Interview Drs. P.

«Dichterlijke vrijheid is een uitvlucht»

30 september 2000 - Vorige week kreeg Drs. P, 81 jaar oud, de Tollensprijs voor zijn verdiensten voor het Nederlandse lied en de Nederlandse taal. «Het is mij een beetje te makkelijk om goed op sproet te laten rijmen.»

Medium drs. p 1977

Wie kent het lied De dodenrit niet? «Trojka hier, trojka daar, overal zit paardenhaar.» Een gezinnetje reist per trojka door een eindeloos Russisch woud naar Omsk, zo'n honderd werst ver, achtervolgd door wolven. De trojka is te zwaar en er moet een kind worden opgeofferd: «We doen heel onbekommerd en we zingen continu/ Toch moet er iets gebeuren onder moeders paraplu/ En zonder op te vallen overleg ik met mijn vrouw/ ‹Wie moet er aan geloven›, zeg ik, ‹toe bedenk eens gauw›.»
De kleine Pjotr wordt uit de slee geworpen, vervolgens Sonja, Igor en Natasja, en ten slotte moeder de vrouw. De laatste verzuchting van vader, die ook ten prooi valt aan de wolven, luidt: «Ja, Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg.»
Drs. P, de schrijver van dit gedenkwaardige lied, is de enige «rijmkundige» van Nederland. Hij schrijft boeken over uitstervende versvormen als het ollebolleke en ijvert op vele manieren voor een correct, zuiver en «mooi» Nederlands. P is de enige die een rijmwoord op «herfst» wist te vinden: als er wordt gehoeraad, driewerf, doet iemand dat het «driewerfst».

Drs. P werd als Heinz Hermann Polzer 81 jaar geleden geboren in Zwitserland, als zoon van een Zwitserse vader en een Nederlandse moeder. Hij verhuisde op zijn derde naar Velp, Nederland. Na een studie aan de Economische Hogeschool in Rotterdam ging Polzer ten slotte tijdens de Tweede Wereldoorlog terug naar Zwitserland, waar hij in zijn onderhoud voorzag als pianist in een hotel in Gstaad. Tegen het einde van de oorlog speelde hij in Parijs, in het Grand Hotel, voor de geallieerde militairen.
Sinds zijn tweede terugkeer naar Nederland, in 1962, heeft Drs. P zich geheel gericht op het dichten. Hij maakte ook furore in het cabaret, met onvergetelijke liedjes als De dodenrit, De zusters Karamazow en Knolraap, lof, schorseneren en prei. P schreef eveneens nummers voor anderen. Adèle Bloemendaal (Wat heb je gedaan, Daan en Halleluja, kameraden), Cabaret Don Quischocking, Kabaret Ivo de Wijs, Gerard Cox, Jenny Arean en Hetty Blok zijn hem daarvoor nog immer dankbaar.
Na ruim dertig poëziebundels en enkele tientallen prozaboeken, vrijwel alle in het «lichte» genre, publiceerde Drs. P dit jaar nog de Wis- en natuurlyriek en Versvormen: Leesbaar handboek. Zijn fameuze optredens overal in het land zijn sinds 1996 verleden tijd.
Op 24 september jongstleden ontving Drs. P de Tollensprijs 2000. De prijs — een penning en vijfduizend gulden — is hem toegekend voor zijn «verdiensten voor het Nederlandse lied en de Nederlandse taal». De Tollensprijs, die om de vijf jaar wordt toegekend, is de oudste Nederlandse literaire prijs.

Wat ik vooral veroordeel en verafschuw is de mening dat oude woorden per definitie passé zijn

