Dichter van de desintegratie

John Dos Passos, 1919. Vertaald door Paul Syrier, uitg. Amber, 474 blz., f49,50
DIOGENES VAN Sinope, wijsgeer in Athene in de vierde eeuw voor Christus, geldt dank zij zijn principiele levenswijze als de grondlegger van de cynische school. Minachting, schaamteloosheid en onverschilligheid voor burgerlijk fatsoen straalde hij uit. De eerste cynici waren mensen die het zonder ideaal of ideologie wilden stellen. Diogenes’ eigengereide onverstoorbaarheid is spreekwoordelijk. Volgens de anekdotische overlevering was hij het die overdag met een lantaarn op de markt ‘een mens’ zocht; hij woonde in een ton en hij verzocht Alexander de Grote, toen die hem toestond een wens uit te spreken, opzij te gaan en hem het zonlicht niet te benemen.

Aan het begin van 1919, het tweede deel van John Dos Passos’ monumentale trilogie U.S.A., staan twee verwijzingen naar de Griekse filosoof die voor mij de kern vormen van de drie romans, die - voeg ik er meteen aan toe - zijn opgebouwd uit in elkaar grijpende naturalistische vertellingen over rondzwervende mannen en vrouwen, afgewisseld met politieke journaalflarden, poetische camerafragmenten zonder interpunctie waarin de liefde voor het woord wordt beleden en compacte biografietjes van Amerikanen die hun stempel op de twintigste eeuw hebben gedrukt.
De eerste beknopte levensbeschrijving in 1919 gaat over de oorlogscorrespondent Jack Reed, de man die over de Russische oktoberrevolutie van 1917 het beroemde boek Ten Days that Shook the World schreef. Over hem schrijft Dos Passos, in een stijl die aan de vloeiende en soms hallucinerende repeteerzinnen van Gertrude Stein doet denken: ‘Jack Reed wilde in een ton wonen en gedichten schrijven; maar hij ontmoette steeds maar zwervers arbeiders sterke kerels die hij graag mocht geen geluk geen werk waarom geen revolutie?’
Het zijn inderdaad ronddolende loners en losers van zeer uiteenlopende komaf die 1919 bevolken. Ze willen een beslissende wending aan hun leven geven en zoeken naar geluk in liefde of politiek, maar ze vinden geen rust. Het lijkt of de geschiedenis met ze op de loop gaat en hun idealen over maatschappij of gezin omverkegelt. In 1919, het jaar waarin 'het grote circus van de Vrede van Versailles’ rondtrekt, is de Eerste Wereldoorlog 'een windstoot die alle lampen van Diogenes uitblies’.
HET CYNISCHE CREDO 'Oorlog is gezond voor de staat’ wordt onder het presidentschap van de aanvankelijk neutrale, pacifistische Woodrow Wilson - van wie Dos Passos een ontluisterende biografie heeft opgenomen - een mensonterende waarheid; de jonge Amerikaanse maatschappij blijkt een 'wurgdemocratie’ te kunnen worden. Wilson is de staat en de Europese oorlog waarin hij de Amerikanen betrekt (zijn 'neutraliteit in gedachten en daden’ wisselt hij in voor 'geweld zonder beperking, tot het uiterste’) wordt een ware revolutie voor de Amerikaanse samenleving. Die loopgravenstrijd brengt immers de 'achturendag, vrouwenkiesrecht, drooglegging, gedwongen arbitrage, hoge lonen, hoge rentes, wurgcontracten…’
'Miester Wielson’s’ oorlog groeit in 1919 uit tot een hoerenkast, tot 'de grootste samenzwering uit de geschiedenis’. En Amerika speelt de ogenschijnlijk barmhartige Samaritaan die het gewonde en verscheurde Europa weer op de been zal helpen.
Alfred Kazin heeft in zijn essaybundel An American Procession (1984) beweerd dat de Eerste Wereldoorlog aankomende schrijvers als Dos Passos, Hemingway, e.e. cummings en Edmund Wilson hebben gered van een dodelijke verveling. Eindelijk gebeurde er weer iets en konden zij, bij voorbeeld als ambulancerijder in Italie, materiaal verzamelen voor literaire meesterwerken. Er zit iets kwaadaardigs en onrechtvaardigs in zo'n opmerking, omdat Kazin willekeur en maatschappelijke vrijblijvendheid suggereert bij uitgerekend die schrijvers die zich altijd hebben geengageerd, niet als pose maar uit persoonlijke noodzaak.
Kazin schreef eens in een inleiding op U.S.A. dat de trilogie drie hoofdpersonages heeft. In 1919 zou dat de zeeman Joe Williams zijn: menselijk wrakhout, maatschappelijke verschoppeling, speelbal van de historische golfbewegingen. Die drie hoofdfiguren zouden weer om een vierde, centrale figuur cirkelen: J. Ward Woodehouse, uitvinder van de public relations en de man die kapitaal en arbeid harmonisch wilde laten samengaan.
