MUZIEKGESCHIEDENIS

Dichter bij God

Bach moest voor elke dienst op zondag een cantate of een passie afleveren. Haydn componeerde op bestelling meer dan honderd symfonieën. Feiten uit de muziekgeschiedenis.

HET IS GEBRUIKELIJK om muziekgeschiedenis te reduceren tot een componistengeschiedenis. Zoals Grout en Palisca het doen in hun standaardwerk A History of Western Music: een chronologische opsomming van grote componisten, hun leven, hun werk. In zijn Klinkende geschiedenis zet Leo Samama de westerse muziek juist in een maatschappelijk kader. En dat is fris en vernieuwend. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe vijfhonderd jaar geleden in opdracht van Italiaanse vorsten kinderstemmetjes werden gekaapt uit Vlaanderen en overgebracht naar de Sixtijnse kapel. Voor grote transferbedragen, zoals tegenwoordig gebruikelijk is in de voetbalwereld, waar kindertjes uit Zuid-Amerika worden gerekruteerd en geplaatst bij Europese clubs.
Samama weigert een componist te zien als een individu dat geïsoleerd in een achterkamertje mooie dingen maakt. Hij ziet scheppende kunstenaars als kinderen van hun tijd. Door zich voortdurend af te vragen voor wie een componist nou eigenlijk componeerde en wat de wisselwerking met Grote Denkers was, wordt het grote verhaal van de westerse muziek veel interessanter. Samama vertelt hoe uitgerekend Pythagoras Pierre Boulez inspireerde, de hogepriester van de hedendaagse klassieke muziek. De dirigent/componist zocht na de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog naar een nieuwe muziektaal. Die moest de mens centraal stellen, en de mens onderscheidt zich van het dier door zijn intellect, dat kan rekenen en reeksen maken. Aan de hand van matrixen met getallen waarin het toeval werd buitengesloten, componeerde Boulez vervolgens zijn muziek – en volgde zo precies de theorie van de harmonie der sferen van Pythagoras. Die had 2500 jaar eerder al geformuleerd dat afstanden tussen de planeten in ons sterrenstelsel zich weerspiegelden in afstanden en verhoudingen van tonen, en dat muziek dus een mathematische, toeval uitsluitende grondslag heeft.
Tot ver in de achttiende eeuw werkte een componist in opdracht van kerk of adel. Bach moest voor elke dienst op zondag een cantate of een passie afleveren. Haydn was een leven lang braaf in dienst aan het hof van de Esterhazy’s en leverde op bestelling meer dan honderd symfonieën af. Het doel was altijd precies omschreven: een huwelijk, een naamdag, een herdenking. Na de uitvoering was de gebruikswaarde van de muziek verlopen. Het bestaansrecht van componisten was dus het maken van muziek voor een specifiek doel.
In de loop van de achttiende eeuw ontwikkelde de bourgeoisie zich. ‘Vrije tijd’ kwam binnen bereik van grote groepen burgers, en was niet langer voorbehouden aan de getalsmatig kleine adel. Zo ontstond, aldus Samama, de anonieme concertbezoeker in de stadsgehoorzaal. Dat nieuwe publiek was minder onderlegd, dus moest er meer op effect worden gewerkt: melodieën moesten lekker in het gehoor liggen en werden daarom dikwijls ontleend aan volksmuziek. Mozart probeerde zijn muziek mooi te maken, ontroerend, emotioneel, allemaal dingen waar Bach nooit bij had stilgestaan. Het lukte Mozart buitengewoon goed om emoties over te dragen. Hij wierp zich pardoes op de luisteraar en veranderde makkelijk van stemming en kleur. En ook al maakte hij ook werk in opdracht van adel en vorst, toch werd hij zich bewust van zijn individuele stem.
Beethoven maakte zichzelf nog vrijer, bijna als een ondernemer in klassieke muziek. Hij regisseerde de verkoop van opusnummers, speelde uitgevers tegen elkaar uit en was zó zakelijk dat hij verdiende aan auteursrechten, iets wat Mozart niet gelukt was. In die vrijheid vond Beethoven nóg meer dan Mozart een individuele stem. Zo ontstonden noties als ‘verhevenheid’ en ‘genialiteit’.
De ontwikkeling vond een hoogtepunt bij Schubert. Die kwam uit het volk en woonde ertussen, in Wenen. Hij voerde zijn eigen liederen uit bij vrienden in de buurt. Hij componeerde om het componeren. Samama vergelijkt Schubert met cabaretiers van vandaag, die uitsluitend afhankelijk zijn van anoniem publiek dat een toegangskaartje koopt.
Samama zegt daarmee impliciet dat de opkomst van de bourgeoisie ruimte schiep voor de componist om tot individuele expressie te komen. De volgende stap – Samama zegt dat niet, maar het lijkt een onvermijdelijke conclusie – is dat die gevoelens niet van alle tijden zijn, maar gedateerd.
Dat vinden wij vandaag de dag een onplezierig idee, maar Bachs publiek luisterde niet naar zijn muziek als een bron van emotie, schoonheid, of persoonlijke verheffing; het was een middel om dichter bij God te komen. Daar kan het hedendaagse muziekpubliek dat elk jaar een passie bezoekt juist vanwege die schoonheid en verhevenheid weinig mee. Dat zegt iets over óns, niet over Bachs muziek.
Zo gaat het maar door, met interessante gezichtspunten voor leek en ingewijde, op een luttele acht cd’s. Samama heeft een rappe tong, al neigt hij ernaar soms een beetje schools te zijn.
Nu het Fonds voor de Podiumkunsten in al zijn wijsheid heeft besloten de subsidie van het Nederlands Kamerkoor terug te brengen tot minder dan de helft staat ook de directeur van het koor, Samama, binnenkort misschien op straat. Wellicht benut hij die tijd om de collegereeks nader uit te werken in een boek.

Leo Samama, Klinkende geschiedenis. Home Academy, acht cd’s, € 54,50 (mp3: € 43,60)