Een prestigieuze prijs, die Tollensprijs?
«Dat is me gebleken. Ik had er nooit van gehoord, en daarin sta ik niet alleen. Maar tot mijn verbazing trok het veel aandacht. Zelfs overkomt het mij dat totaal willekeurige mensen mij op straat aanspreken en feliciteren. Want het heeft in diverse kranten gestaan en het zal ook door de radio zijn meegedeeld. Blijkbaar heeft die naam Tollensprijs toch nog prestige, ja.»
U krijgt hem vanwege uw verdiensten voor het Nederlandse lied en voor de Nederlandse taal.
«Dat laatste, daar ben ik vooral trots op, ja.»
Uw werk wordt tot het light verse gerekend. Steekt het u dat er door de «echte» literatuur enigszins op wordt neergekeken?
«Dat verbaast mij niet. Maar dat is niet integraal. De commissie van de Tollensprijs bestaat niet uit keuterboertjes, dacht ik. Kees Fens en Marita Mathijsen zitten erin. Dat neerkijken is toch incidenteel.»
H_et zal u niet zijn ontgaan dat velen zich tegenwoordig druk maken over de achteruitgang van onze taal. Meent u dat het Nederlands teloorgaat?_
«Ik denk dat het een proces is dat al begon aan het einde van de negentiende eeuw, en wel met de Tachtigers. Dat waren frisse, opstandige en pientere jongens, en zij zouden de Nederlandse taal wel eens doen herleven. Dat betekende dat ze allerlei taboes doorbraken en allerlei bourgeois-meningen en -voorschriften overboord gooiden. Dat was eigenlijk het begin van de degeneratie, en deze degeneratie is nog steeds aan de gang. Ik betreur dat zeer, want ik ben, zoals u waarschijnlijk vermoedt, ik ben oprecht gehecht aan de Nederlandse taal. Ik heb er ontzag voor, want het is een heel mooi instrument. Als je de constructie bekijkt, de grammatica maar ook de syntaxis, dan merk je dat het een heel rijke, een heel flexibele taal is.
Wat ik vooral veroordeel en verafschuw is de mening dat oude woorden per definitie passé zijn. Ik kom tot vervelens toe in interviews weer aanstappen met Vlaamse woorden als nochtans en verwittigen, twee zuiver Nederlandse woorden die niet alleen begrijpelijk zijn maar ook werkelijk functioneel en ook tamelijk elegant van voorkomen, die hier worden gezien als uit de tijd en verwerpelijk. Dat vind ik heel jammer. We zullen het straks waarschijnlijk nog hebben over de puinhoop die thans is ingevoerd onder de naam nieuwe spelling of spellingvernieuwing. Ook in Duitsland is iets dergelijks gaande wat betreft de spelling, en tot mijn grote voldoening las ik een paar dagen geleden dat de Frankfurter Zeitung de nieuwe spelling weer opzij heeft gezet ten bate van de oude Duitse spelling. Je kunt er natuurlijk tot in het oneindige over blijven redetwisten of de oude spelling perfect was. Nee, geen enkele spelling kan perfect zijn, maar een spelling kan de perfectie toch redelijk benaderen, en dat was met de Nederlandse spelling toch het geval. Het was… daar is een vakterm voor, die mij nu even niet voor de geest wil komen, maar in ieder geval is de Nederlandse spelling zeer nauw verwant aan de uitspraak. Dat vind ik zeer nuttig. Ik beklaag de Engelsen bijvoorbeeld, met hun absurde gewoonte om ough op drie of vier manieren uit te spreken. De kinderen moeten dat toch leren, terwijl het toch berust op afspraken, tamelijk slordige afspraken.»

U noemt het een puinhoop, de nieuwe spelling. Is het een vereenvoudiging of een regelrechte debilisering?
«Het is een debilisering. Dat vind ik in het Nederlands mooi, als ook in het Duits en ook wel in het Frans: dat je de grammatica aan de hand van de spelling kunt traceren. Als er staat vint met n-t, dan weet een vreemdeling niet hoe het werkwoord luidt. Het is werkelijk niet zo bovenmenselijk om d-t te schrijven.»
Een onderwaardering voor onze taal? Net als al dat Engels dat we maar toelaten?
«Ik wijs lang niet alle Engelse woorden af, want sommige zijn buitengewoon functioneel en zouden met enige moeite in het Nederlands weergegeven kunnen worden. Een vulgair voorbeeld is natuurlijk shit. Het is een heel snel woord. Ik zie nu even af van de letterlijke betekenis. Het is een onomatopee en het drukt heel duidelijk en beknopt uit dat men iets veracht of betreurt of onaangenaam vindt, en als zodanig zou je het in het Nederlands heel moeilijk kunnen omzetten, of je moet grijpen naar werkelijk platte woorden als kut of poep of zo.
Overigens was poep een tussenwerpsel in mijn studententijd. Dat betekende niet meer uitwerpselen, maar… poep! Je had poepoud, dat was de term voor mensen die in corpsleeftijd ouder waren dan vijf jaar, geloof ik. In de almanak stond achter hun naam ‹p.o.›. Dat woord had werkelijk een zeer goede taak en betekende absoluut niet meer wat het oorspronkelijk voorstelde. Ik ben aan het afdwalen, maar… zo heb je wel Engelse woorden: knowhow… Kennis van zaken is niet nauwkeurig hetzelfde. En er zijn meer voorbeelden te vinden, ook wat betreft Franse woorden als frêle.
Frêle vind ik een mooi woord. Het klinkt lieftallig, het roept veel op… het is bijna een onomatopee. De klank heeft een inhoud. Met woorden als slank of dun of tanig is dat niet weer te geven.»
Hebt u lievelingswoorden?
«Ik geloof dat die vraag me wel eens meer wordt gesteld en dan zit ik altijd met de mond vol tanden. Want er zijn geen woorden die mij werkelijk levensgroot voor ogen staan als echte lievelingen. Er zijn heel mooie Nederlandse woorden. Eigenlijk kijk ik niet eens zozeer naar de klank, al is dat wel degelijk een factor, als wel naar de constructie. Dan moet ik uitwijken naar het Duits. Want het Duits bewonder ik om zijn vermogen om twee tamelijk uiteenlopende begrippen samen te voegen tot een nieuw begrip. Zo vind ik Grundsatz (principe) een prachtig woord van constructie. Heimweh, dat kennen wij ook, dat vind ik buitengewoon evocatief. Het is gevormd uit twee woorden die op zichzelf heel alledaags waren maar die bij elkaar iets volkomen nieuws in het leven roepen.»
Weltschmerz…
«Ja, ook prachtig.»

