Profiel: Jan Arends

Dichter, huisknecht, patiënt

In de hem kenmerkende gehaaste en verwarde spreektrant zei Jan Arends eens tegen Wim Hazeu: «Je begint met te zeggen dat je een dichter bent en dan ga je steeds meer d’rin geloven en op een gegeven moment moet je ook wat schrijven. Dus daar kom je dan niet onderuit hè.»

Zo lijkt het inderdaad te zijn gegaan bij Jan Arends. Uit jeugdherinneringen van de schrijfster Inez van Dullemen blijkt hij al een poseur tijdens zijn middelbare schooltijd. Van Dullemen herhaalde haar herinneringen tijdens de opnamen voor de documentaire Stil, Jan Arends moet schrijven uit 1984, die de Tros over enkele weken opnieuw zal uitzenden. De titel slaat op de eerbied die Arends als tiener eiste in huize Dullemen wanneer hij langskwam om te werken op de enige typemachine in de familie.

Jan Arends was een armoedzaaier tussen welgestelde kinderen op een Haagse, antroposofische school. Hij kon niet spellen, had geen benul van de grammatica van de Nederlandse taal, en met een ongekend korte concentratieboog verscheurde hij bijna alles wat hij opschreef. Desondanks nam hij zijn eigen pose als schrijver toen al bloed serieus. Arends was de intrigerende excentriekeling in het dichtersclubje van Van Dullemen, waar de overige leden overigens niets zagen in de creatieve voortbrengselen van de in vale en vieze kleren gehulde, dikwijls malicieuze en plotseling in scheldkanonnades ontstekende leeftijdgenoot met de gitzwarte ogen en de onhandige motoriek. Maar hij werd gedoogd. En Van Dullemen had zelfs een zwak voor hem, zoals ze beschrijft in een aan Arends gewijd nummer van De Engelbewaarder uit 1979. Van Dullemen, die afgelopen week in de Amsterdamse Balie haar relaas nog eens overdeed in nagenoeg dezelfde woorden als in de documentaire, was vooral geïntrigeerd door het gegeven dat Jan Arends een onecht kind was. Om schandaal te voorkomen, erkende zijn vader niet ook zijn verwekker te zijn. Van Dullemen: «Hij hield van mystificatie. Er werd van hem beweerd dat hij de zoon van een kolensjouwer zou zijn of van een mijnwerker en dat associeerde ik toen met dat zwarte aan hem alsof hij daadwerkelijk uit een mijnschacht was komen kruipen bij zijn geboorte.»

Jan Arends wist dat. De rest van zijn leven bleef hij erop terugkomen, in zijn kroegverhalen, in Keefman en in zijn gedichten. Want zijn misère was niet pose alleen. De dichter bleek niet toegerust voor een zelfstandig leven. Gedurende lange periodes verbleef hij in psychiatrische inrichtingen. Eenmaal daaruit ontslagen, smachtte hij naar acceptatie van een wereld waartegen hij, met een stem als een cirkelzaag (de beeldspraak is van Theo Sontrop), tegelijk een permanente haatcampagne voerde. Een kennis kenschetste Arends eens als een «eenzelvige figuur die toch behoefte had aan een praatje». Hij was een klaploper die geen «dank je wel» kon zeggen, een tot lethargie geneigd, waarschijnlijk licht psychotisch geval. Dikwijls vervuild, rancuneus en kwelzuchtig, een mens die in de omgang met anderen louter op zichzelf was gericht, en tegelijkertijd rusteloos op zoek was naar contact. Wanneer er niet om hem gelachen werd, wanneer hij afgunst voelde of niet in het centrum van de aandacht stond, kreeg zijn gehoor de volle lading.

Daarbij had Jan Arends uit hooghartigheid een verbod op medelijden uitgevaardigd. Als hij maar iets rook dat daarop duidde, werd hij woest. Dan toonde hij zich een gruwelijk en sadistisch mens. Zeker over de telefoon. Geert Lubberhuizen moest ooit een geheim nummer nemen, omdat Arends hem nachtelijks bleef lastigvallen. Vooral nadat Arends een zekere mate van «welstand en succes» had bereikt, zoals hij dat zelf noemde, ging hij iedereen uit de literaire wereld lastigvallen, om ze de gruwelijkste verwensingen naar het hoofd te slingeren of onheilspellende berichten door te geven. Rudy Kousbrouk belde hij eens midden in de nacht met de mededeling dat Remco Campert was omgekomen bij een ongeluk. Na het peilen van Kousbroeks ontzetting brulde Arends in de hoorn: «Zie je wel dat je veel meer om Campert geeft dan om mij!»

