De voetbaljunta - Euro 2004

Dictator Futebol

Een militaire staat van beleg, veiligheidspsychoses, media-oververhitting: alleen al om wat ze in de aanloop tot de Europese Kampioenschappen voetbal 2004 geleden hebben, verdienen de Portugezen de titel. De prijs van een sportieve mislukking is economische herkolonisatie vanuit Spanje. Een bericht uit een land op drift.

Aan de dramatische oproep van bondscoach Luiz Felipe Scolari aan alle Portugezen om het gehele land «van noord tot zuid» te behangen met de nationale driekleur is massaal gehoor gegeven. Aan miljoenen Portugese balkons wappert de vlag, als aanhankelijkheidsbetuiging aan de nationale voetbalselectie, waarvan tijdens het aankomende toernooi om de Europese landentitel een wonder wordt verwacht. Het is een ongekend staaltje eensgezindheid van de normaal gesproken altijd hopeloos verdeelde Portugezen. Zelfs mijn zwager Jorge, geschoold filosoof in de traditie van Socrates, lokale held van de Anjerrevolutie in onze woonplaats Braga, heeft het rood-geel-groen uitgehangen. Normaal is hij wars van alles wat met nationalistisch pathos te maken heeft. «Maar de tegenkrachten zijn te sterk», zegt hij berouwvol. Nadat Jorge overstag was gegaan, sloeg het vuur over naar de rest van de familie, zodat bij ons op het balkon nu ook een Portugees vlaggetje wappert, verstopt tussen de geraniums. Ik protesteerde nog bij mijn echtgenote: «Weet je dan niet dat die Scolari een Braziliaanse potentaat is met een voorliefde voor charismatisch leiderschap à la Pinochet?» Ook vergat ik niet haar zwakste plek, de FC Porto: «En is Scolari niet de man die ervoor heeft gezorgd dat jouw idool Vitor Baía buiten de selectie ligt, ook al heeft hij met Porto twee Europese titels achter elkaar gekiept?» Het mocht allemaal niet baten. «Dit is niet voor Scolari», sprak mijn betere helft terwijl ze ongenaakbaar het vlaggenstokje in de bloemenbak plantte. «Dit is voor het team, voor het hele land. En trouwens, als je wilt, mag je er best wel een oranje vlaggetje bij zetten.» Na haar te hebben verzekerd dat het laatste zolang J.P. Balkenende over Nederland regeert geen optie kon zijn, berustte ik verder in mijn lot als passief participant in wat de grootste vlaggenschouw uit de geschiedenis van het Iberisch schiereiland moet zijn.

Het beruchte adagium van Rinus Michels — voetbal is oorlog — wordt ter gelegenheid van de Europese Kampioenschappen voetbal 2004 in Portugal wel erg letterlijk genomen. Er zitten totalitaire trekjes aan het evenement. Vanaf deze week zal Portugal in staat van beleg verkeren. De coördinatie van de veiligheid tijdens het toernooi is in handen van generaal Leonel de Carvalho, een oude ijzervreter die meer dan twintigduizend agenten onder zijn commando heeft, plus enkele contingenten straaljagers, vliegdekschepen en onderzeeboten. Minister van Defensie Paulo Portas reserveerde bijna de gehele militaire slagkracht van Portugal voor de ordebewaking. Het verdrag van Schengen is door de Portugese regering tijdelijk opgeschort om weer aan grenscontrole te kunnen doen. Er is Duitse knowhow ingeslagen op het gebied van hooliganbestrijding. De Portugese regering besteedt in totaal 16,5 miljoen euro aan extra materiaal voor de politie tijdens het EK. Van dat geld zijn negen waterkanonnen aangeschaft, 1340 helmen, 2000 brandvrije pakken, 1200 schilden en 1000 knuppels, naast de nodige pepperspray en een paar roedels politiehonden. Er zijn hightech-radarsystemen aangeschaft die binnen een straal van enkele kilometers al het mobiele telefoonverkeer kunnen platleggen, om te voorkomen dat terroristen hun bommen via hun mobieltjes kunnen doen ontploffen, zoals op 11 maart het geval zou zijn geweest bij de aanslagen op de metro van Madrid. Er is droog geoefend met gifgasaanvallen in de metro van Lissabon en Porto. Hele veldslagen met als hooligans verklede agenten zijn gesimuleerd.

