete actie over te gaan, maar niet zonder zich een ramptoerist te voelen. De eind-twintigers met wie Alma en hij op Lesbos verblijven, hebben daar geen last van: ‘Ze zijn juist in alles zeer uitgesproken, onvermurwbaar, uitsluitend affirmatief in hun levenshouding.’ Ook Alma is pragmatisch: ‘Soms is handelen gewoon alleen handelen.’

Gezien zijn achtergrond – hij valt net tussen de verloren generatie van Sjako en de idealistische millennials – en omdat we hem ondertussen ook als wat cynisch en misantroop hebben leren kennen, verbaast het niet dat Rochus na thuiskomst terugvalt in oude patronen. Maar dan, wanneer je het niet meer verwacht, maakt hij toch nog een ontwikkeling door. Op een intiem bedrijfsfeestje, te midden van zijn fietsbuddies, overvalt Rochus plots het inzicht dat verbondenheid het leven zin geeft: ‘Hoezeer ik ook mijn best heb gedaan om nergens bij te horen, toch waren ze er steeds, en ben ik ze als familie gaan beschouwen.’

Dit is het moment waarop Wesseling zijn roman lekprikt. Met de thema’s die hij aansnijdt – de effecten van globalisering op de leefbaarheid van de stad, de hypocrisie van obligate maatschappijkritiek – zit hij met een economische recessie in het verschiet heel dicht op de tijd. En niet dat het geen waardevol inzicht is, dat de mens bestaat in zijn relaties met anderen. Het maakt het juist des te teleurstellender dat Midzomer, stadsmoe met zo’n dooddoener eindigt: ‘Hoe dan ook, het is zo’n beroerde wereld niet als Alma erin rondloopt.’ Het verhaal zit erop wanneer de vrouw haar inspirerende werk heeft gedaan. Net wanneer je denkt: laat maar zien dan, Wesseling.