Dichters denken niet

Bres
van Leonard Nolens is de meest toegankelijke van de vijf bundels die zijn genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Nolens is geen denkend dichter: Nolens is een eerlijk lyricus en daarmee al een denker.
LEONARD NOLENS
BRES
Querido, 100 blz., € 16,95

Medium hantwerpen

De jury van de VSB Poëzieprijs maakte vijf nominaties bekend van in 2007 verschenen dichtbundels. Groter dan de feiten, oftewel het ‘vuurboek’ van Jan Baeke, is een verrassende binnenkomer in het gezelschap. De op deze plek eerder als gedichtenroman omschreven vierde bundel van Baeke wordt in het juryrapport een ‘filmische reis’ genoemd. Dan is er Innisfree van de sinds 1948 gedichten publicerende Christine D’haen, die onheilspellend genoeg een ‘afscheidsbundel’ genoemd wordt. Er is de imposante De dame van de tapisserie van Jacques Hamelink, een stevige bundel die tegen alle schijn van oorlogspoëzie en beschrijving van schilderkunst in flink van leer gaat en op drift raakt. Er is de te verwachten en terechte nominatie van Spamfighter van Anne Vegter, auteur van rake theatermonologen, die in haar gedichten een almaar directere taal gebruikt en de wereld streng, humoristisch en meewarend toespreekt. En er is Bres, van Leonard Nolens.

Bres bestaat uit vijf series gedichten uit eerdere bundels, die zijn hergegroepeerd. Toch vormen juist die series een geheel. Het is al eerder in de kritiek gesignaleerd dat de dichter Nolens naar een boek toe werkte dat er nu eindelijk is. Bres bevat maar twee niet eerder gepubliceerde gedichten, terwijl de bloemlezing Uit tien van Nachoem M. Wijnberg niet minder dan dertig nieuwe gedichten telt. Waarom de eerste wel heeft meegedongen naar de prijs en de tweede niet, lijkt een formele vraag. De ‘dertig gedichten’ van Wijnberg zijn sterk, maar niet als bundel gecomponeerd, en Bres nadrukkelijk wel. Dit is een van Nolens’ twee nieuwe gedichten in die bundel:

Na dagen zwerven staan wij hees en dom geworden

Van het zwijgen te branden als een mond vol dorst

En luisteren naar die saaie, zelfingenomen muziek

Van al die kalasjnikovs in de galmende, walmende heuvels.

Ik duik de nacht in van een weggeblazen gevel

En trap in de gang op een pop. De telefoon is intact.

Zijn zware toetsen componeren het enige cijfer

Dat telt vandaag. Ik hoor in de krakende verte de glimlach

Van een vrouw die troostend inpraat op een man.

Ik slaap nog altijd naakt, zegt zij, ik kleed mij aan

En uit met je handen, ik streel mijn borsten met je blik.

Ik doe dat elke dag. Daarom ga jij niet dood.

Het toestel vloekt een schrille terts, ons afscheid klinkt

Als een knappende snaar in het holle hart van de hoorn.

Ik hang niet op en bewaar in mijn oorschelp een zeuren

Van zeeën, verten rollen zich knerpend en fluitend op

In mijn handpalm en ballen zich traag tot een withete vuist.

Ik staar in het kwade, kapotte blauw van poppenogen en ga.

Het is het als nummer 14 ingevoegde gedicht uit de openingsserie Vlees in uniform is volautomatisch, een in de robuuste wij-vorm uitgeschreven reis door oorlogsgebied. Inhakend op lyrische, verhalende, Angelsaksische poëzie (vandaar wellicht ook die beginkapitalen) zingt Nolens zich die ‘wij’ in en uit: hij spreekt namens meerderen, behalve op het intieme moment dat hij een telefoon vindt. Dat namens meerderen spreken paradoxaal is en eigenlijk onmogelijk, is de grote kracht van Bres. De bundel is telkens met zichzelf in tegenspraak, zoals het hoort als je het over een begrip als ‘generatie’ hebt. De denderende, geritmeerde verzen versterken het individu van de dichter. Te midden van de wij-vorm die hij oproept is Nolens scheutig, hij overdrijft graag, maar liefst oprecht. ‘Er was geen lus om ons verstand’, staat in de derde serie Wij waren de zwijgers na mei vijfenveertig. De slotserie Het is een prachtig boek vormt een gezang over het ongeschreven boek dat volgens Nolens een mensenleven is. Niet alle herhalingen en omdraaiingen werken even sterk. Toch lukt het Nolens een tijdsbeeld te bouwen. ‘En wanhoop was de norm, een mannelijke vorm/ Van hysterie’, schrijft hij. Nolens is geen denkend dichter: Nolens is een eerlijk lyricus en daarmee al een denker.

Dat maakt Bres als meest toegankelijke van de vijf bundels een stevige kanshebber voor de prijs. Toch is er niet alleen een formeel bezwaar tegen het bekronen van een bundel met maar twee nieuwe gedichten, er is ook een inhoudelijke vraag. De tweede en de vierde serie van Bres stammen uit de in 2005 verschenen bundel Een dichter in Antwerpen en andere gedichten. In het eerste geval, Wij weten om te beginnen van geen begin, gaat het nog goed en is de connotatie met individu en generatie duidelijk. Maar in de sterke serie Hoe ziet mijn stad eruit als ik haar droom, is de link weg. Hier gaat het om de dichter Nolens en de stad, en ligt het gevaar van zelfbeschouwing op de loer. Af en toe gaat dat verrassend goed: ‘Een ambitieuze jongeman heeft praktisch geen verbeelding/ Om verder te kijken dan zijn verbeelding’. Maar verder wordt hier een autobiografie geschreven in gedichten. ‘Honger is het hachelijkste vlees’, dicht Nolens. Hij beschrijft hoe hij in het gras aan de Schelde schepen ligt te tellen en ziet hoe hun ‘loeiende schaduwen’ de flat van zijn zoon ‘aaien’ op de Linkeroever. Hij vervoegt zijn woonplaats Antwerpen tot een ‘oersterk werkwoord’ en we krijgen te weten waar zijn vrouw werkt en hoe ze voor de televisie ligt en ook de huisarts van Nolens wordt bedankt voor zijn goede gezondheid.

Dat is allemaal helemaal niet erg. Dat is ontroerend en opnieuw meeslepend. Als Nolens schrijft: ‘Ons vluchtig adres beschimpt er je Vlaams belang’, ben ik niet alleen blij met zijn stellingname, ook klopt opnieuw zijn paradox als een bus. Juist een verplaatsbaar of vervangbaar huis keert zich weg van xenofobie. Nolens weet het te schrijven en net niet pamfletterig te krijgen, gelukkig. Mijn bezwaar is dat deze serie niet in Bres past. Hoe aansprekend deze afdeling ook is, het blijft bij de dichter in Antwerpen. Door het individuele in de wij-vorm in de andere series uit te schrijven, laat Nolens zichzelf al genoeg zien.

Vandaar dat ik niet als zoveelste kapitein aan wal de jury van de VSB Poëzieprijs 2008 het een of ander zou willen aanbevelen. Liever zou ik de huisarts van Nolens toespreken. Geef die man nog minstens een flinke twintig jaar te leven. Laat hem over straat schuimen, met de werkers oplopen en in het gras liggen kijken. En laat hem in die tijd een échte Bres maken. En laten ze hem dan de prijs geven die hij verdient.