Maar nog steeds is men er niet gerust op. Er is sprake van een «veiligheidspsychose», constateerde coördinerend generaal De Carvalho onlangs. Daardoor komt de burgerlijke vrijheid in het geding, zei hij er nog bij. Feit is dat de Portugese media zeer oververhit speuren naar veiligheidslekken. Een verslaggever van de Correio de Manha meldde in een recente editie triomfantelijk hoe zonder enig probleem een complete bom — gedemonteerd weliswaar — naar binnen werd gesmokkeld bij een oefeninterland van de nationale selectie. Tv-zender TVI deed iets soortgelijks door een partij springstof van Spanje naar Portugal over te brengen. Tot overmaat van mediageluk kwam CNN onlangs met het verder niet bevestigde bericht dat de resterende Hamburgse afdeling van al-Qaeda — die eerder tekende voor 11 september — inmiddels in zijn geheel naar Portugal is afgereisd.

Zo kwam de schrik er goed in. Portugal is nog steeds een van de trouwste partners van Bush en Blair in Irak. Ook na het vertrek van de Spanjaarden bleef het Irak-contingent van de Portugese rijkswacht GNR trouw op de post. Minister Portas van Defensie sprak nog zeer recentelijk de verwachting uit dat het Portugese leger op grotere schaal zal deelnemen aan het Iraakse «peace process» — en zijn bereidheid daarvoor te zorgen. Vandaar die Portugese vrees voor Bin Laden cum suis. De Portugese regering was diep gekrenkt toen een hoge official van de Europese voetbalbond Uefa vorige week verklaarde dat het in Portugal in zijn ogen makkelijk bommen leggen was omdat er overal en altijd wel iemand kon worden omgekocht.

Om de spanning nog op te voeren, kondigde in de aanloop naar het toernooi zo’n beetje de gehele publieke sector van Portugal stakingen aan. Verplegers, dokters, douane, politie, brandweer — alles en iedereen dreigde er het bijltje bij neer te gooien zodra het eerste fluitsignaal had geklonken. Portugal loopt economisch op de laatste benen. Bedrijfssluitingen zijn aan de orde van de dag, tal van ondernemingen wijken uit naar de nieuwe EU-partnerlanden of naar Marokko. Ook de publieke sector bezwijkt onder de bezuinigingsdrift van de regering-Durão Barroso. Vooral de stakingsdreiging bij politie, douane en brandweer bracht de centrumrechtse regering eind mei in staat van totale paniek. Premier Durão Barroso sprak in het parlement harde woorden richting de Partído Comunista Português (PCP), die volgens hem de kwade kracht was achter de dreigementen.

Aan het voetbaltoernooi — «de grootste investering die Portugal ooit heeft gekend», aldus de premier — worden door de Portugese regering bijna mythische kwaliteiten toegedicht als wondermiddel ter redding van de Portugese economie. Wie dat project in gevaar brengt, maakt zich met andere woorden schuldig aan landverraad. Vandaar de ongekende aanval op de PCP, de oudste bestaande partij van Portugal (1921), die van oudsher goede relaties heeft met het vakbondswezen. Als zich tijdens het toernooi een catastrofe voordoet, zo sprak de premier getergd, zal die op het conto van de PCP worden geschreven. En dus spraken de Portugese communisten verontwaardigd van «een heksenjacht» die deed denken aan de tijd van Salazar. Zij wezen alle verantwoordelijkheid van de hand en stelden dat de vakbonden autonoom tot hun dreigementen waren gekomen.

De ambtenaren van politie, brandweer en douane klagen inderdaad structureel steen en been over onderbetaling, onderbezetting en gebrek aan materieel. Secretaris-generaal Carlos Carvalhas van de PCP beschreef de beschuldigingen van de eerste minister — zelf in een vorig leven als student tijdens de Anjerrevolutie lid van de maoïstisch-trotskistische splinter MRPP — als «calculerend, cynisch en pervers». Ook vond hij ze getuigen van «autoritaire denkbeelden die op aanstootgevende en brutale wijze indruisen tegen de democratische basiswaarden», kortom van «puur politiek terrorisme».

