Dichter bij de duivel

De centrale vraag in Afscheid van de koloniën van John Jansen van Galen over het Nederlandse dekolonisatiebeleid in oost en west is: heeft Nederland het nu werkelijk zo slecht gedaan?

John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, € 44,95

Ruim dertig jaar terug schreef John Jansen van Galen, toen werkzaam bij de Haagse Post, met collega Herman Vuijsje een boek over de oude Willem Drees. Ze bezochten de man ook. Drees was op dat moment ver in de negentig, bijna blind, doof maar nog altijd goed bij zinnen. Een van de onderwerpen die tijdens het bezoek ter sprake kwamen, was de dekolonisatie. Hoe kon het anders? Drees was de grote politicus van de naoorlog en onder zijn gezag was Nederland definitief veranderd van een kleine natie met een groot wereldrijk in een kleine natie met bijna niets meer.

De internationaal-politieke verandering onder Drees was echter verre van soepel verlopen en een groot deel van de verantwoordelijkheid daarvoor werd op het conto van de pvda en haar voorman geschreven. Aanvankelijk kwamen de verwijten over de grimmig verlopen dekolonisatie vooral van buiten – van de Amerikanen, de Verenigde Naties en de Indonesiërs zelf natuurlijk – maar vanaf de jaren zestig klonk daarover ook in Nederland steeds meer verontwaardiging. Zelfbeschikkingsrecht was ‘in’, koloniaal denken ‘uit’ en iedereen die anders meende of gemeend had, kreeg een veeg uit de pan. Zo ook Drees. Hoezeer hij door het gros van de bevolking vanwege zijn sociale politiek ook werd bewonderd, in kringen van studenten en kritische intellectuelen werd hij tevens als vertegenwoordiger van falend internationaal-politiek beleid gezien.

‘Wat hadden ze dan gewild?’ antwoordde Drees op de vraag van Jansen van Galen Vuijsje naar de ondertussen ingesleten kritiek op dat beleid. De twee beschrijven de man in zijn erkertje aan de Haagse Beeklaan, de handen regelmatig in wanhoop boven het hoofd geheven. ‘Had Nederland al het bedrog en de voortdurende woordbreuken van de Indonesiërs maar voor lief moeten nemen? Had het de kolonie zonder slag of stoot aan een stel collaborateurs met Japan moeten overdragen? Of hadden we het op een volslagen koloniale oorlog moeten laten aankomen… Trouwens: had Nederland het nu werkelijk zo slecht gedaan?’

Deze laatste vraag speelt de centrale rol in het dikke boek van John Jansen van Galen over het Nederlandse dekolonisatiebeleid. De auteur is een van Nederlands meest vooraanstaande journalisten van de – ik ben geneigd te schrijven – babyboomgeneratie, maar eigenlijk klopt dat niet: Jansen van Galen is van 1940 en dus te oud om babyboomer genoemd te kunnen worden. Hij is van de leeftijd van Joop van Tijn en Martin van Amerongen, maar studeerde wel (af) in de jaren zestig en verkeerde evenals de genoemden en vele babyboomers vervolgens intensief in het wereldje van kritische journalisten en intellectuelen die elkaar ontmoetten in het Amsterdams-Hilversumse, bij bladen als de Haagse Post en Vrij Nederland of een omroep als de vpro.

Niettemin en wellicht door zijn leeftijd heeft Jansen van Galen herinneringen aan een wereld die in die periode volledig voorbij was. Hij vertelt erover in de inleiding van zijn boek. Hoe hij na de oorlog op het schoolplein lelijke liedjes zong over ‘de nationalistische stokebrand die ons die “gordel van smaragd” af wilde pakken: “En wat doen we met Soekarno als hij komt? We maken er kachelhoutjes van!”’

‘Er woonden in de villawijken van ons dorp [Velp] veel families uit Indië’, schrijft hij, ‘planters, bankiers en koloniale ambtenaren. Ontijdig uit het paradijs overzee verdreven rentenierden zij… In een rijtjeshuis dicht bij ons woonde een zwijgzame donkere kantoorbediende van wie ik pas veel later hoorde dat hij uit Suriname kwam. Bij schoolvriendjes thuis – hun ouders geen kolonialen, maar “kleine luyden” – hingen Javaanse batikdoeken tegen de schoorsteenmantel, met een kris schuin erop. Mijn vader luisterde graag naar de nostalgische klanken van de Mena Moeria Minstrels over het wonderschone Ambon. Later klonk soms muziek uit de West uit de radio, van Max Woiski, met liedjes die meer koddig dan weemoedig waren, zoals bb met r, dat is bruine bonen met rijst.’

