Volksschrijver Dickens

Dickens, waar zijn uw spoken?

Charles Dickens was niet die machtige realist die met zijn romans de Britse standen- en klassenmaatschappij wilde hekelen tot de bezitlozen in opstand kwamen. De volksschrijver was het vleesgeworden harmoniemodel, en koos voor verzoening in plaats van klassenstrijd.

Karl Marx liep met hem weg. Voor de vileine criticaster van het negentiende-eeuwse kapitalisme was volksschrijver Charles Dickens (1812-1870) een voorbeeld van eigenzinnig socialisme. Aan kompaan Friedrich Engels schreef Marx dat Dickens «over de wereld meer politieke en sociale waarheden had uitgestort dan er door alle professionele politici, publicisten en moralisten bij elkaar zijn verkondigd». G.B. Shaw deed er nog een schepje bovenop door de roman Little Dorrit (1857) — waarin Dickens het Departement van Omhaal introduceert als satire op de bureaucratische Britse bestuursmoraal en waarin hij ook het gevangeniswezen hekelt — opruiender te noemen dan Das Kapital.

Maar er waren ook andere, kritischer geluiden te horen. Trollope afficheerde hem als «Mr. Popular Sentiment». Andere colle ga’s, die zijn immense populariteit met lede ogen aanzagen, spraken over Dickens’ sentimentele radicalisme, zijn liberale huicheltaal of zijn romantische ressentiment. Ze noemden hem — de bestsellerauteur die als feuilletonschrijver zijn Britse middenklasselezers van de leesbibliotheek al te vaak naar de mond schreef — een pseudo-filantroop die niet kon kiezen tussen traditie en vooruitgang, een Victoriaan die kapitaal en arbeid wilde verzoenen.

Kon Karl Marx dan niet lezen? Arnold Hauser las Dickens heel anders dan zijn leermeester Marx. In Sociale geschiedenis van de kunst (1951) noemt hij hem een discipel van Thomas Carlyle, de romantische Victoriaanse denker die zich tegen de Industriële Revolutie verzette en de middeleeuwse gemeenschapskunst vereerde. Dickens maakte zich niet zozeer druk om het lot van het negentiende-eeuwse fabrieksproletariaat (ondanks een roman als Hard Times) maar om de teloorgang van het kleine ambacht. Niet ten onrechte vergelijkt Hauser Dickens’ romans met amusement, populaire films en schlagers. Met andere woorden: de anti-intellectuele feuilletonist Dickens maakte soap voor het geletterde volk. Zijn zedenprekerij en zijn sentimenteel-moraliserende toon waren politiek onvruchtbaar omdat hij altijd preludeerde op de goede wil van de bezittende klasse. Een hondenmoraal noemde Hauser dat, waar hondentrouw uit voortvloeide.

Misschien was Dickens wel een volmaakte vertegenwoordiger van het negentiende-eeuwse poldermodel. Hauser spaart hem niet en omschrijft hem als «primitief en bot» en als een «groot kind» dat ongevoelig bleef voor de diepere levensproblemen. Een «kleinburger in verzet» is hij, een vernederde die nooit vergat dat hij als tienjarige jongen in een schoensmeerfabriek te werk werd gesteld nadat zijn vader wegens schulden in de Londense Marshalsea-gevangenis was vastgezet. Voor Taine blijft Dickens burgerlijk fatsoen, zijn romans zijn niet meer dan een kerstfilosofie, die de Franse letterkundige aldus definieerde: «Weest goed en hebt elkander lief; het gevoel van het hart is de enige werkelijke vreugde — laat de wetenschap over aan de geleerden, de trots aan de aanzienlijken, de weelde aan de rijken.»

En toch geeft Hauser één typering van Dickens’ werk die meteen een voorstel inhoudt om hem ánders te lezen, niet als schrijver van sociale satires maar als een Victoriaanse «vertwijfelde, een door angstdromen geteisterde surrealist». Dickens nu nog lezen als «machtige realist» (Frans Coenen) werkt niet meer. Beschouw hem als een surrealistische soap- en slapstickproducent, ervaar zijn personages als humoristische karikaturen en zie zijn boeken als schelmenromans die vaag knipogen naar Daniel Defoe.

Het kan geen toeval zijn dat het hevig spookt in Great Expectations (1861), de roman die vlak voor kerstmis in een nieuwe vertaling uitkwam en op de flap staat aangekondigd als… sociale satire. Wie weigert om deze Dickens zo te lezen, geniet misschien wel meer van deze als potboiler begonnen roman. Noem Great Expectations een humoristisch-ironische thriller met ingenieuze plot of een absurdistische tragikomedie en het boek wordt er meteen beter op.