Zo werd met dank aan het voetbalgebeuren voor het eerst in lange tijd weer gesproken van het «rode gevaar» in Portugal. De Portugese communisten hebben sinds hun daverende triomfen in de eerste twee jaar na de Anjerrevolutie van 25 april 1974, toen Henry Kissinger vreesde dat Portugal zich zou omvormen tot een marxistisch-leninistische volksrepubliek, toch vooral nederlagen geïncasseerd. Direct na de Anjerrevolutie was de PCP een regeringspartij. De charismatische leider Alvaro Cunhal, fameus door zijn uitputtende redevoeringen en spierwitte haar dos, stond tijdens de dictatuur bekend als een van de grootste vijanden van Salazar en diens opvolger Marcello Caetano. Als leider van de verboden PCP werd Cunhal diverse malen gearresteerd door de politieke politie Pide. Zijn ontsnapping uit de gevreesde gevangenis van het Forte de Peniche in 1960 was indertijd een grote slag voor het regime. Als literator maakte Cunhal naam met zijn autobiografische roman Até manha, camaradas, een klassieker in de anti-salazaristische literatuur.

Toen Cunhal op 30 april 1974 terugkeerde uit ballingschap werd hij door socialisten leider Mario Soares met bloemen opgewacht bij het vliegveld van Lissabon. Daarna kwam het al snel tot een breuk tussen de socialisten en de communisten. Aanleiding was het PREC, het Processo Revoluccionário em Curso, het permanente revolutionaire proces in het kader waarvan in Portugal een golf van nationaliseringen op gang kwam, zowel in industrie als landbouw. De PCP nam hier enthousiast aan deel. De socialisten onder Soares opteerden al snel voor een kapitalistisch model op sociaal-democratische grondslag.

In de «hete zomer» van 1975 kwam deze tegenstelling binnen de linkse regering tot ontploffing: behoudende militairen schaar den zich aan de zijde van de socialisten en gingen over tot de onttakeling van het PREC. Op 25 november 1975 werden meer dan zeshonderd revolutionaire krachten in het leger — op de hand van de PCP — gearresteerd, onder wie de held van de Anjerrevolutie Otélo Saraiva de Carvalho. Ondertussen werd de PCP in het noorden het slachtoffer van een reeks bomaanslagen, in een door katholieke geestelijken gecoördineerde actie die als codenaam Maria da Fonte meekreeg, naar een volksvrouw uit de bergen van de Minho die in de negentiende eeuw tegen de republikeinen had gevochten voor koning en kerk. Dit alles eindigde met een politieke nederlaag van de PCP.

25 november 1975 is dan ook een vervloekte dag in de geschiedenis van het Portugese communisme. Verbitterd over het «verraad» van Soares groeven de kameraden zich in in de oppositie. Ze kunnen nog altijd rekenen op een vast marktaandeel van ongeveer tien procent van de stemmen, met name te danken aan de arme Alentejo-provincie. Leider Alváro Cunhal bleef de Sovjet-Unie — «de zon in dit universum» — verheerlijken tot de laatste snik, en de Portugese communisten leken veroordeeld tot niet veel méér dan een folkloristische rol in de oppositiebanken. Als gevolg van het voetbalvirus stonden zij de afgelopen weken echter weer eens volop in de schijnwerpers.

Of de PCP werkelijk van zins zou zijn geweest Portugal met stakingen te verlammen op het moment van Euro 2004 is echter zeer de vraag. Een dergelijke actie zou electoraal in elk geval weinig verstandig zijn. Voetbal is in de Latijnse cultuur van Portugal onderdeel van een staatsreligie geworden waar ook de communisten zich aan moeten conformeren, precies zoals de partij dat ook pleegt te doen met de Heilige Moederkerk. Niet voor niets wenst de PCP haar leden in december met grote banieren altijd een gezegend kerstfeest. In elk geval lijken de stakingen bij de douane, de brandweer en de politie vooralsnog te zijn afgewend. Als ze waren doorgegaan, zou de Portugese regering het leger hebben ingezet bij ordehandhaving en grenscontrole. In dat geval zou Portugal precies dertig jaar na de Anjerrevolutie weer ouderwets door het leger worden bestierd.