Maar sadisme en sadomasochisme lagen bij Jan Arends dicht bij elkaar, zeker op seksueel gebied. «Dat is het mooiste wat er voor mij bestaat, een voetveeg zijn», schreef hij. Daartoe verhuurde hij zichzelf aan strenge, rijke vrouwen, het type dat zichzelf omhoog had getrouwd en zich vervolgens verveelde met het geld van manlief. Vrouwen uit hogere kringen voor wie hij minachting voelde, maar die ook zijn begeerte opwekten — mits hun optreden jegens hem streng en hooghartig was. «Als ik bij zo’n wijf kom — het zijn altijd wijven, nooit vrouwen, dat vergroot de haat die ik voor hen voel — beleef ik daar mijn plezier aan ’s avonds in bed. Ik wil nooit met zo’n wijf naar bed als ik er werk, ik knap het alleen wel op.»

In de novelle Lente/Herfst verwoordt Arends dit bigotte machtsspel, dat hij transponeert naar de verhouding tussen een wegkwijnende, sadomasochistische jongeman en een op geld beluste hospita, die haar huurder tot zijn schijnbare genoegen veroordeelt tot een bedlegerig bestaan, hoe beklemmend en beangstigend ook. Aan het slot van de novelle wordt de jongen op een brancard weggevoerd, ondervoed en vervuild, maar de hospita is er geestelijk minstens zo slecht aan toe. Arends ging de rol van dociele huisknecht goed af, en ook hij wist zijn meesteressen diep te raken, te pesten en te kleineren als hij seksueel op ze uitgekeken was. Hij dronk de drankkast van mijnheer leeg, schilderde de witte hondjes roze of zette de parketvloer in de groene zeep, alvorens hij scheldend en tierend zijn gereedstaande koffertje pakte.

Maar dan plaatste hij enkele maanden later toch weer een advertentie. «Het is echt een absoluut moeten op een gegeven ogenblik», zei hij in een interview. Want: «Zoals een ander homoseksueel is, ben ik huisknecht.» Af en toe werd hij er zo wanhopig van dat hij speelde met de gedachte aan castratie, zo blijkt uit de nagelaten correspondentie met een dokter.

Toch eindigde niet elke relatie met een «wijf» even slecht. Op de Weteringschans, nummer 75, vlak bij de burelen van De Groene Amsterdammer, was Jan Arends bijna een half jaar huisknecht bij Gré Groeneveld. Hij bleef haar zien tot op de dag van zijn dood, 21 januari 1974, toen Groeneveld een kopje koffie weigerde dat Arends haar aanbood in bodega De Keyzer. Tien jaar later herinnerde ze zich nog: «Hij werd hels, zoals zo vaak.»

Diezelfde avond sprong Jan Arends uit het raam van zijn kamer op de vijfde verdieping aan het Roelof Hartplein. Enkele dagen eerder had hij Rudy Kousbroek geschreven: «Wat ik wil is praten met een ander. Dat lukt niet. Je kunt net zo goed van het dak springen.»

Nu, bijna dertig jaar later, is er dan de eerste biografie. Het leven van Jan Arends is voor de biograaf in alle opzichten een goudmijn. In een heldere stijl laat Nico Keuning Arends’ affaire met een ontzagwekkend grote en blonde Scandinavische vriendin de revue passeren, de mislukte pogingen acteur te worden, het succes als reclameschrijver, zijn onhoudbare positie op een kantoor en de reacties op de stank die hij daar verspreidde, de gruwelijk lompe en botte telefonades waar hij kennissen mee terroriseerde, de periode dat hij als striptekenaar in dienst was bij de Toonder Studio’s en waar hij een van de stripfiguren, Distel, helemaal naar zichzelf modelleerde. Enzovoort.

Toch gaat het met deze biografie in de inleiding al mis. Keuning spreekt daar van een «even fatale» als «glorieuze» sprong uit het raam. Hoezo glorieus? Jan Arends leidde een dieptragisch leven. Hij heeft het uiteindelijk lang volgehouden, tussen inrichting, wanhoop, lethargie en meesteressen in, maar op zijn 48ste kon hij toch niet anders dan een einde aan zijn leven maken, twee dagen voor de fees telijke presentatie van zijn dichtbundel Lunchpauzegedichten. Het was een donkere dag voor die enkele mensen die zich ondanks alles om Arends’ leven hadden bekommerd. Het is de enige keer geweest dat Remco Campert uitgever Lubberhuizen heeft zien huilen. Het zwart van Arends’ jeugd was helaas vereeuwigd, alle hoop definitief vervlogen.

Maar voor biograaf Keuning was het een «glorieus» moment, net als voor een deel van het publiek in de jaren zeventig, voor wie gekte een garantie voor genialiteit betekende. Ook Keuning doet daaraan mee, anno 2003: «Zijn authenticiteit ligt op het breukvlak van gekte en genialiteit.»

