Bioloog-schrijver tegen de ‘pleuters’

Dick Hillenius

De bioloog-schrijver Dick Hillenius (1927-1987) voerde zijn hele leven een strijd tegen de gezeten, conformistische burgerij, de «pleuters», de suffe zakken, de «kereltjes», die ten onrechte op min of meer verborgen machtsposities zaten. Als dichter was hij een stem van zijn tijd, maar had een volgende generatie praktisch niets meer te zeggen. Terugblik op een dichtersleven.

Op 6 januari 1950 was Dick Hillenius op mijn voorstel in de redactie van Propria Cures gekomen (tot 20 december 1952). Hij had voor zover ik het kon terugvinden voor het eerst op 9 december daaraan voorafgaand in PC gestaan met het «doodsbericht» van zijn alter ego, zijn «lieve vriend wijlen W. Marius Nettekindt». Daar sloot hij op aan in zijn Intrede: «[…] die toen hij tweeëntwintig jaar oud was, de volwassenheid […] voelde naderen […] Dit alles scheen Marius erger dan de dood. Hij zei dus goedendag en stapte uit.» Dick verklaart ernaar te streven voortaan slechts de woordvoerder te zijn van de gestorvene en citeert enkele van diens «waanzinnetjes», waaronder het veelzeggende: «Waarheid = wat ik ervoor houd». Dat waanzinnetje zou een spoor door zijn leven trekken, niet als dogma, maar als retorische kunstgreep. Het levert bij een standpuntbepaling grappige effecten op, maar je hebt het zelf al als een «waanzinnetje» gerelativeerd.

Dick Hillenius was een lange jongen met een onschuldig, kinderlijk gezicht boven herculische schouders; hij was 22, slechts anderhalf jaar jonger dan ik. Hij studeerde biologie. Zijn credo was dat hij niet wilde verstarren, altijd een «amoebe» wilde blijven, een diertje zonder skelet met een veranderlijke vorm. Tegelijkertijd zat hij echter vol rituelen, die juist wél een kader van beperkingen vormden. Zoals nooit (ook niet op zijn promotie) iets anders dragen dan een wit overhemd met open Schillerkraag over zijn jasje, zijn groet bij het weggaan: «Ik ga wandelen, tot nog es» en zijn ondertekening van brieven: DH als een monogram aan elkaar geschreven. En dan zijn weigering om een datum in mei, zeg: de vijftiende mei, te omschrijven als «15.5». Nee, mei moest altijd Mei worden genoemd, geen cijfer maar het woord zelf én met een hoofdletter. Dick was in mei geboren, op de valreep, de 29ste. Hij was een van de eerste Satie-aanhangers in Amsterdam. Als Dick van zijn huis Singel 404 ter hoogte van de Wijde Heisteeg naar het biologiekwartier in de Plantage liep, kwam hij langs ons huis. Hij liep vlak langs de waterkant waar toen nog geen hekjes stonden, en floot een deuntje van Satie.

Dick was een vleeseter en haatte groente. Uit een van zijn gedichten in PC citeer ik (uit mijn hoofd): « […] de treurnis van dit alles/ die de vegetaar/ van groene koolblaar eten doet/ omdat het van ’t geweten/ moet». Het vegetarisme stond bij hem voor alle idealistische geloofsovertuigingen met hun dwingende greep op de gewetens van de mensheid. Later zou hij een groot gedicht, opgedragen aan zijn zoon Tycho, Tegen het vegetarisme noemen. Dit werd ook de titel van de bundel gedichten, essays en notities waarin het werd opgenomen (1961). Zijn vijanden, de gezeten, conformistische burgerij, noemde hij «pleuters», suffe zakken. Ook wel de «kereltjes», die ten onrechte op min of meer verborgen machtsposities zaten. Zij lieten de dingen mislopen, het waren machthebbertjes, die alles glad wilden hebben, die uitzonderingen corrigeerden, variatie vervingen door eenvormigheid, fantasie fnuikten, kortom, gewoon «ellendige kereltjes» waren, ook wel «nette mensen». Als hij je een «net mens» noemde, kon je wel inpakken. Ik bewonderde dat allemaal. Hij had de ideale eigenschappen voor een PC-redacteur, eigenzinnig en onvoorspelbaar, en hij had altijd wel goede kopij te leveren.

