Interview met Herman Wijffels

Dichter bij de klant

Herman Wijffels wil de Wereldbank-medewerkers het gebouw uitjagen, naar de klanten in sub-Sahara Afrika en de arme delen van Zuid-Amerika en Azië. ‘Daar waar de bank nodig is.’

WASHINGTON – Hij was voorzitter van de interne commissie die uiterst kritisch oordeelde over de handelwijze van voormalig directeur Paul Wolfowitz. Als Nederlands permanente bewindvoerder bij de Wereldbank controleert hij – en werkt hij nauw samen met – de nieuwe directeur Bob Zoellick, die ook is aangesteld door het Witte Huis. ‘Anders dan Wolfowitz wantrouwt hij de medewerkers niet.’ Herman Wijffels is hoopvol gestemd over de nieuwe leiding van de ontwikkelingsbank. Bovendien heeft Zoellick geen neoconservatieve medewerkers meegenomen naar de bank, noch adviseurs van de regering-Bush.

‘Hij maakt de inventaris op, en pas daarna zal hij beslissen door wie hij zich laat adviseren’, zegt Wijffels. ‘Zoellick lijkt te begrijpen hoe je een zo grote instelling als de Wereldbank moet besturen.’

Natuurlijk heeft ook Bob Zoellick de schijn tegen in een organisatie waarin Amerikaanse Republikeinen op weinig steun kunnen rekenen. Dat is niet onbegrijpelijk: sinds Clinton is vertrokken heerst in het Witte Huis, zeker bij vice-president Cheney en zijn medewerkers, een diep wantrouwen tegen internationale organisaties in het algemeen en de Wereldbank in het bijzonder. Maar Wijffels maakt zich geen zorgen over beïnvloeding vanuit het Witte Huis. ‘Daarvoor is de positie van president Bush inmiddels al te zeer verzwakt. Zijn presidentschap loopt op de achterste benen.’

Na een problematische periode onder Wolfowitz is het volgens Wijffels een verademing om met frisse moed weer aan de slag te kunnen gaan. Terugkijkend zegt hij: ‘De angst was dat Wolfowitz een actieve politiek zou voeren om de Wereldbank te ondermijnen, in overeenstemming met de ideologie van veel neoconservatieven. Die zien de Wereldbank immers als een corrupt en overbodig instituut. Maar verrassend genoeg voerde Wolfowitz helemaal geen beleid, niet ondermijnend, maar ook niet constructief. Gewoon: niets. Als een eerste man in een organisatie binnenkomt, wil hij doorgaans direct duidelijk maken waar hij met de club naartoe wil. Ook dat deed Wolfowitz niet. Er werd in de organisatie plotseling niet meer nagedacht over de strategie van de organisatie. En in dat vacuüm kwam de corruptiebestrijding bovendrijven. Die kreeg daardoor een grotere betekenis dan ze eigenlijk heeft. Ik ben voor corruptiebestrijding, wie niet, want als geld in verkeerde zakken terechtkomt, is dat een obstakel voor ontwikkelingsbeleid. Maar je moet het niet overdrijven: het is slechts een van de instrumenten voor een efficiënt ontwikkelingsbeleid.’

De nieuwe man, Zoellick, is volgens Wijffels ‘een relatief pragmatisch mens’. Daarom is er behoorlijk wat ruimte voor vernieuwing en nieuwe strategieën. De centrale vraag voor de toekomst is wat de toegevoegde waarde van de Wereldbank is voor arme landen nu er veel donoren bij zijn gekomen en ook op de kapitaalmarkt vrij goedkoop geld is te halen. Er zijn in Amerika stemmen in de conservatieve hoek – ook binnen de regering-Bush – die de Wereldbank overbodig vinden omdat de rente op de kapitaalmarkt laag genoeg is, ook voor arme landen. Wijffels ontkent dat: ‘Bovendien is de Wereldbank meer dan een financieringsinstituut. Wij leveren ook beleidsadvies en expertise. Dat geldt voor de aanleg van infrastructuur, zaken als onderwijs, gezondheidszorg, de vernieuwing van rechtssystemen. Het is een loze bewering dat de kapitaalmarkt die rol van de Wereldbank zou kunnen overnemen.