Zeer vroeg in zijn carrière begon Jansen van Galen zich voor deze in geest voorbije maar in fysieke zin altijd nog bestaande wereld te interesseren, met een lange reeks publicaties tot gevolg. Zijn eerste bezoek aan Suriname dateert van 1970, in opdracht van de Haagse Post en de vpro. Over dat land zou hij vervolgens een handvol boeken publiceren. Begin jaren tachtig schreef hij een serie artikelen c.q. een boek over ‘ons laatste oorlogje’ (aldus ook de titel): de pogingen van Den Haag om Nederlands-Nieuw-Guinea te behouden. En een kleine tien jaar geleden schreef hij uitvoerig over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen. Al met al een tijdspanne van meer dan veertig jaar ‘dekoloniale’ arbeid. Ik geloof niet dat er in Nederland iemand is die dat evenaart.

Voorlopig eindresultaat van al die arbeid is voorliggende pil, oorspronkelijk bedoeld als dissertatie maar door Jansen van Galen zelf als zodanig teruggetrokken en nu als ‘gewoon boek’ gepubliceerd. Is het daardoor minder geworden? Verre van. Het beetje dat verloren gaat door het ontbreken van tientallen pagina’s met verwijzingen wordt ruimschoots vergoed door leesbaarheid, engagement en kwetsbaarheid. Vooral de laatste twee aspecten doen je als lezer telkens weer opschrikken. De auteur verdwijnt nooit helemaal uit zijn tekst en toont regelmatig wat elk goed boek toont: dat het geschreven moest worden, fysieke noodzaak.

Toch is er van de dissertatievorm nog wel een en ander terug te vinden. De traditionele opzet bijvoorbeeld. Jansen van Galen volgt braaf de chronologie, vertelt eerst (deel 1, tot 1940) over het ontstaan van het imperium en de kritiek daarop, dan (deel 2, 1940-1975) over de ondergang van dat imperium in oost en west en tot slot (deel 3, 1975-heden) over het moeizame gedoe van een koninkrijkje dat onbedoeld en ongewild met enkele overzeese gebiedsdelen bleef zitten. Een dissertatieachtig element is ook de over het algemeen wat droge toon en feitelijke inhoud – droger en feitelijker dan je van een vooraanstaand journalist uit het ik-tijdperk zou verwachten. Maar vervelend wordt het nooit. En Jansen van Galen kan zijn afkomst toch niet verloochenen: al met al staan er in Afscheid van de koloniën verhalen en anekdotes te over.

Overigens zijn die verhalen en anekdotes kenmerkend voor een journalistiek-wetenschappelijke vorm van schrijven die ten onrechte op de academie nogal eens als anekdotisme wordt afgedaan. Jansen van Galen schrijft over het algemeen van klein naar groot, van details naar tendensen. In de meeste academische stukken doet men het precies andersom: men constateert tendensen en illustreert die met voorbeelden. Het verschil tussen de ene en de andere werkwijze kan minimaal zijn maar is meestal groot: de andere klemtoon brengt een ander boek met zich mee; het ene gaat over mensen, het andere over tendensen. Over mijn voorkeur bestaat geen twijfel.

Terug naar wat ik de kernvraag van dit boek noemde, de vraag ook die de oude Drees in zijn wanhoop opwierp: hebben ‘we’ het zo slecht gedaan? De vraag fascineert me te meer omdat ik in een recent pleidooi voor een zwarte canon van de vaderlandse geschiedenis (een jaar terug in dit blad, binnenkort in boekvorm) beweer dat we op dit moment de neiging hebben vooral de mooie kant van ons verleden te beklemtonen. Met verwijzing naar het werk van Cees Fasseur, Wim van den Doel en Loe de Jong is Jansen van Galen het daar niet mee eens en hij schrijft onder meer op basis van een belangrijk artikel uit 2001 van de onlangs gestorven Jos de Beus (God dekoloniseert niet) dat de koloniale prestatie over het algemeen als ‘een eeuwenlange aaneenschakeling van het kwaad’ wordt gezien.

‘“Wij” zijn daar toen slecht bezig geweest’, schreef De Beus, ‘“wij” deden dat omdat we niet deugden, “wij” moeten dat openlijk en regelmatig bekennen (de talloze conservatieven onder ons willen nog steeds niet deugen), en “wij” moeten lering trekken uit de mislukking en het diskrediet van onze ouders en voorouders.’ Het is uit deze formulering duidelijk dat de auteur het met deze verwijten niet eens is. Hetzelfde geldt voor Jansen van Galen. Hij zegt niet dat we het goed hebben gedaan, maar slecht? Dat evenmin.