Wij hadden veel gemeen. Hij was ook geen lid van het corps en ik herkende in hem de typische botanicus, die net als de historicus dol is op kleine, gekke vondsten. Hij kon de sfeer oproepen van een ouderwetse botanische excursie, iets van de NJN, waarbij een slordig verspreid groepje mensen in rare kniebroeken en onelegante schoenen zich bukkend, knielend over een dijk of een weiland beweegt. En, wat ik mooi vond, zijn zoeken naar het elementair noodzakelijkste, waarbij je de hele culturele rimram kon missen; wat hij later zo zou uitdrukken:

De oudste taak:

’s avonds een kampplaats zoeken

water om te drinken en te wassen

een wei om in te spelen en te slapen

bomen voor schaduw en bescherming

In tegenstelling tot velen in onze kennissenkring die zich onburgerlijk wilden betonen, was Dick helemaal niet grof in de mond, maar hij kon wel engelachtig-scabreuze dingen zeggen. Ons huis, met op elke verdieping een paar, deed hem denken aan het fenomeen dat soldaten op een brug niet in de pas mogen lopen omdat anders de trillingen elkaar te hevig versterken zodat de brug instort. Dick was gerustgesteld toen hij had uitgezocht dat de paren steeds om en om in een voor- en in een achterkamer sliepen. Hij benaderde deze kwestie als bioloog, maar je zag hoe hij erbij keek.

Toch waren er ook veel dingen die ons scheidden. Dick had al een zekere vorm van denken en schrijven ontwikkeld, terwijl ik nog in hoge mate ongevormd was, uitwaaierend, alles beproevend. Hij had zijn smalle pad en kon daarop al veel meer dan ik, maar ik was kritisch, of ongeduldig. Er waren te veel dingen die ik niet gewoon, royaal aanvaardde, maar waartegen ik me verzette. Toen Dick een van zijn dichtbundels als titel gaf: Uit groeiende onwil om ooit nog ergens in veiligheid aan te komen (1966) zag ik daarin de tegenstelling tussen «niet willen arriveren» en toch doelbewust zo’n bundel samenstellen. Dat gebrek aan consequentheid ergerde me. Als je iets maakt, woorden samenvoegt tot een gedicht dat je dan ook publiceert, dan wil je toch bij een doel aankomen? Ja, daar schoot ik te kort in aanvaarding van de buitenissige kanten van Dick Hillenius.

Dick was al heel lang bevriend met Florrie Gehrels; Dick-en-Florrie, dat was pasmunt. Maar dan was er die uitspraak van hem: «Wat is fijner dan reizen met Florentia? Reizen zonder Florentia.» Dat moest je zo begrijpen: Dick had een duidelijke methode, nee het was eerder een houding in de wereld. Hij confronteerde zijn eigen systeem van maatstaven, smaak, voorkeuren of ideeën met de wereld en trok de conclusie: dit past mij, dit past mij niet. Hij wilde bij de eerste kennismaking met een nieuw landschap, zeg Madagascar, het liefst alleen zijn, zodat hij niet door de voorkeuren of opmerkingen van een ander zou worden beïnvloed: «De pest van elk samenreizen is dat je niet tot zuivere appreciaties komt. Wanneer een landschap, dat mij niet veel zegt, door iemand als G. luidruchtig afschuwelijk wordt gevonden, voel ik me tot verdediging genoodzaakt en omgekeerd als ze iets ophemelt. Natuurlijk geldt het alleen voor de niet duidelijk te waarderen dingen. Samen reizen dwingt tot indirecte oordelen. Hetzelfde trouwens voor samenleven.» Hiermee roept hij van zichzelf een beeld van isolement op, waarvan ik vermoed dat het sterker is dan de werkelijkheid. Want was hij in de dagelijkse omgang niet gewoon een aardige jongen? Ik weet het niet.

Wanneer Dick zei: «Argumenten bestaan niet», bedoelde hij dat ieder individu reageert volgens zijn eigen structuur en dat die reactie dus niet te beïnvloeden is. Je zou nog gaan denken dat deze opvatting typisch is voor de bioloog, maar integendeel, de bioloog is juist gefascineerd door het aanpassingsvermogen van de organismen in hun strategie om te overleven. Nee, deze grondhouding is Dicks eigen, persoonlijke kenmerk. Zij gold ook voor maatschappelijke ontwikkelingen, muziek en boeken. En kijk hoe hij dat onder woorden brengt in een gedichtje dat het omslag siert van zijn bundel Uit groeiende onwil enz.:

niets weten

alleen de gegevens der zintuigen

bespringen op eigen kracht

weefsel van eigen lijnen

redden uit de mist

Deze houding was zijn instrument om zijn verrassende, tot glimlach en tegenspraak prikkelende columns te schrijven. Hij noemde die stukjes «schrijfsels» of «bedenkseltjes», en, geloof het of niet, ik ergerde me aan wat ik noemde «onjuiste uitgangspunten» en «te gemakkelijke conclusies». Ik vond het behaagziek. Misschien had ik wel een beetje gelijk, maar hij had er afzet voor, voornamelijk in Hollands Maandblad, en daarna in boekvorm bij Van Oorschot. En hij vond weerklank, die nog niet verdwenen is: «Ik kocht indertijd al zijn essaybundels en als ik er weer eens in lees, krijg ik een beetje medelijden met een generatie die dat allemaal mist», schrijft Hans Ree in zijn column van 25 juli 2000 in NRC Handelsblad.

