Jacques Prévert

Dichter bij het volk

Wim Hofman vertaalde werk van Jacques Prévert, die ‘mauvais Français’ schreef ‘pour les mauvais Français’.

Jacques Prévert, Voor jou mijn lief. Vertaald door Wim Hofman, uitg. Querido, 48 blz., f28,50

Jacques Prévert, Voor jou mijn lief. Vertaald door Wim Hofman, uitg. Querido, 48 blz., f28,50

Jacques Prévert, Voor jou mijn lief. Vertaald door Wim Hofman, uitg. Querido, 48 blz., f28,50


DE KAFT KRULT om, de bladzijden worden aan de randen bruin en ruiken naar oud boek: Paroles van Jacques Prévert, uitgegeven als Livre de Poche. Zo tussen mijn zestiende en twintigste was het mijn lijfboek. ‘La mère fait du tricot/ Le fils fait la guerre/ Elle trouve ca tout naturel la mère/ Et le père qu’est-ce qu’il fait le père?/ Il fait des affaires.’ Wie de schrijver was interesseerde me totaal niet, maar zijn poëzie bood wat ik nodig had: hartstocht en jaloezie, bespotting van macht en gezag, afschuw over de oorlog, en dat alles in een taal die ik ongeveer kon volgen, samengebald in heldere kleine zinnen, niet helemaal vrij van een zekere pathetiek die toen zeker aan mij besteed was.


Jacques Prévert (1900-1977) moet in die jaren zestig al een beroemdheid zijn geweest. Als een spin zat hij in een kunstenaarsweb, bevriend met Picasso, Chagall en Miro, met André Breton en Raymond Queneau, met Yves Montand, Simone Signoret en Jean Gabin. Op allerlei manieren heeft hij het Franse culturele klimaat in de decennia vóór en na de Tweede Wereldoorlog mede bepaald. Daarbij hield hij zich vooral bezig met de kunst die zich met een kleine k laat schrijven en dus voor meer mensen toegankelijk is dan alleen die uit een geïnteresseerde bovenlaag.


Prévert leverde materiaal voor het actietoneel dat werd gespeeld op het marktplein en bij de poorten van de fabriek. Hij schreef chansonteksten, waarvan sommige wereldfaam verwierven: ‘Les feuilles mortes’, ‘Rapelle toi Barbara, il pleuvait sans cesse sur Brest’. Voor zeker tien films maakte hij het script, waaronder dat voor Marcel Carné’s Les enfants du paradis (1943), nog altijd één van de grootste uit Frankrijks filmgeschiedenis, de dialogen pure poëzie, het hoofd van mimespeler Jean Louis Barrault van een onuitwisbare treurigheid. Beïnvloed door Max Ernst produceerde Prévert surrealistische collages, samengesteld uit een in de loop van vele jaren verzamelde berg knipsels. Net als in zijn teksten zet de kunstenaar ze voor aap: de rijken, de machtigen, de intellectuelen, de geestelijken, de maatschappelijk geslaagden.



DAN ZIJN er de gedichten. De eerste bundel verscheen in 1946 onder de veelzeggend simpele titel Paroles. Het verzameld werk werd uiteindelijk waardig bevonden om tweedelig bijgezet te worden in de Pléiade-serie, een canonisering die enigszins haaks staat op Préverts levenslange pleidooi in woord en daad voor het gewone. Hij was de dichter van de straat, want zoals hij zelf zei: ‘La poésie est partout, comme Dieu n’est nulle part.’ Hij had zijn hoofd niet in hoger sferen en zijn voeten op de grond. Hij was de dichter van de minder gelukten, van zwervers, hoeren en drinkebroers, van de ongelukkig verliefden, de frontsoldaten en de kinderen die de school haatten. Hij was een licht ontvlambare dwarsligger en een provocerende non-conformist. Hij preekte kinderlijkheid, wanorde en opstand en hij vond er woorden voor die ernst en lichtheid combineren, en die zonder omwegen het hart van de lezer weten te raken. ‘J’écris en mauvais français pour les mauvais Français’, is één van Préverts uitspraken.


Zijn poëzie mag geworteld zijn in Frankrijk en Parijs, met verwijzingen naar de Tuilerieën, Parc Monsouris en het Grand Palais, thematiek en taal zijn zo universeel dat overal vertalingen verschenen. De bundel Paroles bestaat in tachtig talen en is in ruim drie miljoen exemplaren over de aardbol gegaan. Nederland is daar bij mijn weten buiten gebleven, afgezien van een enkel gedicht in een tijdschrift en een kleine bundel in de jaren tachtig van Ernst van Altena. Verrassend is daarom het zojuist verschenen Voor jou mijn lief, 27 gedichten in een vertaling van Wim Hofman. In een klein lettertje staat naast elk gedicht de oorspronkelijke tekst afgedrukt. Hofman zorgde ook voor bescheiden illustraties en een prachtige omslagtekening van een meisje in wier overvloedige haardos vogel, vlinder, bloem en vrucht een plaats vinden. Zij staat voor het lief uit de titel en de talloze andere lieven die in Préverts poëzie worden bezongen, zoals in ‘Paris at night’:



‘Drie lucifertjes een voor een aangestreken in de nacht


Het eerste om heel je gezicht te kunnen zien


Het tweede om je ogen te zien


Het derde om je mond te zien


En dan heel het donker om dat alles vast te houden


Als ik je in mijn armen neem.’



