Dichter bij de dag

Hoeveel actualiteit kan de poëzie verdragen? Die vraag dient zich elke werkdag weer aan, zo tegen koffietijd, op Radio 1, als het weer tijd is voor de Dichter Bij De Dag. Dat is iemand die zich tijdens de uitzending laat inspireren door het studiogesprek en hup, meteen een gedicht schrijft dat hij voordraagt door de telefoon. Hij is het radiobroertje van Nico Dijkshoorn, maar dan zonder grappig te willen zijn. Dan zit er, laten we zeggen, een wethouder een half uur te zwatelen over ruimtelijke ordening en de fileproblemen, en na het doffe ‘graag gedaan’ waarmee hij zijn optreden onvermijdelijk afsluit komt de Dichter Bij De Dag aan de lijn, met een weeïge lofzang op de weegbree in de bermen en hoe erg het is dat de vogels hier niet meer zingen en de koeien nog slechts kermen. Want meestal rijmt het ook nog allemaal.
'Bedankt voor dit mooie gedicht.’
'Graag gedaan.’
Ik vind het jammer dat die poëzie altijd via een telefoonlijn komt. Telefoon degradeert een stem op de radio onmiddellijk tot tweederangs. Telefoonlijnen zijn voor zeurpietbellers, standpunt-nl'ers of correspondenten in achterlijke landen zonder internet. Alleen stemmen met studiotimbre hebben gezag. Ook jammer: het geluid in de studio gaat uit op het moment van de poëtische voordracht. Ik zou wel eens het onbedaarlijke geschater of ongeduldige gesnuif van zo'n bestuurder willen horen, op zo'n poëtische reflectie op de actualiteit.
Overigens ben ik altijd maar matig enthousiast over die gedichten. Ik zeg daar meteen bij dat ik de laatste persoon ben die daarover mag oordelen. Over vrijwel alle poëzie die ik voorgedragen hoor worden ben ik namelijk matig enthousiast. Wat poëzie betreft ben ik net zo'n oppervlakkige leek die de diepere bedoeling achter een stapel autobanden in een galerie niet snapt, of die nijdig wegschakelt van Radio 4 als er modern gecomponeerd werk voor snelbinder, badeend en koekenpan wordt vertolkt. (Van onze belastingcenten, zou ik bijna vergeten toe te voegen.)
Maar goed, Radio 1 doet in elk geval een poging om poëzie en actualiteit met elkaar te verbinden, en dat is toch nobel? Welja, even nobel als de gebroeders Schlegel, die tegen het einde van de achttiende eeuw hun ideaal van een Universalpoesie lanceerden. Alle lyrische vormen zouden hierin samenkomen, en versmelten met alle facetten van het leven. De poëzie zou maatschappelijk worden, en de maatschappij poëtisch. Dag en dichter zouden elkaar naderen. Of in Friedrich Schlegels woorden: 'Sie will und soll auch Poesie und Prosa, Genialität und Kritik, Kunstpoesie und Naturpoesie bald mischen, bald verschmelzen, die Poesie lebendig und gesellig und das Leben und die Gesellschaft poetisch machen.’
Als nuchtere burger lees je zo'n traktaatje toch met een scheutje verbazing. Zo, zo. En hoe dacht jij dat allemaal voor elkaar te gaan krijgen, das Leben und die Gesellschaft poetisch machen? Ach zo… Met een paar… gedichtjes. Het heeft iets akelig puberaals, hoe grenzeloos kunstenaars de reikwijdte van hun eigen metier overschatten. Schrijvers schreeuwen dat boeken de wereld gaan redden, schilders leren de mensheid opnieuw zien, dichters poëtiseren de dag.
Nergens is het gejubel echter zo groot als onder architecten. Goed, die máken dan ook echt iets, iets wat voor hele volkstammen, of ze willen of niet, een rol in hun leven gaat spelen.
'Wat is bouwkunst?’ vraagt Walter Gropius (1883-1969; Mahlers vrouw ging met hem vreemd en trouwde daarna met hem). 'Het is de kristallen uitdrukking van de edelste gedachten der mensen, van hun inborst, hun menselijkheid, hun geloof, hun religie!’
Ook bij mannen als Berlage of Le Corbusier lees je het: hun bouwwerken zouden vrede en welzijn laten neerdwarrelen over de hoofden en harten van de stadsbewoners. Eigenhandig zouden ze een nieuw paradijs bouwen. Kom daar nog maar eens om bij zo'n wethouder ruimtelijke ordening!
Vooral de bouwkunst illustreert wat je de noodzakelijke megalomanie van de kunstenaar kunt noemen. Wie níet gelooft dat het bouwwerk dat hij ontwerpt een ongekende zegening voor de bevolking betekent, zadelt de hele stad, ja zelfs hele naties en generaties, met lelijkheid op. Graag gedaan.
Een slecht gedicht kun je omslaan, een slecht gebouw niet. Op de radio zit een knop, op een kantoortoren niet. Hoe groter het publiek, hoe meer het kunstenaarschap een ethische opgave blijkt. En hoe meer arrogantie er dus voor nodig is om die taak trefzeker te volbrengen. Zelfoverschatting is geen bijkomstige, excentrieke karaktertrek, maar een voorwaarde. Hoe terecht die overmoed is, ja, dat is vers twee. Die dromen van Gropius en Berlage lijken nog naïever nu we ze waarnemen door de rookwalmen heen die kort erna volgden: beurskrach, crisis, Tweede Wereldoorlog. En ik geloof niet dat de maatschappij na de broertjes Schlegel nu zoveel poëtischer is geworden.
Maar zolang er Dichter Bij De Dagen zijn, is er nog hoop.