Hugo Claus, In geval van nood

Dichter met haast

Hugo Claus

In geval van nood

De Bezige Bij, 205 blz., € 26,50

Ik ken een jongeman die er al jaren van overtuigd is dat hij binnenkort zal sterven. Omdat de dood stralend op hem zit te wachten aan de ontbijttafel, en ’s nachts met koude voeten tegen hem aankruipt in bed, heeft hij besloten er maar het beste van te maken. Zolang het nog kan, zegt hij vaak. En hij beweegt zich door het leven met een razende haast. Het is geen haast om zich zo snel mogelijk naar een andere plek te begeven, maar een energieke houding waarmee zo veel mogelijk wordt omarmd, zo veel mogelijk wordt geconsumeerd. Deze haast woedt ook in het werk van Hugo Claus.

Claus tast met een enorme gulzigheid de reikwijdte van zijn gedachten af, de indrukken van de wereld om hem heen, en de mogelijkheden die hem tot zijn beschikking staan in taal. Deze gulzigheid is tegelijkertijd een enorme vrijgevigheid omdat je daar als lezer nu eenmaal dankbaar getuige van kunt zijn. Er zijn dichters die alle tijd van de wereld hebben. Zij nemen de tijd voor elk woord, en doen er rustig weken over voordat het op de goede plaats staat. Voor hen is taal als steen. Voor Hugo Claus is het asfalt, en hij raast er overheen.

De gedichten van Claus zijn niet om in te wonen. Het zijn motelkamers. De beelden zijn vluchtig, en het is alsof de dichter dat zelf ook parten speelt want hij haalt meermalen dezelfde beelden terug. Soms zijn helikopters bijvoorbeeld een aankondiging van paniek om een wegkwijnende liefde en ergens anders geven ze uitdrukking aan de machteloosheid van een individu ten opzichte van oorlogs geweld. In het gedicht De geuren van mijn herbarium: «De 200 Apaches (zonder Winnetoe)/ duiken achteloos rochelend in de verre puinen/ En weer is de lamlendige liefde in de weer». En in Verrader: «Het volk lyncht de cameraman/ En de camera-assistent/ Zij hangen aan vleeshaken/ De hoofdman steekt een sigaret op/ Het is een signaal/ Honderd helikopters dalen». En ruim honderd pagina’s verderop, in Zee van tijd (I): «en uit zijn winterslaap/ rijst een zoveelste Apache (zonder Winnetoe)/ en wiekt aarzelend/ over de verse puinen». De helikopters zijn als zwarte vogels die onheil voorspellen. Ze kunnen elk moment opduiken.

In Reizen, ongeveer halverwege de bundel, maakt de dichter een tweede begin. De eerste regel van Reizen en Begin is gelijk: «Begin. Herinner je». Maar dan laat Claus de regels elkaar tegenspreken. In Begin: «Zee van tijd/ Reizen is geen vluchten». En in Reizen: «Reizen is vluchten/ Een zee van tijd».

In het eerste gedicht gaat de dichter onwillend terug naar zijn kindertijd: «Loop. Struikel/ dwars door je geschiedenis», om te besluiten met de mededeling dat hij niet meer antwoordt op «moordzuchtige voorschriften van misdadige families». En in het gedicht met het tweede begin:

In de kelder krijst een kind

«Mama, den ellentriek is kapot»

En men ontsteekt kaarsen en mirakels

en knielt voor een kandelaar

’s Ochtends de schaduwen

van zwaluwen, zwervend

zwermend

Een zee van tijd

voor de duizenden

ontmande Congolezen?

De dichter neemt afstand van zijn jeugd door deze te schetsen als een kind in de kelder, dat daar wellicht is achtergebleven. Met die zelfrelativering is er ook plaats voor de rest van de wereld, en voor terreur buiten die van een familie. Deze schaalvergroting verklaart wellicht de ontkenning van «Reizen is geen vluchten». Reizen is soms niet alleen vluchten, maar kan de enige mogelijkheid zijn om te overleven. Dan doet de vraag wat reizen nou eigenlijk is er niet meer toe.

In de reizen of vluchten die Claus maakt met zijn gedichten bestaan welkome rustpunten, objecten en vooral mensen die blijven terugkeren. Behalve de helikopters worden personages vereeuwigd zoals Onkel Miele, Mama, De grijsaard met darmen in zijn armen, een paard (of een wezen dat hinnikt) en niet te vergeten: Magda. In een aantal gedichten wordt steeds net anders gevraagd: «Mama, mag Magda buiten spelen?» En: «Magda lag hyperbolisch klaar». En later, in Klanken, wordt de vraag gesteld: «Mama, mag ik buiten spelen?» Omdat die vraag in een eerder gedicht voor Magda werd gesteld wil je weten wat er met haar is gebeurd. Een antwoord op die vraag volgt in hetzelfde gedicht: «Men heeft na de aanranding/ van Magda haar stembanden doorgesneden/ Wat nu?»

Dergelijke verhaallijnen lopen dwars door de verschillende delen van deze bundel. De indruk van onzorgvuldigheid die kan ontstaan bij het lezen van een enkel gedicht (bij de eerste confrontatie met Magda denk je: wie is dat?) blijkt voorbarig. Want met een concentratie die zich uitstrekt buiten het enkele ge dicht maakt Claus uiteindelijk een wervelende compositie. En de vraag rijst wie er nu eigenlijk haast heeft: de dichter die langzaam zijn universum ontvouwt, of de lezer die scherpte eist voordat het volgende gedicht begint.