We hadden een permanent geschil. Voor hem, de typische bioloog, was de mens in de eerste plaats een dier, behept met eigenschappen die alle dieren hebben, zoals reageren op prikkels en territoriumdrift. Ik vond echter juist de verschillen interessant, het punt waar de mens ophoudt dier te zijn door zijn buiten proportie ontwikkelde hersenen. Dat mag je voor mijn part degeneratie noemen, maar het is er wel. Aan die veel te grote hersenknoop ontleent de mens het bewustzijn dat hem de mogelijkheid geeft zich in tijd en ruimte buiten zijn individueel bestaan voorstellingen te vormen. De mens kan zich in het verleden thuis voelen en zich in toekomstvisies verliezen. Hij neemt kennis van andere landen, werkelijk bestaande of gefantaseerde. Het bewustzijn is een schier oneindige ruimte, waarin de mens zich kan bewegen en, ja, inderdaad, kan verdwalen. Dit onderscheidt de mens van alle dieren.

Maar er moet nog iets zijn geweest dat tussen ons bleef staan. Ik heb zeker weleens laten vallen dat we een jaar lang een gulden boete zouden moeten heffen op het gebruik van de namen Ter Braak en Du Perron. Dat kwam doordat ik dacht dat een non-conformist ook echt non-conformist moet zijn. Nu was Dick geen Paul Dehoes uit Voskuils Bij nader inzien, die bij van alles en nog wat Ter Braak als ijkpunt aansleepte, maar zijn bewondering voor Du Perron was echt. Het kan dat hij mij die grap nooit heeft vergeven, omdat hij voelde dat ik er iets van meende. Grapjes bestaan niet, placht Manuel van Loggem te zeggen. Er zit altijd een kern in, die je meent. Het bleef kibbelen tussen ons. Maar let nu op: haal die oude Stoa-reeks-boekjes van hem uit de kast en je merkt dat Hans Ree gelijk heeft: je blijft lezen; want wat Dick schreef heeft een blijvende charme.

Zo had Dick Hillenius al vroeg alles wat ik niet had: een eigen stijl, een duidelijk wereldbeeld en toegang tot de literaire wereld. Hij had een tijdschrift, uitgevers (naast Van Oorschot de Arbeiderspers), nam deel aan de avond Poëzie in Carré op 28 februari 1966 en kreeg literaire prijzen. Hij zat zelfs van 1972 tot 1975 in het bestuur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Dat fonds is onafhankelijk en doet goed werk, maar je verwacht het niet van iemand die zo’n afkeer zegt te hebben van nette mensen. Ik zag dus dat hij, evenals Renate, overspoeld werd door succes. Des te moeilijker kan ik zijn voortdurende rivaliteit en ergernis jegens mij plaatsen, en in de jaren zestig zijn onverwachte woede-uitbarstingen, toen ik eindredacteur van Verstandig ouderschap was en Spiegel van Sem publiceerde. Die poëzie vond hij ergerlijk, maar hij schreef dat hij niet onder woorden kon brengen waarom. «Dostojevski ligt me ook niet, dus troost je als je daar behoefte aan hebt.» (Karel van het Reve had toen juist Doskojevski in de ban gedaan, dus zo zat dat; daar werd een literair correcte cultus geboren, al waren die uitdrukkingen met «correct» toen nog niet in zwang.)

Ik dacht, nu werk ik aan de praktische uitvoering van die dingen waarover wij in de PC-tijd veel hadden gepraat: seksuele emancipatie op het ene gebied; droge, observerende poëzie, wars van Vijftigers-fratsen, op het andere gebied. En dan hoop je meer of minder bewust op de bijval van de oude vrienden. Maar wat je had kunnen voorspellen, gebeurde. De vroegere medestander zag de dingen een fractie anders en dat leidde tot een extra scherpe afwijzing. Nee, we hebben nooit meer met elkaar gepraat, het kwam er niet van.