De Nederlandse spelling is fonetisch, en dat is goed

U treedt niet meer live op met uw performances, maar u publiceert nog wel. Zojuist verscheen «Vers vormen», een leesbaar handboek waarin u aan de hand van eigen gedichten ruim zestig bekende en onbekende versvormen behandelt. Worden die nog gebruikt?
«Ik vind het nuttig dat men enige kennis heeft van de versvormen zoals die in het verleden ontstonden en zoals ze nu nog ontstaan, al is het op kleine schaal, en voor een aanzienlijk deel toch ook nog leven, dat wil zeggen worden toegepast.»
Houdt u de Nederlandse poëzie van vandaag bij?
«Nee nee, dat heb ik nooit gedaan. Ja natuurlijk op school. Je werd er onherroepelijk mee geconfronteerd, maar ik heb voor zover ik mij herinner nooit voor mijn plezier gedichten gelezen, of het zou moeten zijn van iemand als de Schoolmeester. Staring kon ik ook waarderen, en veel later iemand als Kees Stip.»
Jean-Pierre Rawie heeft een keer met u gebekvecht omdat u vindt dat «Dante» niet rijmt op «van alle kanten».
«Rawie heeft zich nog aan erger vergrijpen schuldig gemaakt, bijvoorbeeld als hij in een tekst van hem ‹Florence› laat rijmen op ‹kansen›. Dan krijg ik een wrevelige trek om de mond. Maar ja, hij is een dichter van de oude stempel die zich beroept op dichterlijke vrijheid. Ik vind dat een uitvlucht. Dichterlijke vrijheid is voor mijn gevoel alleen toelaatbaar als daar een bepaald effect mee wordt bereikt. Ik moet wederom mijzelf citeren. In mijn nummer over oren rijm ik steevast op oren, oren, oren, maar op een gegeven moment zeg ik: maar daarom niet getroren. En dat vind ik toelaatbaar, want dat is een creatieve afwijking van de regel.
Ik ben de laatste jaren nogal vastgebakken aan het oogrijm. Dat is natuurlijk iets wat je niet moet voorschrijven, want in de praktijk is het totaal onverschillig of je het woord goed laat rijmen op het woord sproet, want de uitspraken zijn werkelijk identiek. Maar het is mij een beetje te makkelijk. En daarom zie ik er nu vanaf om ei op lange ij te laten rijmen. Vroeger was er wel degelijk een verschil in uitspraak, en misschien is dat regionaal nog altijd het geval, maar natuurlijk niet in het ABN. A-u en o-u verschilden ook wat uitspraak aangaat. Ik hou me eraan om a-u te laten rijmen op a-u en o-u op o-u, en Dante op… faliekante, als bijvoeglijk naamwoord, maar zeker niet op kanten.»
Heeft die uitgangs-n nog recht van bestaan? Hij wordt niet echt meer uitgesproken.
«Nee, maar in geschrifte heeft hij wel degelijk recht van bestaan. Ik ben er heel afkerig van om zulke dingen achteloos te behandelen. Ik herhaal, het is een liefhebberij van mij persoonlijk, een manie als u het zo noemen wilt, maar ja, oogrijm pas ik werkelijk onbarmhartig toe.»
Worden de versvormen waar u dat handboek over hebt geschreven, niet steeds meer een curiosum? Worden ze niet platgewalst door al het oppervlakkige, snelle amusement waar we tussen leven?
«Juist daarop rust hun recht van bestaan. Mensen die, laat ik zeggen een rondeau redoublé onder ogen krijgen, die hebben dat nooit eerder aanschouwd en worden dan weer eens attent gemaakt op het feit dat men een heel pakket woorden zodanig kan rangschikken en indelen dat er een melodieuze en zinnige tekst ontstaat. Dat vind ik buitengewoon nuttig. Dichten is zeer lang en zeer zeker ook in de vorige eeuw — ja, de vorige eeuw is de twintigste, dus ook in de negentiende eeuw — is het gezien vooral als ontboezeming, iets van je ziel blootleggen, enzovoort, uitroepen slaken. Ik zie versificatie vooral als gymnastiek, om te kijken wat je met de Nederlandse taal kunt uitspoken op een genietbare manier, en ook waarbij het onderwerp alle recht toekomt die het verdient.»

