Dichter en ambtenaar

REINER STACH
KAFKA: DIE JAHRE DER ERKENNTNIS
S. Fischer, 726 blz., € 29,90

Na Die Jahre der Entscheidung verscheen afgelopen zomer deel 2 van Reiner Stachs Kafka-biografie: Die Jahre der Erkenntnis. Over de Praagse schrijver die grote delen van zijn werk liever had laten verbranden.

De werken van Franz Kafka, zoals zijn onvoltooide romans Het proces en Het slot en zijn verhalen als De gedaanteverwisseling en In de strafkolonie, behoren al lang tot de canon van de wereldliteratuur. Ze handelen over vervreemding, over het lot van het individu dat verstrikt raakt in het netwerk van een anonieme bureaucratie of op een kwade dag is veranderd in een groot insect. Kafka’s verhalen zijn deels surrealistisch, absurd en ook gruwelijk als men denkt aan de dodelijke foltermachine in het verhaal over de strafkolonie. Kafka stierf in 1924, nog geen 41 jaar oud, en behoorde tot de grondleggers van de moderne literatuur.
Verscheidene deskundigen hebben sinds zijn dood getracht een antwoord te formuleren op de vraag wie deze man, behorende tot de Duits-joodse minderheid in Praag en als jurist werkzaam bij de Arbeiter-Unfall-Versicherungs-Anstalt, precies was, beginnend bij zijn grote Praagse vriend Max Brod. Maar de grote, allesomvattende Kafka-biografie verschijnt, zo men wil, pas in deze tijd. De auteur van het indrukwekkende werk is Reiner Stach, en het eerste dikke deel, Die Jahre der Entscheidung, verscheen eind 2002. In dit deel, besproken in De Groene Amsterdammer van 18 januari 2003, behandelde Stach de periode van 1910 tot 1915. Het waren de jaren waarin Kafka’s schrijverschap ontstond en vorm kreeg in Het vonnis en De stoker, en waarin zijn tragische liefdesrelatie met Felice Bauer uit Berlijn begon.
Vrijwel precies op het moment dat het 125 jaar geleden is dat Kafka werd geboren, heeft Stach deze zomer het vervolg gepubliceerd, Die Jahre der Erkenntnis, een nog iets dikker boek waarin de periode 1915-1924 wordt beschreven. Wat dus nog ontbreekt is het deel over Kafka’s jeugd.
Het oordeel over dit nieuwe deel wijkt niet af van dat over het eerste deel; het is een wonderlijk mooi en boeiend boek. De literaire stijl en taal van Stach en zijn grote kennis van onder meer Kafka’s brieven en dagboeken alsmede andere bronnen stellen de lezer in staat met deze uitzonderlijke schrijver mee te leven en mee te lijden. En aan het slot begrijpt men waarom Milena Jesenská in 1921, kort nadat haar liefdesrelatie met Kafka was beëindigd, kon schrijven: ‘Hij beschouwt zichzelf steeds als degene die schuldig is en zwak. Maar op de hele wereld is er geen tweede mens die zijn geweldige kracht heeft: deze absoluut onomstotelijke drang naar volmaaktheid, zuiverheid en waarheid.’
De biografie is om een aantal redenen bijzonder. De eerste is dat Stach het uiterlijke leven van Kafka, als ambtenaar, lid van een gezin en vriendenkring, inwoner van Praag, steeds weer verbindt met zijn innerlijke leven, met zijn verbeelding, zijn complexe gedachten en gevoelens, de schrijver die worstelt met zijn onmacht en beperkingen. Stach tracht door te dringen tot Kafka’s psyche, zijn geest, waar zijn angsten huizen: angst voor het leven, de eigen seksualiteit en onvolmaaktheid.
Een andere reden is dat Stach dit leven plaatst in het tijdsgewricht. Hij beschrijft de ingrijpende gebeurtenissen in de jaren 1915-1924. Dit waren de jaren van de Eerste Wereldoorlog, die eindigde met de nederlaag van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, het uiteenvallen van het Habsburgse rijk en met revoluties in onder meer Praag, waar de onafhankelijke Tsjechoslowaakse staat werd uitgeroepen. Kafka was getuige van dit alles, ervoer het groeiende gebrek aan levensmiddelen, zag het antisemitisme toenemen en leed ernstig onder de Spaanse griep, die in 1919 miljoenen levens eiste.