Deze benadering doet echter geen recht aan wat ik een van de aantrekkelijkste kenmerken van de trilogie vind: de simultaneiteit. In 1919 is het een in- en uitlopen van personages die los-vaste relaties met elkaar aangaan zodat er een netwerk van vage betrekkingen ontstaat dat door de ingevoegde journaalfragmenten, cameraflitsen en politiek geladen biografietjes plotseling een heel ander kader krijgt. Het is alsof je een drukbevolkte negentiende- eeuwse, naar naturalisme neigende roman leest waarin op onverwachte momenten wordt ingebroken. Speelde de moderne metropool in Manhattan Transfer (1925) de hoofdrol, in U.S.A. is het niet alleen het hele land maar ook de Geschiedenis.
Als commentaar op Alfred Kazin kan ik, met evenveel recht, zeggen dat in 1919 vele avonturiers rondlopen van wie zeeman Joe Williams er een is. Anderen zijn de strijdbare en koppige arbeider Ben Compton en Dos Passos’ alter ego Dick Savage, die zich in de marge van het Europese oorlogstheater beweegt. De reeks ambitieuze, wankelmoedige en naar gezin en kind verlangende vrouwenfiguren zie ik als voortzetting van de indrukwekkende karakterisering van Ellie Herf in Manhattan Transfer. De vrouwen die in 1919 op de voorgrond treden zijn de binnenhuisarchitecte Eleanor Stoddard, die in de roman een platonische affaire met pr-man J. W. (Moorehouse) begint; haar vriendin Eveline Hutchins, de teleurgestelde esthete die in Parijs steeds meer vereenzaamt en verloedert; en de Texaanse Anne Elisabeth Trent, die tot 'meissie’, tot gebruiksvoorwerp verwordt.
DOS PASSOS’ literaire monument U.S.A. wordt meer recht gedaan wanneer je zijn creaties ziet als onderdelen van het grondidee van de schrijver. De levenslopen van zijn antihelden illustreren zijn visie op de verloedering van de Amerikaanse democratie. J. W. - geen mens meer maar initialen die voor een mentaliteit staan - verbeeldt de kille, van elke emotie verstoken kern van een puur Amerikaanse uitvinding die de taal en daarmee de menselijke relaties manipuleert en stroomlijnt: de pr. Hij is de sleutel tot alle andere sleutelfiguren. Aan het slot van Het grote geld (1936), de derde roman in de trilogie, zegt een medewerker van J. W: 'Of je dat nu aanstaat of niet, het kneden van de publieke opinie is een van de belangrijkste ontwikkelingen in dit land. Anders zou het zakendoen in Amerika hopeloos in de knoei komen.’
Dos Passos beschrijft het door 1919 (Versailles) en 1929 (de economische crisis) ingezette verval van de Amerikaanse democratie als een radicale, literaire historicus en als dichter van de desintegratie. Het is niet toevallig dat hij zich in zijn latere leven ging toeleggen op het schrijven van historische studies, waarvan wel de belangrijkste The Head and Heart of Thomas Jefferson is, een pleidooi voor democratie als decentralisatie. Dos Passos’ hoofdthema is de transformatie van de democratische samenleving tot een manipuleerbare massa van consumenten, de verandering van politiek in sociologie van de monddode menigte. De macht van de staat verplettert de 'gewone man’, die nooit meer uitstijgt boven massacultuur, volksbijgeloof en korte-baankretologie.
Er is een personage in 1919 dat als een spin in het web van het verhaal zit. Aan hem, regisseur van effectenbeurzen en van president Wilson, wordt ook een korte biografie gewijd, althans aan het bankiershuis waaraan de familienaam verbonden is. Die levensschets sluit Dos Passos schijnbaar achteloos af met een tussen haakjes staande maar o zo cynische uitsmijter: 'Oorlogen en paniek op de beurs, mitrailleurvuur en branden, faillissementen, oorlogsleningen, hongersdood, luizen, cholera en tyfus: een goed groeiklimaat voor het Huis Morgan.’ Deze zinnen vormen het refrein van 1919, dat al ingezet wordt in de biografie over de 'kwajongen’ Jack Reed.
DE MEESTE biografieen in U.S.A. gaan overigens over individualistische avonturiers van de geest die hun leven in dienst stelden van de technologie (Edison), van kritiek op de organisatie van de samenleving (Thorstein Veblen, auteur van De theorie van de nietsdoende klasse, 1899), van de arbeidersklasse (Jack Reed, Joe Hill), de architectuur of de kunst.
Het hoogtepunt in de reeks biografieen is meteen het slotfragment van 1919: 'Het lichaam van een Amerikaan’. Het is niet alleen een eerbetoon aan Stephen Cranes anti-oorlogsroman The Red Badge of Courage (in zinnen als 'Hee man zeg es hoe ik bij mijn onderdeel terugkom’), maar ook een lyrisch-cynische hommage aan De Onbekende Soldaat, een zowel fictief als historisch personage wiens stoffelijk overschot terugkomt 'naar Gods Eigen Land op een slagschip’ en die begraven wordt op Arlington: 'en ze drapeerden er de Old Glory overheen en de trompetter speelde de taptoe.’
En in de slotzin komt president Woodrow Wilson een 'boeketje klaprozen’ leggen. Waarmee we weer zijn teruggekeerd bij het cynische levensprincipe van de oude Griekse wijsgeer. Want wie is John Dos Passos anders dan een twintigste-eeuwse Diogenes, die over dat uitgestrekte marktplein van Amerika zwerft en met de dovende fakkel van zijn idealistische verbeelding op zoek is naar de zuivere, legendarische democratie van Thomas Jefferson?