In eigen beheer

Dichten zonder uitgever

Hoe groot is het belang van publiek voor de vrijetijdsdichter? Poëzie in de marge: een rondgang langs de grenzen van het vak.

Vlak voor de eeuwwisseling joeg de Italiaanse accountant Franco de Longis zich een kogel door het hoofd. Kort daarvoor was zijn roman Il cerchio (De cirkel) verschenen. Op de dag van de zelfmoord verschenen advertenties voor het boek in nationale en internationale dagbladen, met citaten uit lovende besprekingen in Die Zeit, Le Soir, El Mundo en The Times. Longis, auteur van het meesterwerk, zou de grootste levende Italiaanse schrijver zijn, een toekomstige Nobelprijswinnaar en «de zoon van Leonardo da Vinci». De verkoop van zijn boek was alleen al in Italië «in recordtijd» de vier miljoen gepasseerd en de Engelse vertaling vloog in Amerika de deur uit. Op het moment dat Longis de loop van een Smith & Wesson-geweer aan zijn slaap zette, zond een lokale televisiezender in Italië een interview met hem uit waarin hij zelf enkele van de lovende citaten voorlas. Het bleek werk van eigen hand. De 52-jarige accountant had niet alleen betaald voor de publicatie van zijn inmiddels 25ste boek en voor de advertentieruimte in de krant, ook de citaten en de verkoopcijfers had hij zelf verzonnen. In werkelijkheid haalde de verkoop de veertigduizend. Ook niet misselijk, maar het accountantskantoor van Longis was de enige afnemer. Klanten van het kantoor vonden het boek in hun kerstpakket. Schrijver Bas Heijne merkte indertijd op dat behalve doldwaze vergelijkingen, kwalificaties en holle recensentenslogans Longis in de advertenties niets had geschreven over het boek. De plaats van handeling blijft onduidelijk, net als het perspectief en de plot. De auteur had het allerslechtste, ronkende recensenten proza overgenomen. Het ging hem louter om de roem.

Ook in Nederland dromen veel vrijetijdsschrijvers van de uitgave van eigen werk. Volgens een onderzoek van het Nipo in 1997 blijkt die groep uit bijna een miljoen mensen te bestaan. Wat poëzie betreft: volgens een Nipo-onderzoek van twee jaar later hebben tachtigduizend mensen een in eigen ogen kant-en-klare bundel in de la liggen. Als zij bereid zijn ervoor te betalen, kunnen ze terecht bij de onderneming Mijneigenboek, een dochterorganisatie van Gophers Publishers in Groningen, die brood ziet in de getallen van het Nipo. In plaats van het standaard afwijsbriefje ontvangt de dichter van Mijn eigenboek een offerte. Voor de publicatie betaalt hij het salaris plus de onkosten van de uitgever, te beginnen bij 2200 gulden voor tien stuks. «Maar een oplage van tienduizend kan ook. Hoe hoger de oplage, des te lager de extra kosten», aldus een medewerker van de uitgeverij. «Bij ons kunnen auteurs zelf bepalen of ze hun manuscript wel of niet professioneel willen laten redigeren, hoe ze hun boek willen vormgeven en welke publiciteit ze rondom hun boek wensen.»
Emmy van Dijk belandde bij Mijneigenboek via het radioprogramma Mensen wensen. Nadat Jan van Veen al verscheidene door haar toegestuurde gedichten had uitverkozen voor zijn programma Candle Light, was haar «hartenwens» de publicatie van een eigen bundel. Ze dicht, zo legt ze uit, omdat het levensgeluk van haarzelf, maar ook van anderen ermee geholpen is. «Mijn gedichten hebben therapeutische waarde, voor mezelf, maar vooral ook voor anderen. Dat merk ik in onze parochie. Mensen komen op mij af om te zeggen dat ze er echt iets aan hebben.» Van Dijks motief en stijl zijn duidelijk. In het begin van haar debuutbundel Een zonnetje op een lentedag dicht ze: «…poëzie zal nimmer sterven/ Voor mens en dier die lijden/ hoop ik hiermee te geven betere tijden.»

Van Dijk dicht ook om commentaar te geven op de actualiteit. «Dat is het fijne van dichten, je kunt je mening kwijt. Zo heb ik een gedicht geschreven over de huwelijksvoltrekking van Marilène en prins Maurits. Daar was toen veel over te doen, ook in onze parochie, omdat mensen van verschillend geloof met elkaar trouwden, en omdat prinses Juliana ter communie ging. Ik schreef dat het moest kunnen. Gelukkig waren veel mensen het met mij eens. Want: ‹Jezus zelf nodigde met brood en wijn/ op zijn laatste avondmaal/ vijanden vrienden in zijn samenzijn/ dat spreekt toch duidelijke taal.› » (Uit het gedicht Twee geloven.)

Jaarlijks wenden zich zes- tot achthonderd dichters tot uitgeverij De Beuk in Amsterdam met het verzoek om publicatie van hun verzen. De Beuk is in 1953 opgericht door Johan Polak, Frits Knuf en de huidige directeur Wim Simons. Ooit lieten Vinkenoog, Van Hattum en Andreus hun poëzie uitgeven door De Beuk, een uitgeverij die bekend staat om haar ruimhartige uitgeefbeleid. Simons is een liefhebber die de poëzielezer een «snuffelaar» noemt: iemand die gebaat is bij een groot aanbod. Hij brengt poëzie aan de man met de inlegfolder «poëzie voor een koopje», waarin de eenvoudige aanbeveling: «Neem zo'n bundel mee als u bij vrienden op bezoek gaat. Het is eens wat anders dan een bloemetje en het is blijvender.»