Onder leiding van Zoellick moet de bank snel aan de slag met nieuwe strategieën die aansluiten bij de mondiale problemen waar arme landen voor staan. Dat geldt met name klimaatverandering en epidemieën en de gevolgen die ze kunnen hebben. Als laag liggende gebieden onderlopen als gevolg van stijgende waterniveaus zal dat een enorme stroom vluchtelingen tot gevolg hebben. Neem landen als Bangladesh of gebieden als de Mekong-delta in Vietnam, zonder zeewering. Extreme klimaatschommeling is een ander probleem: droogte en wateroverlast. Het opslaan van overtollig water in periodes van te veel neerslag voor periodes van te grote droogte. Daar moet de bank op in kunnen spelen met kennis en expertise. En daarvoor zijn grote investeringen nodig op het gebied van watermanagement.

En je moet de expertise in huis hebben. Daar heeft het de bank de afgelopen tijd nogal eens aan ontbroken. Dat geldt met name op landbouw- en energiegebied. In het bedrijfsleven heb je de afgelopen decennia een verschuiving gezien. Veel bedrijven hebben zich omgevormd; ze waren aanbodgedreven, maar zijn nu klantgedreven. Er wordt geredeneerd uit de bestaande en toekomstige behoefte; de bedrijfsorganisatie wordt daarom zo gestructureerd dat je zo dicht mogelijk bij de klant komt te zitten. Daar moet de bank een voorbeeld aan nemen. De Wereldbank is een centraal georganiseerde club met tienduizend werknemers, waarvan zeventig procent in Washington zit, terwijl het echte werk daarbuiten wordt gedaan.’

……………………………………………………………………………………………………………………………….

WASHINGTON – Niet iedereen bij de Wereldbank is het met Herman Wijffels eens dat de bankmedewerkers naar hun klanten moeten. ‘Als je te veel mensen op pad stuurt, krijg je al gauw een situatie dat de experts van de Wereldbank het werk te velde doen, terwijl het er juist om gaat dat de mensen het zelf doen’, zegt een voormalig energie-expert van de Wereldbank. Hij vertolkt een bekende mening binnen de bank. ‘Het gevaar bestaat dat de Wereldbank zich te paternalistisch opstelt.’ Juist die ‘nieuwe benadering’ (bijna niets is nieuw bij een instelling die voortdurend op een andere manier probeert de armoede te bestrijden) sluit niet aan bij de behoefte van de klant, aldus de energie-expert, die nog een ander probleem ziet in de aanpak die Wijffels voorstaat: ‘Ook het Stockholm-complex kan een rol gaan spelen. Als je daar zit, ben je eerder geneigd het standpunt van de regering over te nemen, terwijl de afstandelijke wereldbanker in Washington, die af en toe op bezoek komt, zijn blik nuchter en afstandelijk houdt. De regeringen moeten zelf verantwoordelijk zijn voor het opstellen en uitvoeren van plannen.’

De energieman geeft een eigen voorbeeld van het Stockholm-syndroom. Een Afrikaans land had eindeloos met de Wereldbank overlegd over een energieproject. De Wereldbank-expert kwam op bezoek om de zaak af te ronden. ‘Wij zijn bereid om het op deze manier te doen, en anders even goede vrienden’, was zijn boodschap.

‘Dat is chantage’, riep de premier van het betreffende land verontwaardigd uit. Maar de volgende dag zette hij toch zijn handtekening. Er kwam vervolgens niets van het project terecht. Toch wilde het land het jaar daarop een nieuwe lening. De energie-expert weigerde: ‘Ze hebben er een rotzooi van gemaakt.’

De plaatselijke vertegenwoordiger van de bank ging met de premier praten en vond dat ze toch maar verder moesten. De expert, op zijn beurt verontwaardigd: ‘Ik neem de handtekening van de premier serieus, en wat jij voorstelt is om hem juist niet serieus te nemen.’

Het gaat erom wat je als taak van de Wereldbank ziet, zegt de energieman. ‘Wil je missionaris zijn, dan moet je er gaan zitten. Wil je een ontwikkelingsman zijn, dan moet je kijken of ze zich aan de afspraken houden en ze uitvoeren. Dat is een andere Wereldbank.’

JAAP VAN WESEL