Dorpswees en leerling-smid Pip (Philip Pirrip), onverwacht bedeeld met een fortuin van een onbekende weldoener, gaat gebukt onder een Victoriaans smachten naar de andere sekse en ziet allerlei schimmen en spoken. «Dickens, waar zijn uw spoken?» vroeg Dickens-adept Godfried Bomans zich al in een boekje met dezelfde titel af. In Ebenezer Scrooge, de hebzuchtige die vrijgevig wordt. In Great Expectations! Geen wonder dat Dickens de twijfelende Hamlet laat opdraven, de weinig doortastende zoon van zijn vermoorde vader die als een geest vol wraakgevoelens in het hoofd van de halve wees rondspookt. Nevels boven een moeras, mistslierten die over de Theems drijven, hallucinaties en verschijningen, Londen in witte sluiers, spookachtige moord en doodslag in de smidse of het moeras of op het water — Dickens laat er geen misverstanden over bestaan.

«De Kolder in de kop, Pip, en de Kolder uit de kop, Pip — zo is het leven.» Aldus smid Joe Gargery, getrouwd met de veel oudere zus van Pip. Bondiger kan Great Expectations niet worden samengevat. En Pip krijgt als naïeve nazaat van Shakespeares Hamlet de volgende karaktertrekken mee van zijn Londense vriend Herbert en collega-ledigganger: «een aardige kerel, met een vreemde mengeling van eigenschappen: onstuimig maar ook weifelmoedig, brutaal maar ook verlegen, voortvarend maar ook dromerig».

In bijna zestig hoofdstukken smeert Dickens Pips geschiedenis uit, die aanvankelijk van december 1860 tot juni 1861 in twintig wekelijkse afleveringen in zijn eigen blad All the Year Round werd gepubliceerd. Was David Copperfield (1850) het succesverhaal van het gevecht omhoog, Great Expectations vertelt het verhaal wég van het maatschappelijk succes: Pip blijft vrijgezel en wordt een middelmatig koopman in Egypte, een kleinburgerlijk en preuts handelaartje dat achteraf zijn levensloop vertelt en zijn gemiste kansen opsomt. Een brave-hendrikkenverhaal (à la Van Lenneps thriller Ferdinand Huyck) over de gulden middenweg, over verraad aan de afkomst en de liefde, over lafheid, over kinderangst en middenstandsmoraal.

Maar toch: los van alle sentiment, pathos, burgerlijke romantiek («de romantiek met de geknotte vleugels als een tamme vogel» — Frans Coenen) en Victoriaanse onderdrukking van de zinnelijkheid is daar af en toe die zweem van ironie tussen de regels door. Is die ironie niet Dickens’ relativering van zijn potsierlijke en maagdelijke Pip, die ook wel weet dat Londen stikt van de hoeren maar er niet één ziet, laat staan opzoekt? Wie schrijft anders zulke zinnen als: «Ik (Pip — gb) werd altijd behandeld alsof ik met alle geweld geboren had willen worden, in strijd met de voorschriften van rede, religie en moraal, en in weerwil van het negatieve advies van mijn beste vrienden.» Of: «In die tijd vonden wij Britten het absoluut landverraad om eraan te twijfelen dat wij het beste van alles hadden en waren.» Great Expectations heeft niet voor niets een ironische titel. Wat verwacht de kleinburgerlijke lezer? Gegriezel en gruwelen kan hij krijgen, maar ook een braaf aangepast alternatief slot.

Maar Dickens behaagt én plaagt. Want Great Expectations lees ik liever niet als een sociale satire maar wel als een artistieke satire. Vergeet die maatschappelijke boodschap en de moralistische oprispingen, zijn zedenprekerij. Dickens donderjaagt met genres, personages en plots. Frans Coenen schreef al in zijn studie Charles Dickens en de Romantiek (1911) dat er een superieure humor valt te bespeuren in Great Expectations «wanneer de ruige boef, naar Europa teruggekeerd, zich verheugt in het welslagen van zijn levenswerk: de opvoeding tot een verfijnden wereldling van Pip en deze zelf, nu eerst wetend wie zijn weldoener was, in stomme afschuw en schaamte daartegenover staat». Coenen vindt dat gegeven te barok om geloofwaardig te zijn. De schrijver schikt zijn personages al te opzichtig en verre van realistisch als marionetten.

Maar is die dwingende regie niet juist onderdeel van de artistieke satire die Dickens wil bedrijven? Overdrijft hij — als surrealist en niet als realist — niet expres en construeert hij niet opzettelijk een uitzinnige plot die wel op de lachspieren moet werken?

De aanleiding om Great Expectations te schrijven was puur commercieel. Dickens’ weekblad All the Year Round was in de versukkeling geraakt omdat de afleveringen van Charles Levers’ roman A Day’s Ride niet in de smaak van het leespubliek vielen. Dickens de entertainer wist de oplage weer op te krikken met Pips picareske lotgevallen in en rond het Londen van 1820. De vernuftige opbouw van de plot staat in dienst van het feuilleton-idee. De ontmoeting in het moerasgebied buiten het dorp tussen Pip en een dwangarbeider (die hij eten geeft en niet verraadt) zal vroeg of laat gevolgen hebben. De geoefende feuilletonlezer weet dat. Alles en iedereen krijgt met elkaar te maken: juffrouw Havisham, op haar trouwdag verlaten door haar echtgenoot in spe waarna de tijd in haar huis willens en wetens stilstaat; Estrella, haar aangenomen dochter op wie ze haar wraakgevoelens jegens mannen botviert en die als verleidelijke jongedame en opgeleide wraakgodin haar kille charmes op Pip loslaat; de dwangarbeider in het moeras, later levenslang naar Australië verbannen, die terugkomt om te zien hoe Pip het fortuin verkwanselt dat hij hem anoniem toespeelt uit dankbaarheid voor Pips betoonde kinderdiensten; Pips zus, die hem «met de hand» grootbrengt, dat wil zeggen met slaag en intimidatie («Je zus is gek op gezag.»); Pip zelf, die «een heer» wil worden, zijn dorpsmilieu verloochent en die de hoge verwachtingen niet waarmaakt. «Ik was verdwaald in het doolhof van mijn toekomstige fortuin en kon de zijpaden die we (smid Joe Gargery en hij — gb) samen hadden bewandeld niet terugvinden.»