In een ruim vertrek in een prachtig pand in Amsterdam-Zuid legt Simons uit dat dichters een financiële bijdrage leveren voor de publicatie van hun werk. «Wat wij hier doen, is natuurlijk niet commercieel aantrekkelijk. Vandaar de eigen bijdrage die ik vraag, alhoewel die nooit hoger zal zijn dan de helft van de kosten.» Daardoor kan Simons het grote aantal van 35 poëzietitels per jaar uitgeven. «Wat commerciële uitgeverijen vergeten is dat er een brede basis nodig is om de top te kunnen dragen.»

Toch houdt hij dichters als Emmy van Dijk buiten de deur. Simons: «De therapeutisch en bevoogdend dichtende medemens willen we niet.» Zijn compagnon, de dichteres Carla Dura, vertelt: «In veel ons toegestuurde gedichten wordt alles uitgeschreven. Terwijl poëzie uiteindelijk een sublimatie moet zijn. Daarvoor is het verdicht. De lezer moet de kans krijgen de verbeelding aan het werk te zetten.» Haar poëzieopvatting komt er soepel uit, wat te maken kan hebben met de vele afwijzingsbrieven die ze schrijft. Want anders dan bij commerciële uitgeverijen krijgt elke inzender van De Beuk een persoonlijke brief waarin wordt ingegaan op de toegestuurde gedichten.

Niet iedereen is daar blij mee. «Zeker voor louter therapeutisch dichtende toezenders is kritiek niet prettig. Zij beweren dat iedereen in hun omgeving diep onder de indruk is. Ze begrijpen niet waarom wij dat niet zijn, daar raken ze door gepikeerd.»

De creatief therapeute Corry Cleven, die «veel met poëzie werkt», benadrukt dat bij therapeutisch dichten de kwaliteitsvraag roet in het eten kan gooien. «Het gaat erom dat een cliënt verwarrende gevoelens in taal giet en ze daarmee buiten zichzelf plaatst. Een gedicht vraagt om een heel heldere kern van gevoel. Die moet je naar boven halen. Dan moet je niet over poëtische kwaliteit beginnen.» Ook is het volgens Cleven belangrijk hulpzoekenden te confronteren met gedichten van anderen. Namen zijn haar ontschoten, maar: «Dichters hebben een stuk ervaringsdeskundigheid waar cliënten van kunnen leren.»

Ondanks Simons’ afkeer van het therapeutisch dichten glipt er weleens een zelfhulpgedicht langs De Beuks controleposten. Zo schrijft de Schiedammer Kees Blokland in een onlangs door Simons uitgegeven dichtbundel de ene na de andere gebeurtenis van zich af, zoals het afscheid van een geliefde: «zoals het was/ het leven en de lach/ geen masker ooit/ zo echt en ach/ ze heeft gekozen/ en gewikt/ haar zin beschikt/ en zonder blozen/ wat moest gedaan/ haar weg gegaan.»

Ook voor de arts Coes Delprat werkt poëzie heilzaam. Met drie kennissen komt zij maandelijks bijeen om te dichten. «Het bijzondere ligt erin dat je begonnen bent met drie mensen omdat je het plezier in woorden deelt, en dit is uitgegroeid tot een groepje dat een speciaal deel van je echt beluistert.» Tijdens een bijeenkomst heeft een van de vier een opdracht voorbereid die de anderen hem gaven. Er moet worden gedicht over een werkwoord, naar aanleiding van een foto, of een van de vier krijgt de opdracht: van enkelvoud naar meervoud. Daarna worden de resultaten voorgelezen. «Dat is erg belangrijk. Want pas als je de zinnen hardop leest, vormen ze een gedicht. Het gedicht verkrijgt bestaansrecht als het je eigen oren weer binnenkomt.»

Delprat zou een vreemde plaats innemen in het Nipo-onderzoek. Ze schrijft haar gedichten niet met het oog op publicatie. Sterker, ze heeft liever niet dat mensen buiten de intieme sfeer weten van haar poëtische activiteiten. «Laatst vroeg een collega mij hoe het was geweest op het dichtersweekeinde, terwijl de dienstdoende EHBO-zusters erbij stonden. Dat vond ik irritant, zij hoeven niet te weten dat ik dicht. Je schrijft vooral over jezelf. Het is een manier om je eigen dingetjes te benaderen, vanuit een onverwachte hoek de boel onder woorden brengen. Je bekijkt wat extra hoekjes van je kamer. Niet iedereen hoeft die te zien.»

Van de heilzame dichtersactiviteiten van Delprat naar de doodgeboren roman van Franco de Longis is een grote stap. Toch is ook van de Italiaanse accountant bekend dat hij na zijn dood enkele dichtbundels heeft achtergelaten. Hoe therapeutisch van aard die ook zijn — niemand heeft ze ooit besproken — hem heeft het dichten niet meer mogen baten.