Kafka’s leven en werk zitten vol paradoxen. Stach wijst erop dat Kafka enerzijds een wereldvreemde dichter was, maar anderzijds een goede en gewaardeerde ambtenaar in de verzekeringsmaatschappij voor arbeidsongevallen. Dit laatste veranderde niet toen in 1919 de Tsjechen het voor het zeggen kregen. De Duitstalige Kafka mocht blijven en werd zelfs bevorderd.
Een andere paradox is dat Kafka, behept met een zwakke gezondheid en een grote afkeer van wanorde en lawaai, in de oorlog soldaat wilde worden. Hij werd goedgekeurd, maar de verzekeringsmaatschappij achtte hem onmisbaar. Daarbij wist Kafka heel goed hoe gruwelijk deze oorlog was, want na 1914 kreeg de verzekeringsmaatschappij de opdracht te zorgen voor de oorlogsinvaliden. Kafka heeft zich vooral ingezet voor de soldaten die zwaar getraumatiseerd terugkeerden van het bloedige front. Hij hielp mee bij de aankoop van een sanatorium voor deze Kriegszitterer.
Voor Kafka was het helpen van mensen in nood iets vanzelfsprekends, maar voldoening gaf het hem niet. Hij wilde vrij zijn om te schrijven, wilde naar Berlijn verhuizen, maar de oorlog maakte dit onmogelijk. In 1914 had hij nog gewerkt aan Het proces, maar hij had dat niet voltooid. In de eerste oorlogsjaren kon hij niet schrijven, werd depressief, leed aan hoofdpijn en slapeloosheid. Stach citeert uit het dagboek van eind 1915: ‘Ik leef zinloos, zou gelukkig zijn als ik kon schrijven, schrijf niet. Raak mijn hoofdpijn niet meer kwijt.’
Er is nog een andere paradox. Kafka wilde weg uit Praag, weg van zijn ouders die hem niet begrepen en vooral weg van zijn tirannieke vader, en in wezen is hem dat nooit gelukt. Er bleef een rest van afhankelijkheid, van loyaliteit ook. Dit ondanks het feit dat hij in het najaar van 1919 in zijn lange Brief an den Vater genadeloos afrekende met zijn zeer dominante pa, met wie hij zich overigens aan het eind van zijn leven verzoende. Maar in 1919 was dat niet mogelijk. ‘Mijn schrijven ging over jou, ik klaagde daarin over datgene, waarover ik aan jouw borst niet klagen kon. Het was een opzettelijk uitgebreid afscheid van jou…’
Nog twee thema’s spelen een belangrijke rol in deze biografie. In augustus 1917 werd Kafka voor het eerst geconfronteerd met de ziekte waarvan hij niet meer zou genezen. Tuberculose had zijn longtoppen aangetast. ‘Het is bijna een opluchting’, constateerde Kafka, waarmee hij doelde op het feit dat deze ziekte hem bevrijdde van allerlei sociale verplichtingen en hem dwong zich te concentreren op het wezenlijke: zijn schrijverschap. Bovendien was tbc een overtuigend argument waarmee zijn tweede verloving met Felice Bauer kon worden verbroken.
Stach volgt getrouw de plaatsen die Kafka opzocht in de hoop daar genezing te vinden. Steeds weer kreeg Kafka verlof van de verzekeringsmaatschappij om herstellingsoorden op te zoeken, die hoogstens tijdelijk verbetering brachten in zijn fysieke toestand. Genezing, besefte hij spoedig, was uitgesloten.
Een ander thema is vrouwen. Felice Bauer bleef niet de enige vrouw in Kafka’s leven. Naast Ottla, zijn jongste zus die zich altijd om haar zieke broer bekommerde, nemen nog drie vrouwen een prominente plaats in. In 1919 ontmoette Kafka Julie Wohryzek. Hij wilde tegen de wens van zijn vader met haar trouwen, maar dit ging op het laatste moment niet door. ‘Ik ben klaarblijkelijk psychisch niet in staat te trouwen.’