Iedereen in de roman loopt rond met ketenen, zichtbare en onzichtbare. De plot cirkelt rond het onlogische, absurde feit dat de dwangarbeider zijn Australische vrijheid opgeeft en zelfs zijn leven op het spel zet voor een ideaal: Pip belonen voor zijn goede kinderdaad. De dwangarbeider kan niet anders dan steeds opnieuw het gevaar opzoeken. Maar hij belast Pip «met zijn gouden en zilveren ketenen».

Nee, Dickens was niet die machtige realist die via zijn romans de Britse standen- en klassenmaatschappij wilde hekelen tot de bezitlozen in opstand kwamen. Dat ging hem veel te ver. Karl Marx zat ernaast, zijn Dickens-lectuur was een hinein-interpretatie. Dickens bleef het vleesgeworden harmoniemodel, de schrijver die tussen de klassen in zat en die naar elkaar toe wilde schrijven. Verzoening in plaats van klassenstrijd. Georg Lukács had, bijna een eeuw geleden, gelijk toen hij in zijn Theorie van de roman, sprekende over het verhevene en humor en over zielsvernauwing en zielstranscendentie, weliswaar Dickens’ humoristische personages herkende maar die ook als vlak en kleinburgerlijk afdeed. Het zijn inderdaad stuk voor stuk typetjes, personificaties en karikaturen die Dickens presenteert in zijn spel om de lezer te verleiden. Hij gaat zelfs zo ver op aanraden van zijn collega-schrijver Bulwer-Lytton het einde van Great Expectations te veranderen: van een nuchtere, objectieve terugblik oftewel een commentaar van buitenaf wordt het slot een mierzoete epiloog waarin Estrella en Pip nog één keer weemoedig terugblikken. Weg zijn de sadiste Estrella en de masochist Pip. Een knieval om het oorspronkelijke harde einde voor zijn teergevoelige leespubliek te verzachten.

Frans Coenen zag Dickens eerder als een dichter dan als een epicus en vond Great Expectations — een verhaal van «de kleinere en stillere soort» — de laatste gave uiting van Dickens’ talent. Hij las «een rijpe en rijke roman» over Pip, de jongeling die door voorspoed wordt bedorven, zoals David Copperfield in het ongeluk wordt gestaald. Coenen roemde vooral de beschrijvingskunst van Dickens. Zeer te spreken was hij over de openingsscène, waarin Pip zichzelf, gedicteerd door Dickens, met enige rake pennenstreken als wees portretteert: «De beschrijving van tijd en plaats, de stemming van het oogenblik in beider eenheid, dit alles is hier gegeven in een stukje van weinige regels, waarvan men beseft, dat het ijdel spel zou zijn, er de gewone termen realistisch of romantisch, symbolisch of idealistisch, op toe te passen, omdat hier de eenheid van al die kwaliteiten gegeven is.»

Wie nu Hard Times of David Copperfield leest, Little Dorrit of Great Expectations, komt tot de ontdekking dat de politieke reporter Dickens ons veel minder te zeggen heeft dan de schrijver Dickens. Die concentreerde zich op het onderhuidse geweld dat het conventionele leven beheerst, op de alarmerende leegheid en zinloosheid van het dagelijks bestaan, op de valse verwachtingen die her en der worden gewekt, op de verschrikking van de eigen jeugd, op de gevangenis die huwelijk, religie, werk of liefde heet. «De hemel weet dat we ons nooit hoeven te schamen voor onze tranen, want zij zijn als regen op het verblindende stof der aarde dat onze harde harten bedekt.» Dat denkt de huiselijk-romantische Pip vlak voordat de dorpsnevels optrekken en de wereldstad Londen voor hem ligt. Het is sentiment met dat intrigerende zweempje ironie, het Britse tongue in cheek, dat van Great Expectations toch een surrealistische roman maakt waarin een spookachtig spel wordt gespeeld met literaire genres en met de Victoriaanse keurslijfmoraal. Dickens’ romans vormen een verrassende mengeling van op effectbejag berekende amusementslectuur en surrealistische ironie. Dickens is in de 21ste eeuw allang voorbij het realisme of de sociale satire.

Charles Dickens

Grote verwachtingen

Vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters

uitg. L.J. Veen, 559 blz., € 31,72