Dichters liegen

Heinrich Heine, constateerde Jacques Presser, is niet ontkomen aan het lot van wie Sämtliche Werke heeft gepleegd: ‘Hij is klassiek geworden en staat naast andere klassieken, Goethe, Schiller, op de boekenplank, geenszins verwaarloosd, zeker vereerd, maar niettemin een tikje van ons geïsoleerd.’

Maar niet meer in Duitsland. Presser is helaas te vroeg gestorven om de Heine-revival mee te mogen maken in de natie waarin de dichter zo lang en frenetiek is verketterd. Daar is hij inmiddels de meestgelezen klassieke dichter, populairder dan Goethe en Schiller tezamen. Anders dan in Holland. Daar speelt Heine, dank zij de Anglo-Amerikanisering van het culturele leven en het de facto afschaffing van het Duits, nauwelijks een rol meer.
Persoonlijk ken ik te onzent nog maar twee echte Heine-kenners: Peter Vos, die in staat is honderdeneen Heine-gedichten op te zeggen, en Karel van het Reve, die immers overal verstand van heeft.
Misschien zie ik de zaak te somber, wellicht verschimmelt in het joods bejaardentehuis Beth Sjalom te Amsterdam Buitenveldert, zonder dat ik het weet, nog een negentigjarige ex-textielhandelaar die zich ooit zijn ‘Florentinische Nächte’ doorwaakte en in de 'Bäder von Lucca’ revalideerde. Zeker is in elk geval dat de weinige Heine-kenners die Holland nog telt, over dertig jaar zijn uitgestorven.
Daarom mogen wij dankbaar zijn dat er te onzent in elk geval nog een enkeling rondloopt die bereid is zich kwaad te maken over Heine, want iets is beter dan niets.
De eerste is de dichter Boudewijn Büch, die Heine met Toon Hermans heeft vergeleken. De tweede is de dichter J.P. Guépin, die Heine de Piet Paaltjens der Duitse letteren noemde.
Laat ik mij tot Guépin beperken. Hij citeert Heines minicyclus Lotusblume, geschreven in de dagen dat de doodzieke dichter door zijn bewonderaarster Camilla ('Die Mouche’) Selden werd getroost. Het ging - Heine kon allang geen lid meer verroeren - allemaal hoogst keurig. Camilla hield Heines handje vast, terwijl zijn Mathilde zich discreet in de keuken terugtrok.
Heine schreef vervolgens, met zijn laatste krachten: 'Es kommt der Tod - jetzt will ich sagen,/ was zu verschweigen ewiglich/ mein Stolz gebot: für dich, für dich,/ es hat mein Herz für dich geschlagen.’
Het is, zegt Guépin, 'puberproblematiek’. En hij spreekt over 'zelfmedelijden’, berijmd vanuit ’s dichters martelende Matrassengraf.
Het lijkt mij een misverstand. Een aantal van Heines laatste gedichten zijn ongetwijfeld autobiografisch. Het enige authentieke aan dít gedicht is echter het sterfbed. Welke harteklop moest zo nodig 'ewiglich’ worden verzwegen? Mathilde Heine, kan, na vijftien jaar huwelijk, niet de aanstichtster zijn geweest. En van zijn affectieve gevoelens jegens Camilla Selden heeft hij, althans tegenover zijn bewonderaarster, nooit een geheim gemaakt: 'Je weet helemaal niet, lieve Mouche, wat het een geluk is door een stervende bemind te worden.’ De geliefde in het, door Guépin geciteerde, gedicht heet trouwens Mathilde noch Camilla, maar Maria, en is dus een even imaginaire figuur als Diana en Yolante, Dragonder-Marie en Kuddelmudel-Marie, die de dichter bij leven en welzijn, zoals het letterkundig fundamentalisme anderhalve eeuw beweerde, achter en onder de rokken zou hebben gezeten.
Allemaal onzin.
Want dichters liegen.