Van de gewezen koloniën is Suriname het land waar Jansen van Galen het meest over heeft gepubliceerd, het land ook waar hij het meest mee heeft. Hij weet daarom beter dan wie ook dat het dekolonisatieproces daar niet goed verlopen is. Vanzelfsprekend denk je daarbij in de eerste plaats aan de decembermoorden (1982), maar die zijn niet los te zien van de context. Jansen van Galen beschrijft die uitvoerig: hoe Nederland en Suriname kozen voor een wat hij noemt ‘wederzijdse omknelling in een pas de deux’: Suriname bleef na de onafhankelijkheid in 1975 sterk op Nederland gericht terwijl Nederland zich, niet in de laatste plaats vanwege een lastige combinatie van schuldgevoel en domineesmentaliteit, voor het land verantwoordelijk bleef voelen. Een en ander leidde ertoe dat Suriname zich niet echt (lees: zelfstandig) ontwikkelde en dat Nederland steeds meer geld overmaakte. Toen Nederland vervolgens na de decembermoorden de geldkraan dichtdraaide, stortte in Suriname de economie in en ervoer het land niet alleen een dictatuur maar ook ongekende misère en toenemende criminaliteit.

De Surinaamse mislukking roept de vraag naar het goed en kwaad van de dekolonisatie opnieuw op: zou die als universeel principe niet ook slecht kunnen zijn, in sommige situaties wellicht slechter dan kolonisatie? Brengt niet elke consequentie ons, om het met Luther te zeggen, dichter bij de duivel?

Het antwoord van Jansen van Galen op deze laatste vraag is ontegenzeggelijk bevestigend. Hij is vanzelfsprekend ver verwijderd van elke vergoelijking van het kolonialisme. Die staat in het geheel niet ter discussie. Maar de politiek correcte vanzelfsprekendheden waarmee het kolonialisme (in ieder geval tot voor kort) veroordeeld werd, zijn evenmin geldig. De vervolgvraag kan er maar één zijn: wat is het juiste standpunt dan wel?

Complex. Helaas maar waar. Aldus de conclusie van dit boek. Een aspect van die complexe slotsom is de overtuiging van Jansen van Galen dat het Nederlandse dekolonisatiebeleid zich weliswaar altijd als principieel gepresenteerd heeft, maar feitelijk pragmatisch was en zich dus steeds weer aanpaste aan de behoeften, mogelijkheden en vooringenomenheden van het moment. Dit verklaart deels ook het grote verschil tussen het kolonisatiebeleid tegenover Nederlands-Indië en tegenover de gebieden in de West. Wat in de jaren veertig nog mogelijk leek, was in de jaren zeventig ondenkbaar. Vandaar alle moeite die men zich in de ene periode getroostte om de kolonie te behouden en in de andere periode om ervan af te komen – met als kanttekening dat de belangen wel van verschillende orde waren: Nederlands-Indië was zowel economisch als cultureel een waardevol bezit, Suriname de Antillen waren in verhouding onbetekenend. Hoe dan ook, beide pogingen mislukten. Nederlands-Indië maakte zich los en de banden met Suriname en de Antillen bleven geheel of gedeeltelijk bestaan.

Anders gezegd: al was het koloniaal beleid wellicht niet zo fout als veelal wordt betoogd, datzelfde kan niet gezegd worden van het dekolonisatiebeleid: dat mislukte. Toch is ook dat niet wat Jansen van Galen concludeert. Opnieuw neemt hij, saai maar vermoedelijk terecht, een tussenpositie in. Het beleid ontspoorde in Nederlands-Indië ‘in laakbare gewelds­daden’, schrijft hij, ‘liet de Papoea’s teleurgesteld achter’, schiep chaos in Suriname, maar het heeft ook gepoogd ‘in Indonesië een toekomst­bestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden’, en het heeft ‘met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van ­gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd. Geschiedenis is nooit eenduidig, ook deze niet.’

Het zijn niet alleen de laatste woorden van een kleine zeshonderd pagina’s doorwrocht proza, het zijn ook de woorden van een man die heel zijn leven in de journalistiek heeft doorgebracht en in die positie veelal snelle, korte lijnen moest trekken. Nu hoeft dat niet meer. Omwegen zijn toegestaan. Een verademing.


John Jansen van Galen
Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid, 1942-2012
Atlas Contact, 606 blz., € 45,-