Maar gekte krijgt, zoals iedere psychiater kan vertellen, slechts het aura van authenticiteit door onwetendheid. Treurig is juist dat psychia trische patiënten niet méér, noch minder, «oorspronkelijk» zijn dan hun maatschappelijk aangepaste evenknieën. Veel buitenissig gedrag dat voor oorspronkelijk doorgaat, blijken geesteszieken met elkaar te delen, soms tot in het kleinste detail. De combinatie krankzinnigheid en genialiteit is een gelukstreffer, geen automatische verbinding of magische lotsverbondenheid. Bij de meeste psychiatrische patiënten paart gekte zich eerder aan geestigheid en humor dan aan genialiteit. Verdriet om het leed dat de betrokkene zichzelf en zijn omgeving berokkent, vermengt zich niet alleen met schaarse momenten van ontroering, maar ook met ogenblikken dat een glimlach niet te onderdrukken is. Soms kan men meelachen met de gek, wanneer die in overdrijving zichzelf, of gangbare noties onderuithaalt of in het absurde trekt. Net als Jan Arends in zijn gedichten, want ook hij mikte dikwijls op de lach. Uit eindeloos veel getuigenverslagen blijkt dat hij grappig uit de hoek kon komen en soms geestige verhalen vertelde. Hij lachte dan vaak mee om zichzelf, alsof het toch ook allemaal te gek voor woorden was wat hij allemaal beweerde.

Keuning doet nergens een serieuze poging de ware aard van Arends’ ziekte te achterhalen. Hij spreekt over «levensangst» en hij neemt aan, zo meldt hij plotseling in een bijzin, dat Arends een «neurotisch patiënt was die leed aan schizofrenie». Op andere plaatsen heeft hij het over «schizofrene psychosen», «aangeboren gekte» en «preschizofrene karakterneurose». Ook komen we te weten dat Arends vesparax slikte, enkele zelfmoordpogingen deed (waarvan de diepe kerven in zijn armen getuigden) en dat hij largactil kreeg voorgeschreven, een middel tegen schizofrene psychosen. Maar werkelijk graven naar de wortels van Arends’ geestesziekte doet Keuning niet. Wél vertelt de biograaf dat een juf op de lagere school Jan Arends «dom» en «lui» had genoemd. Dat hardvochtige oordeel wijt Keuning aan het tijdsgewricht: tegenwoordig zou Arends als «autistisch», «dyslectisch» of «misschien zelfs als hoogbegaafd» worden bestempeld. Maar de analyse om een dergelijke gedachte aannemelijk te maken, ontbreekt — of het moet de warrige en zeer omstreden studie van Ronald Davis zijn die Keuning aanhaalt, waarin de genialiteit van de dyslectische medemens wordt «bewezen».

Was Jan Arends schizoïde? Paranoïde? Licht autistisch? Psychotisch? De leiding van de toneelschool heeft een gewaagder oordeel dan de biograaf: «Een buitengewoon ongeduldige, nerveuze persoonlijkheid. Ongeremd. Zeer egocentrisch. Neuroticus. Lastig, opbruisend en onbeheerst. Heerszuchtig, last van stemmingen. […] vergist zich vaak in de werkelijkheid. Ziet de dingen te veel van zijn eigen gezichtshoek uit. Hij is een schizoïde figuur.»

Hoe reëel was dit oordeel, dat werd geveld voordat de glorificatie van de dichter Arends losbrak? Behalve het antwoord op deze vraag had ook een serieuze analyse van Arends’ tekort licht kunnen werpen op de rol van de nieuwe mentaliteit in de geestelijke gezondheidszorg aan het eind van de jaren zestig in het leven van Jan Arends. Misschien kan dan zelfs achteraf worden vastgesteld dat Arends nooit het Wilhelmina Gasthuis had moeten verlaten. Want hoe treurig ook, hij schreef zijn mooiste verhalen in de betrekkelijke rust van een gesloten en gecontroleerde gemeenschap, waar hij verlost was van de praktische beslommeringen en dagelijkse angsten die een zelfstandig leven met zich meebracht. Niet voor niets eiste hij dikwijls opnieuw opname, met enorm veel drama, en met zelfmoord als chantagemiddel. Juist toen hij tot enige welstand kwam en een beetje succes kreeg met zijn werk zag Jan Arends zijn situatie als uitzichtloos. Definitief. Dat is tragisch, niet glorieus.

Nico Keuning

Angst voor de winter: Het leven van Jan Arends

Uitg. De Bezige Bij, 368 blz., € 22,50

Jan Arends

Vrijgezel op kamers. Verzameld werk

Uitg. De Bezige Bij, 582 blz., € 32,50