Wat zich heden in Portugal afspeelt, is door sociologen al omschreven als «de totale voetballisering van de natie». Ook is al gesproken van «de dictatuur van het voetbal», een begrip dat dertig jaar na de val van ’s lands laatste despoot Marcello Caetano nog tamelijk hard aankomt. Al ver voordat op 12 juni in het Estadio do Dragão (Stadion van de Draak) het startsignaal wordt gegeven voor de eerste wedstrijd van het EK 2004, Portugal-Griekenland, bevond Portugal zich in een staat van een koortsachtige verhitting die ver uitstijgt boven wat sportief gesproken nog verantwoord kan worden geacht. Er is een Fátima-achtige verlossingscultus ontstaan rondom het toernooi, niet in de laatste plaats door toedoen van de regering. Vorige week nog ontvingen alle Portugezen een brief van de regering waarin ze op het hart wordt gedrukt alle medewerking te verlenen aan het welslagen van het toernooi en mogelijke verstoringen van het dagelijks leven voor lief te nemen. In de brief wijst adjunct-minister Arnaut zijn landgenoten op het feit dat Portugal deze zomer door meer dan twee miljoen voetbalfans uit heel Europa zal worden bezocht. Dit is dé kans voor Portugal om zichzelf eens en voor altijd op de Europese landkaart van het toerisme te zetten, is de filosofie. Alles hangt nu af van het welslagen van het EK. Portugal zal zich als gastheer van het toernooi moeten bevrijden uit de dalendiepe recessie waarin het land zich al twee jaar bevindt.

En zo is er sprake van een totale mobilisering van de Portugese bevolking, die door middel van een ongekend mediabombardement voortdurend wordt herinnerd aan de zwaarwegende plicht zich straks van de meest gastvrije kant te laten zien. Lang niet iedereen is geïmponeerd. Schrijver-journalist Miguel Sousa Tavares nam in de maanden die voorafgingen aan Euro 2004 het voortouw in het sceptische tegengeluid. Volgens hem zal Portugal hoe dan ook geld verliezen aan het toernooi, en zal van alle messianistische heilsverwachtingen over economisch herstel uiteindelijk niets terechtkomen. Miguel Sousa Tavares: «Er is bij mijn weten nooit een land geweest dat geld heeft verdiend aan een toernooi als dit. In 2000 hoorde je de Nederlanders en de Belgen toch ook geen verhalen afsteken over hoe goed de Europese Kampioenschappen zouden zijn voor de economie? Dit is weer een typisch product van Portugese mythomanie, waar uiteindelijk niets van terecht zal komen. Aan het eind van het liedje zitten we straks met tien splinternieuwe stadions die speciaal voor Euro 2004 zijn gebouwd en die na het toernooi zo goed als leeg zullen staan.»

Of Euro 2004 de Portugese toerisme-indu strie op langere termijn goed zal doen, is inderdaad de vraag. De prijsstijgingen die zich in deze sector gedurende het toernooi dreigen voor te doen, behoren tot de excessieve categorie. Het weekblad Visão signaleerde in de Portugese hotellerie een opwaartse prijsdruk tijdens het toernooi van soms ruim 420 procent en sprak de vrees uit dat dit voor vele bezoekers tevens het laatste Portugal-uitje zal betekenen.

Tegen de klippen op blijft de Portugese regering de heilsleer verkondigen dat de «retoma», het economische herstel, zal inzetten in het kielzog van Euro 2004. Ook zal door het voetbal een einde komen aan de «crisis in zelfvertrouwen» die de regering manifest acht onder de Portugezen. Het is psychopolitiek met een hoge dosis mystieke verlossing. Als dit alles uitblijft, stevent Portugal verder af op het economische afvoerputje van het Economisch Stabiliteitspact van de Europese Unie, zo is de vrees. Het land is al diverse malen door Brussel met torenhoge boetes bedreigd.

Dit alles zou voor de Portugezen nog wel te verwerken zijn als hun ploeg straks op 4 juli in Lissabon de Europese beker in ontvangst mag nemen. Als de ploeg er echter al in de eerste ronde uit zou vliegen, zou dit voor het economisch al uitgeputte Portugal de morele genadeklap kunnen betekenen. «In dat geval kunnen we maar beter meteen een kolonie van Spanje worden», hoorde ik onlangs fatalistisch verzuchten in het buurtcafé van Zé Grande, waar eveneens de Portugese driekleur wappert. De gedachte was zo onverdraaglijk dat de bezoekers spontaan uitbarstten in een collectief fado-concert, geheel geïmproviseerd, dat tot diep in het ochtendgloren voortduurde. Sommige vormen van saudade zijn ook voor dit volk van zangers en dichters niet meer te behappen.