Heeft Dicks oeuvre naast die veroverende charme ook blijvende waarde? Ik zou haast zeggen: het zou hem een zorg zijn geweest. Dick ging schilderen en balletten maken met Koert Stuyf. En hij gaf college. Wat hij schreef is opzettelijk provocerend, vluchtig; hij wijst samenhang, consequentie en vormverfijning af. Zijn gedichten missen de ambitie van de op het eerste gezicht zo verwante Chris van Geel. In deze vluchtigheid ligt de charme van de details, maar ook de vergankelijkheid van het oeuvre als geheel. Hij hoort tot de schrijvers die de stem van hun tijd zijn, die echo’s opvangen en doorgeven, ideeën lanceren en stimuleren, en van wie je als tijdgenoot alles probeert te pakken te krijgen; maar die een volgende generatie praktisch niets meer te zeggen hebben. Zij behouden hun belang voornamelijk voor de historicus en literatuurliefhebber.

Geen blijvende waarde dus? Ach, niets is geheel waar en misschien zelfs dat niet. Want hij was een pionier, de eerste van onze schrijvende biologen, zoals Maarten ’t Hart, Midas Dekkers en Tijs Goldschmidt.

Dick Hillenius’ grootste wapenfeit, zijn aanspraak op blijvende roem, lag in de «kikkeraffaire». Wij herinneren ons hoe hij het kwam vertellen. Het was in 1957. Een boer had hem opgebeld met een totaal ongeloofwaardig verhaal. De boer had in een sloot kikkers gevonden in alle stadia van de ontwikkeling van kikkervisje tot kikker, met de gekste misvormingen, zoals twee koppen, twee staarten, zes poten en wat niet al. Dick geloofde het niet, de boer hield aan. Zomaar een gek die je opbelt, daar hebben alle deskundigen, wetenschappers even goed als journalisten, ruim ervaring mee. «Boot afhouden» is de standaardreactie… Maar deze hardnekkige opbeller had wel een heel raar verhaal. De keuze was: afwijzen, of de gok wagen en hem laten komen. Dick had de intuïtie de man te geloven en hem met zijn vreemde vondst in een jampotje op het lab te laten komen. Wat hij te zien kreeg, was verbijsterend, want het was precies de waarheid van het verhaal.

De sloot, waarin de deformaties waren gevonden, liep achter het Instituut voor Kernphysisch Onderzoek in de Watergraafsmeer. Dick zag het verband. Hij begreep dat de chromosomen in de kikkerdril waren beschadigd door radioactief afval afkomstig van het instituut, dat achteloos in de sloot was geloosd.

Wat volgde, was de strijd tegen de weerstand van de nette mensen en de akelige kereltjes. Dat waren in dit geval: de ontkennende professoren en de arrogante deskundigen. Er kwam een commissie om de sloot te inspecteren en wat bleek? Er waren geen gedeformeerde dieren in de sloot te vinden. Er was echter, om volledig te zijn, helemaal geen levend organisme meer in die sloot te vinden. Toen ontpopte Dick zich als een vechtersbaas. Hij alarmeerde de publieke opinie. Hij had succes. Er kwamen nieuwe veiligheidseisen voor de lozing van radioactief afval. Wij volgden de geschiedenis via zijn zelf-relativerende verhalen, wij leefden mee, maar op een afstand. Dichterbij kwam je niet.

Hij had zijn huisje in Uffelte, waar hij een natuurlijk moeras trachtte te laten ontstaan. En hij kwam vaak in Groet bij Chris van Geel. Daar groeide een aparte vriendenkring. Met Chris had hij de aandacht voor de natuur gemeen, en de puntige, observerende stijl van zijn gedichten en tekeningetjes. Voor het overige kan ik geen verwantschap in hun persoonlijkheden ontdekken. Het is alsof zij, van verschillende uitgangspunten vertrokken, elkaar ontmoetten in de vorm. Echte verwantschap was er, denk ik, met Leo Vroman, met wie hij correspondeerde.

Waren we bevriend? Ik geloof niet dat vriendschap een categorie was waar Dick Hillenius in dacht. Maar die paar keer dat we in later jaren elkaar op straat tegenkwamen, sprong hij van de fiets, liet hem midden op straat vallen om ons tegemoet te rennen en Truusje te omhelzen. Dat is ook een deel van wat echt gebeurd is. We hebben niet de tijd gehad om toch nog naar elkaar toe te groeien. Dick stierf op 4 mei 1987, kort voor zijn zestigste verjaardag.

Als ik nu op die jaren terugkijk, valt het me op dat Dick de enige van alle kennissen was in wiens uitstraling en conversatie de oorlog geen rol speelde. Dat was voor het eerst in mijn kennissenkring, maar je miste het niet. Het treft me nu pas.