Dichter van de zwijnenstal

Pier Paolo Pasolini, De as van Gramsci. Tweetalige uitgave, vertaling Luc Devoldere, met foto’s van Malou Swinnen. Uitg. P. Leuven, 94 blz., € 22,50

1968 was voor Pier Paolo Pasolini (1922-1975) niet het jaar van grote revolutionaire verwachtingen, integendeel, de demonstrerende studenten vond hij verwende burgermanskinderen, liever koos hij partij voor de politiemannen, die in elk geval nog sporen van hun proletarische herkomst vertoonden. Communist was hij toen al lang niet meer. Direct na de oorlog, toen hij nog in het noordoostelijke Friuli woonde, had hij zich welis­waar aangesloten bij de pci, maar die had hem er in 1949 uitgegooid na een aanklacht ‘wegens corruptie van minderjarigen en obscene handelingen in het openbaar’, waarna hij ook zijn leraarsbaan verloor. Met zijn moeder vluchtte hij naar Rome. De communisten verweet hij dat ze, net als de burgerlijke partijen, waren gaan geloven in ‘de heiligheid van het consumentisme’ en aldus hadden meegeholpen aan het om zeep helpen van het eeuwenoude antieke Italiaanse boerenbestaan, dat, naarmate hij zich verder van zijn Friuliaanse jeugdjaren verwijderde, steeds meer zijn norm van authenticiteit werd.

1968 was ook het jaar van Teorema, het boek en de film, tevens de eerste film die ik van hem zag. Eerlijk gezegd stelden zijn bloedserieuze pathetiek en symboliek me nogal teleur: een mysterieuze gast, afgezant van het goddelijke, breekt in bij een rijke Milanese familie, heeft achtereenvolgens seks met alle familieleden en stort hen in het verderf; alleen de meid, een boerendochter, wordt ‘verlost’. Zij wordt een soort heilige, doet wonderen, en ook na haar gewelddadige dood (levend begraven in een bouwput) blijven haar ogen tranen produceren, een wonder waar ook destijds alleen achterlijke katholieken nog in konden geloven. Maar Pasolini was allesbehalve achterlijk. Niettemin vertoont Teorema geen zweem van ironie, relativering of humor. Humor zag hij als iets burgerlijks, ook in de groteske variant, met Fellini voelde hij geen verwantschap. Wat hij met dit vreemde verhaal wilde zeggen? Iets in deze geest: het kapitalisme heeft het leven vervlakt en uitgehold, want beroofd van elk gevoel voor het wonderlijke.

Twintig jaar eerder, in Rome, had Pasolini de verloren vitaliteit van de boeren herontdekt in de brutale jongens van de borgate, de sloppenwijken aan de randen van de stad. Voor de communisten waren deze op geen enkele wijze geïntegreerde, subproletarische jongens oninteressant, ze leefden tussen het vuilnis van prostitutie en diefstal, zonder toekomstperspectief. Maar juist in hun impulsieve, fysieke, amorele, vaak gewelddadige gedrag zag Pasolini iets van zijn utopie van een onaangetast en authentiek bestaan, dat hem hevig aantrok en uiteindelijk ook fataal zou worden. In 1955 schreef hij over hen de episodische roman Ragazzi di vita (Jongens uit het leven), die hem een proces wegens aantasting van de openbare zeden opleverde, het eerste van de in totaal 33 soortgelijke processen waarmee hij te maken zou krijgen. De pci vond het boek ‘romantisch reactionair’, logisch, de hoofdpersoon vertoonde geen spoortje klassenbewustzijn en geloofde in geen enkele vooruitgang; in een rechtse krant werd Pasolini, de poeta della borgata, afgebeeld als de poeta della porcata (de dichter van de zwijnenstal).

Dit alles als inleiding bij een zojuist verschenen vertaling van Le ceneri di Gramsci, De as van Gramsci, het grote epische gedicht in (aan Dante refererende) terzinen, waarmee Pasolini halverwege de jaren vijftig, nog voor zijn regisseursdebuut, doorbrak als dichter; volgens Calvino was het ‘de belangrijkste gebeurtenis op het gebied van de naoorlogse Italiaanse poëzie’. Geen enkel dichtwerk van een halve eeuw oud kan het zonder commentaar stellen, dit werk van Pasolini al helemaal niet, aangezien het, wars van autonome pretenties, nadrukkelijk een maatschappelijke en culturele positiebepaling wil zijn, zoals al zijn kritieken, poëzie, romans, essays en films. Alle genoemde motieven komen in het gedicht – een meditatie aan het graf van Gramsci – aan bod; vertaler Luc Devoldere leidt het in en uit en geeft in de marge de noodzakelijke toelichtingen.

Gramsci was, met Togliatti, oprichter van de pci en minstens tot in de jaren zeventig populair vooral vanwege zijn gevangenisbrieven en zijn concept van de ‘organische intellectueel’, een met zijn klasse verbonden intellectueel die de hegemonie van de traditionele, burgerlijke intellectueel zou moeten doorbreken. Pasolini voelde zich niet tot die rol geroepen. Gramsci’s liefde voor het volk is abstract, de zijne esthetisch, sensueel en erotisch. Het gedicht is een mengsel van gepassioneerde persoonlijke ervaringen en een klaagzang om gefrustreerde verwachtingen in het eerste naoorlogse decennium. Gramsci’s communisten hebben gefaald, alle macht is weer aan kerk en kapitaal. Aan het slot van het gedicht gaat Pasolini terug naar de ‘spelende jongens’ op de Schervenberg, ‘licht als vodden in de bries’ en ‘brandend van jeugdige lichtzinnigheid’.

Zijn utopische visie op de ragazzi zou omstreeks 1968 veranderen. Hij geloofde niet meer in hun buiten­historische authenticiteit, ook zij waren slachtoffers van de consumptie­cultuur, niet langer onschuldige engelen maar monsterlijke schandknapen en verdorven criminelen. Dat kon niet verhinderen dat hij ze vrijwel dagelijks na gedane arbeid, waar hij ook was, opzocht in achterbuurt- of homokroegen. In november 1975 werd hij door zo’n jongen op het strand van Ostia zwaar verminkt en vermoord, kort nadat de opnamen van zijn sadomasochistische gruwelfilm Salò waren beëindigd. Met zijn verfilmingen van de verhalen van Boccaccio (1971) en Chaucer (1972) wilde hij het leven tonen ‘voordat het lichaam handelswaar was geworden’, Salò speelt in 1945 omdat Pasolini meende dat het einde van de oorlog het begin vormde van de gehate commercialisering van erotiek en seks. De as van Gramsci is geen absoluut meesterwerk, wel een hoogst belangwekkend gedicht – een paradox die de lezer zelf moet zien te ontraadselen.