Dichtbij

Triomfantelijk stond ik vorige week in de Judenstrasse in Wenen. Ik ben er nog steeds, dacht ik vol vreugde. Zo!
Ik had even daarvoor op een brug over de oude Donau gestaan. Helemaal niet blauw en geen wonder, je ziet de riolen erin leegstromen.

Wenen, een stad met prachtige paleizen en gebouwen, vol perfect onderhouden monumenten, schoon, met een autovrije binnenstad vol witte mensen. Iedereen wandelt er in een rustig tempo, het schijnt dat de inwoners geen haast hebben. Door de vele koetsjes ruikt het er lekker naar paarden.
De volgende dag werd de stad overgenomen door tienduizenden voetbalfans en dat maakte nogal een bizar verschil. In plaats van de bedaagde stad, waarin die rustige mensen ook nog traditioneel keurig gekleed zijn, was er een bonte mengeling van bierdrinkende Italianen en Nederlanders, veelal met ontbloot bovenlijf in en rond fonteinen en terrassen. De Weners vonden het allemaal best.
Op elke straathoek stond een busje met tot de tanden toe gewapende politiemensen. Er is niets gebeurd. Later was de sfeer in het stadion opwindend, er is voor, tijdens en na de wedstrijd niets gebeurd.
Ik vond de omslag van Wenen grappig om te zien en ik heb genoten van mijn bezoek aan monumenten en musea. Het museum heeft een Breughelzaal die een bezoek aan Wenen al de moeite waard maakt.
Tegelijkertijd was ik me heel erg bewust van het feit dat ik op enkele tientallen kilometers afstand was van Bratislava. Het is slechts vier uur sporen naar Boedapest. Het is dichterbij Sarajevo dan de afstand Amsterdam- Parijs.
Krankzinnig toch, je bent in een feestvierende stad vlakbij de hel op aarde. Europa!