Van het onderwijs is in dezen ook niet veel te verwachten?
«Er is mij verteld, al jaren geleden, dat opstellen op school niet meer gemaakt worden. En van betrouwbare zijde is mij gemeld dat eerstejaars studenten een stoomcursus Nederlands krijgen, ook als ze iets anders dan Nederlands studeren, omdat ze uit zichzelf niet in staat zijn om een fatsoenlijk stukje te schrijven; ik spreek nog niet eens van een scriptie.»
Langzamerhand verdwijnt het respect voor de Nederlandse taal, en het interesseert ook niemand echt meer. Slordig zijn is niet erg. Is het te stoppen?
«Er blijft altijd wel een klein aantal mensen over dat een achterhoedegevecht levert, verbitterd en niet bijzonder hoopvol maar absoluut consequent. Ik weet niet of hij nog schrijft, ik weet niet of hij nog leeft, maar je had Heldring, die zich zeer inzette voor correct Nederlands, en van Hotz werd mij verteld dat hij heel zorgvuldig Nederlands schreef. Ook het afbreken van woorden door de computer… middern-achtzending, woorden die werkelijk op groteske manier worden afgebroken, want zo ziet de machine het. Toen ik bij de encyclopedie werkte was het woord balk-anker een vaak gebezigd voorbeeld».
We kunnen de computer de schuld geven van een heleboel dingen maar niet van alles. Is dat onzuivere Nederlands een symptoom van de tijd waarin we leven?
«Ik spreek als buitenstaander, maar ik geloof dat de hoeveelheid machinerie deze onverschilligheid, deze onkunde en deze teloorgang van de taal bevordert als een lerend instrument, als iets met een heel rijke geschiedenis, iets wat je cadeau krijgt als kind. Ja, de school moet betaald worden, maar voor de school pik je toch heel veel van je taal op, verbaal. En de machine neemt zoveel taken over dat mensen hoe langer hoe luier worden en hoe langer hoe minder behoefte hebben om even na te denken en zich even in iets te verdiepen.
Het is nogal zijdelings, maar plotseling kom ik op multiple choice. In mijn tijd had je dat nog niet. Als je een vraag werd gesteld, moest je gewoon het antwoord weten».

U hebt opgetreden als pianist in Parijs, voor de geallieerde militairen, aan het einde van de oorlog. Staat die tijd ver van u af?
«In zekere zin wel, want ik heb in de jaren daarna ook het een en ander beleefd. Sommige dingen van die oorlog staan me nog haarscherp voor de geest. Ik herinner me nog zeer levendig de laatste dag van de oorlog in Nederland, toen Rotterdam gebombardeerd werd. Want waar ik woonde, ik woonde op kamers, rammelden de ramen zeer sterk, maar de gevel was naar buiten gericht als het ware, dus de ware impact ontbrak, en het huis leed geen schade. Na afloop ging ik de straat op en informeerde of ik ergens diensten kon verrichten. Toen heeft men mij ten slotte op een dak gezet op het laatste huis in de Witte de Withstraat. De helft van de straat lag in brokstukken terneer, en ik stond op het laatste intacte huis met een brandspuit om belendende panden nat te houden, zodat de brand zich niet verder zou verspreiden. Vandaar had ik een vorstelijk uitzicht over deze rampzalige brand, die ontreddering, en de hemel was gevuld met vonkjes, en je hoorde de brand natuurlijk ook. Ik zag de Bijenkorf instorten — het was magnifiek om te zien, als je even afzag van de bijkomstige ellende en rampspoed.
Overigens schiet mij nu de vakterm te binnen die ik daarstraks zocht. Fonetisch. De Nederlandse spelling is fonetisch, en dat is goed. En als ik nog iets mag toevoegen? U mag uw lezers best vertellen dat Paardekooper een schavuit is.»


Beeld: (Wikimedia Commons)