Eric Bolle, Filosofie & leiderschap

Dichters als ware leiders

Eric Bolle
Filosofie & leiderschap
VUB Press, 156 blz., 14,95

Onder politici die het kabinet-Balkenende zonder kleerscheuren wensen te overleven, moeten boeken over leiderschap wel gretig aftrek vinden. Maar zouden Rita Verdonk of Wouter Bos warmlopen voor een cultuurfilosofisch perspectief op leidinggeven? Als het aan Eric Bolle ligt wel. In zijn laatste boek, een bundel essays getiteld Filosofie & leiderschap, betoogt Bolle – van huis uit filosoof en al jarenlang manager bij de provinciale overheid, dus hij kan het weten – dat filosofie en denken over cultuur een bijdrage kunnen leveren aan de opleiding tot leiderschap.

Centraal in Bolles werk staan de vragen wat de kenmerken zijn van een ware leider, en hoe leiderschap kan worden ontwikkeld door over cultuur na te denken. Filosofie & leiderschap brengt in antwoord op deze vragen het idee naar voren dat leidinggeven een «oorspronkelijke daad van cultuur» is. Een leider is in deze visie een persoon die begrijpt wat cultuur is, en weet hoe hij op basis van dit begrip veranderingen tot stand kan brengen in situaties waarin verschillen van inzicht de boventoon voeren. De werkelijke leiders zijn dan ook in een flink aantal opzichten totaal verschillend van het type manager dat we kennen uit reclames voor Cup-a-Soup of de Kamer van Koophandel. Leiders zijn niet, zoals managers, bezig met het vormgeven van werkprocessen, structuren en rollen om wille van de continuïteit van de organisatie. Zij zijn vooral bezig met het ontwikkelen van ideeën, en hebben aandacht voor duidelijke boodschappen en de productieve effecten van meningsverschillen. Het is precies met het oog op de stimulering van dergelijke leidinggevende taken dat filosofie kan bijdragen aan de scholing van leiders en het optimaliseren van leiderschap in instituties, vindt Bolle.

Wie nu verwacht een met Ratelband-achtige kreten doorspekte managementhandleiding te lezen zal teleurgesteld worden. In zijn essays verkent Bolle verschillende bronnen die leiders van nu – die geconfronteerd worden met legitimatieproblemen, verminderd gemeenschapsgevoel en andere postmoderne onzekerheden die ongekend managementleed kunnen veroorzaken – ter beschikking staan. Daarbij put hij rijkelijk en op originele wijze uit de traditie van filosofie – wie had ooit gedacht dat Heidegger gelezen kan worden als een handboek voor managementvaardigheden, of dat Plato’s De staat nog actualiteitswaarde heeft? Maar ook theologie en literatuur leveren volgens Bolle inzichten voor het denken over leiderschap. Zonder een zweem van zweverigheid in een heldere schrijfstijl worden unusual suspects zoals apostel Paulus en de Italiaanse dichter Giorgio Agamben naar voren geschoven als grote leermeesters voor leiders in spe.

Van Paulus kunnen politici bijvoorbeeld leren hoe een samenleving in stand kan worden gehouden, terwijl er geen breed gedragen publieke wil is om tot een gemeenschap te behoren. Paulus wist immers een netwerk van sympathisanten te mobiliseren op basis van een overtuigend betoog over een grote gebeurtenis (in casu de kruisdood van de Messias). Paulus’ succes in leiderschap suggereert dat de moedige keuzen die een enkeling maakt effectiever zijn dan de zoveelste poging van een zielloze politicus om een beleid te ontwikkelen dat de belangen van burgers beoogt te vertegenwoordigen.

Hoewel Bolles boek bol staat van dit soort spitsvondige ideeën en verrassende interpretaties, resulteert de bundeling lezenswaardige teksten helaas niet in een coherente visie op leiderschap. De vermeend onmisbare rol van filosofie voor de ontwikkeling van leiders wordt uiteindelijk niet meer dan mondjesmaat beschreven. In een van de eerste essays in de bundel – en de tekst waarin Bolle zijn visie op filosofisch leiderschap nog het meest uitvoerig naar voren brengt – wordt filosofie bijvoorbeeld gepresenteerd als een hulpmiddel tot logisch en analytisch denken dat bijdraagt aan de besluitvaardigheid van leidinggevenden. Filosofie zou individuen de moed leren om beslissingen te nemen en om meningsverschillen te accepteren, en bovendien het ontwikkelen van ideeën en doelstellingen stimuleren. Andere artikelen beschrijven filosofie echter als een manier om introspectie te introduceren in management- en ondernemersvaardigheden, en als een vorm van self management, zelfcontrole en zelfinzicht. In de essays over poëzie en literatuur wordt juist weer gesuggereerd dat niet filosofen maar dichters de ware leiders zijn. Het leiderschap van de dichter vloeit voort uit diens capaciteit om woorden te vinden die verder gaan dan de taal die wij gewend zijn. Bovendien zijn dichters leiders in de zin dat zij teksten schrijven over hoe mensen met elkaar om dienen te gaan.

Hoe hedendaags leiderschap in overeenstemming met Bolles denkbeelden kan worden ontwikkeld, blijft dan ook vaag. Het is wel duidelijk dat wat hem betreft leiders niet kunnen slagen zonder een cultuurfilosofische attitude. Wat dat betreft doet de politieke agenda van Filosofie & leiderschap denken aan Plato’s pleidooi voor een filosoof-koning: de superioriteit van de filosoof als leider staat niet ter discussie. Als dat klopt, dan kan Nederland met een spoedcursus filosofie misschien nog wel een ideale staat worden.