Over de liefde gaat het veel in de bundel en die is niet altijd van de vrolijkste soort. Een vrouw ligt wakker naast haar man, jaloers op zijn dromen — ‘misschien ben je met een ander/ ver weg in een ander land/ en lach je met haar om mij’ — het zwijgzame ontbijt van man en vrouw of de wanhopig kussende vijftienjarigen, die samen al dertig zijn: ‘Op je dertigste ben je geen kind meer/ Dan ben je oud genoeg om te gaan werken/ Dan ben je oud genoeg om te kussen/ Later is het te laat/ We leven nu/ Kus me!’


Veel van deze verzen zijn bekend geworden via de muziek van Préverts vaste toondichter Joseph Kosma en de stemmen van onder anderen Les Frères Jacques, Juliette Gréco, Edith Piaf en Mouloudji. Ook Préverts pacifistische en maatschappijkritische kant komt aan bod: ‘Onze vader die in de hemelen zijt/ Blijf daar maar lekker zitten/ Wij blijven dan wel hier op onze aarde’. Graag wil je daar niet zijn, met al die ‘gemeneriken, frikken, valseriken, verklikkers en hielenlikkers’.


Het is jammer dat met deze keuze vooral Préverts zware en donkere kanten naar voren komen. De uitgever mikt — getuige ook de Franse teksten — op jong volwassenen en beoogt later eventueel een bundeltje voor kinderen, met meer aandacht voor de lichte en absurdistische kant van dit dichterschap. Dan kunnen we lezen over de twee slakken die afreizen voor de begrafenis van een herfstblad, pas in de lente arriveren en ’s zomers dronken weer thuiskomen. Of over de vogel die de schoolmuren doet instorten of de sneeuwman die smelt op de kachel.



Het lijken kinderlijke versjes, maar ze vormen een wezenlijk onderdeel van Préverts oeuvre. Zowel naar vorm als inhoud wordt dat gekenmerkt door een zekere kinderlijkheid. De waarneming is scherp, de blik naïef, de beelden zijn alledaags en aards, de eenvoudige taal is van het huis, de tuin en de keuken; korte zinnen worden schijnbaar willekeurig en zonder interpunctie op elkaar gestapeld. Bovendien had de schrijver het kind hoog, zoals hij aan een schoolklas uitlegde: ‘Een kind verandert het leven als het hem niet bevalt, door dingen te verzinnen of te fantaseren, terwijl hij er zich later bij neer moet leggen.’


Wim Hofman toont zich een liefdevol en getrouw vertaler. Het verhalende parlando-karakter van de gedichten vraagt niet om poëtische krachttoeren en de schrijver Hofman moet zich als een vis in het water voelen bij Préverts opsommingen en stapelingen. Hij heeft fraaie vondsten, zoals het draaiorgeltje, dat hij in de dreigende sfeer van ‘l’Orgue de barbarie’ een ‘verdraaiorgeltje’ laat worden. ‘Tendres plaintes’ heten ‘zeurpieterijtjes’ en het dubbelzinnige werkwoord ‘faire’ krijgt zijn evenknie in ‘zitten’. ‘La mère fait du tricot/ Le fils fait la guerre/ Le père fait des affaires’ — ‘De moeder zit te breien/ De zoon zit aan het front/ De vader zit in zaken’.


Soms lijkt een woord misplaatst in het talig universum van Prévert, zoals ‘authentiek’ als vertaling van ‘vraie’, maar de grootste verliespost is die van de klank, van de alliteratie, de assonantie en het rijm. Préverts poëzie is van een bedrieglijke terloopsheid, bijna toevalligheid, maar zijn kleine verhalen ontlenen hun zeggingskracht zeker ook aan de klanken waardoor woorden en zinnen op elkaar betrokken raken. ‘Des milliers et des milliers d’années’ heeft een grotere intensiteit dan ‘Duizenden en duizenden jaren’ en Paris hoort gemakkelijker bij Parc Montsouris dan Parijs. Maar misschien moeten we genoegen nemen met zo’n verlies, omdat het uiteindelijk toch gaat om ‘Die ene kleine eeuwigdurende seconde/ Toen jij mij kuste’.