Uitvoeriger schrijft Stach over twee andere vrouwen: ondernemende, zelfbewuste personen die toch nauwelijks met elkaar te vergelijken zijn. De ene was Milena Jesenská, Tsjechisch, maar woonachtig in Wenen, waar haar man, Ernst Pollak, de literaire cafés frequenteerde. Milena ging niet alleen Kafka’s verhalen in het Tsjechisch vertalen, er ontstond ook een liefdesrelatie tussen beiden, die zoals eerder met Felice Bauer, vooral schriftelijk werd beleefd. Kafka wilde dat Milena naar Praag zou komen om met hem samen te wonen, maar deze wens bleef onvervuld, en zo vervaagde ook deze liefde.
Van grote betekenis voor Kafka was ten slotte Dora Diamant, afkomstig uit Oost-Europa, waar ze opgroeide in een ultraorthodox joods gezin. In 1920 ging ze in Berlijn werken in het Jüdische Volksheim, dat kinderen van Oost-Europese joden opving, verzorgde en onderwees. In de zomer van 1923 leerde Kafka haar kennen in Müritz, een badplaats aan de Oostzee, waar Dora Diamant met een groep kinderen uit het tehuis vakantie vierde.
Om in haar nabijheid te zijn verhuisde Kafka in september 1923 naar Berlijn. Hij verbleef er ongeveer zeven maanden en de beschrijving van dit verblijf is het mooiste deel van de biografie. Kafka, weg uit het vertrouwde Praag, gekweld door een slopende ziekte en gedragen door de onbaatzuchtige liefde van de zorgzame Dora, werd in Berlijn een ander mens. Stach schrijft: ‘Voor Dora belichaamde Kafka een menselijk ideaal: een man die zijn joodse identiteit volledig aanvaardde en die toch alles wat haar aan het Westen boeide, in zich had opgezogen en verfijnd: intellectuele vorming, individualisme, superieure humor en sociaal gevoel dat boven het eigen collectief uitsteeg. Zelfs de grote aandacht voor het onschijnbare, alledaagse, dit “heiligen” van het leven dat het chassidisme predikt en dat Dora diep had verinnerlijkt, vond ze bij Kafka terug. Niets ontging hem, hij verheugde zich over de eenvoudigste dingen en zelfs als hij zich genoodzaakt zag zich te verzetten of kritiek te uiten, bleven hem gevoelens van minachting volledig vreemd.’
Hoe anders nog in 1914, toen Kafka in zijn dagboek schreef: ‘Wat heb ik gemeen met de joden? Ik heb nauwelijks iets gemeen met mezelf.’
Natuurlijk volgt Stach ook het ontstaan van het literaire werk. Na een periode van zwijgen ging Kafka in het najaar van 1916 weer schrijven. De verhalen voor de bundel Een plattelandsdokter ontstonden. In 1917 verbleef hij voor een eerste periode van herstel in het dorpje Zürau, op de boerderij van Ottla, waar hij zijn Meditationen noteerde, waaronder deze: ‘Een kooi ging een vogel vangen.’
In 1922, in het kuuroord Spindelmühle, begon Kafka te schrijven aan zijn derde roman: Het slot. Volgens Stach was deze roman een poging ‘de logica van het eigen bestaan in beeldspraak te vatten en zo te onthullen’. In zijn ogen is Het slot dan ook een autobiografische roman.
Ook deze roman bleef onvoltooid. Kafka ging verhalen schrijven, die in 1924, het jaar van zijn overlijden, verschenen in de bundel Een hongerkunstenaar.
De onvoltooide romans, fragmenten van verhalen, notities – als het aan Kafka had gelegen waren ze nooit gepubliceerd. Eind 1922 noteerde hij zijn laatste wilsbeschikking, bestemd voor Max Brod. Daarin staat: ‘Van alles wat ik heb geschreven tellen alleen de boeken Vonnis, Stoker, Gedaanteverwisseling, Strafkolonie, Plattelandsdokter en het verhaal Hongerkunstenaar.’ De rest ‘moet zonder uitzondering worden verbrand. En dit zo spoedig mogelijk.’
Zoals bekend heeft Brod dat gelukkig niet gedaan.