nterview: Henrik Eberle & Matthias Uhl

Dictators onder elkaar

De menselijke kant van Hitler is met name in Duitsland jarenlang onder het tapijt geveegd. Volgens de auteurs van Het boek Hitler moet dat ophouden: «We moeten van dat duivelse beeld af», zodat we ons beter tegen «zo’n figuur» kunnen wapenen.

Weer een boek over Hitler. Overbodig? Nee. De Duitse historici Henrik Eberle en Matthias Uhl zijn erin ge slaagd tóch weer nieuwe in zichten te presenteren. Nog belangrijker is dat het behalve Hitler ook nog eens een andere dictator doorlicht. Het boek Hitler is namelijk gebaseerd op de dossiers die Josif Stalin liet bijhouden over zijn tegenstrever.

Stalin had sinds de aanval van Duitsland op Rusland in 1941 een obsessieve belangstelling voor alles wat met Hitler te maken had. In het Kremlin liet Stalin een heuse Hitler-kamer in richten, een minimuseum waar persoonlijke gebruiksvoorwerpen van de Führer lagen uit gestald. Volgens hardnekkige geruchten zouden er na 1945 zelfs een paar botten van de Duitse leider in een la hebben gelegen, morbide oorlogsbuit na een overhaaste crematie voor de bunker in Berlijn. Stalin was vaak in de ruimte te vinden, soms gezeten aan de kleine schrijftafel van zijn aartsvijand. Maar zijn verzamelwoede was met de meubels en prullaria nog lang niet gestild. Hij wilde werkelijk álles weten van Hitler. Daartoe zette hij zijn geheime diensten aan het werk. Bij het Volkscommissariaat voor Binnenlandse Zaken (NKVD), later de KGB en de militaire inlichtingendienst, waren verschillende mensen alleen maar bezig met het vergaren van informatie over de dictator.

De belangrijkste onderzoeker was Fjodor Parparov van de NKVD. Deze luitenant-kolonel in het Rode Leger was indertijd de onder vragingsexpert aan het front. Aan de hand van vele en lange gesprekken met hoge Duitse officieren stelde hij een drie meter dik dossier over Hitler samen. Pas in 1949 sloot hij zijn onderzoek en presenteerde hij zijn tot 413 pagina’s ingedikte eindrapport aan Stalin: Het boek Hitler. Stalins reactie op zijn noeste werk is niet bekend, wel dat hij het rapport in zijn persoonlijke archief opborg en dat Parparov tenminste niet hoefde te vrezen voor zijn leider: hij liep gewoon Stalins kantoor weer uit na de presentatie.

Het brondossier van Parparov verdween daarna in het archief van de partij, zonder duidelijke vermelding in de index. Daar bleven de aktes enige tientallen jaren stof verzamelen, tot historicus Matthias Uhl ze in 2003 ontdekte. In 2004 bracht hij samen met nazi-expert Henrik Eberle een Duitse bewerking van de honderden documenten uit. Sinds vorige maand is er een Nederlandse vertaling. Matthias Uhl: «Natuurlijk waren er al zoveel boeken over Hitler, maar toen ik het dossier van Stalin in handen kreeg, wist ik dat ik er iets mee moest doen. Ik werd verliefd op dit dossier, op de ma nier waarop het zich ontvouwde als een zeer gedetailleerd document over Hitler én Stalin.»

Het meeste materiaal bestaat uit de minutieuze verhoren van twee persoonlijke adjudanten van Hitler, Otto Günsche en Heinz Linge, die na de val van Berlijn in Russische handen vielen en vervolgens jarenlang dage lijks door Parparov aan de tand werden ge voeld. Beide mannen zijn tot op het laatst bij hun baas in de bunker aanwezig geweest en konden hun ondervragers over de hele periode van 1933 tot 1945 vertellen. Maar Parparov was vooral geïnteresseerd in de laatste maanden van het Duizendjarige Rijk en de zelfmoord van Hitler.

Günsche en Linge onthulden tegenover hun Russische ondervragers onder meer dat Hitler tot in detail op de hoogte was van de gaskamers en zelfs grapjes over deze inrichtingen maakte («het scheelt kogels»). «Dat is het grote nieuws in dit boek», vertelt Eberle: «Tot nu toe hielden de bewijsstukken over de gaskamers altijd op bij Himmler. Dat Hitler ervan afwist, stond voor latere historici altijd wel vast. Maar de Russen hoorden al in 1949 dat Hitler van de hoed en de rand wist, terwijl de rest van de wereld nog kon geloven in een onwetende Führer. Het interesseerde de Russen alleen niet heel erg.»

Dat de genocide in een paar paragrafen wordt afgedaan, zegt vooral veel over de leef wereld van de man voor wie het dossier was opgesteld: Stalin. Zelf had hij ook miljoenen doden op zijn geweten. Dat ook Hitler slacht offers maakte, was hem om het even. Uit Het boek Hitler blijkt duidelijk dat Stalins belangstelling vooral uitging naar de politieke en militaire strateeg Hitler. Hoe was hij als veld heer en als machtspoliticus? Onderhan delde hij met de westerse geallieerden? Hoe zat het machtsapparaat van de nazi’s in elkaar?

Tegelijkertijd betoont Stalin zich een pietlut, iemand die op het gênante af interesse heeft in trivia. Parparov stelde zijn baas niet teleur. Hitlers seksualiteit bijvoorbeeld komt in Het boek Hitler ruimhartig aan bod. De conclusie van de Russen: Hitler viel waarschijnlijk niet op mannen, zoals soms werd beweerd, maar was eerder aseksueel. Zijn liefde voor de Beierse bohémienne Eva Braun was meer platonisch dan romantisch. Hitler vond vrouwen dom, in zijn ogen alleen goed voor kletspraatjes bij het traditionele theedrinken in de middag, vertelden Günsche en Linge de Russen. En – weer een nieuwtje in het boek – Braun was waarschijnlijk zwanger toen ze samen met Hitler zelfmoord pleegde. De Russen dachten overigens dat het kind niet van Hitler was, maar van Hermann Fegelein, de overspelige man van Brauns zuster.

Het zijn dit soort details die Het boek Hitler tot een persoonlijk, bijna voyeuristisch werk maken. De Führer wordt door de ogen van zijn naaste medewerkers ineens een gewoon mens, inclusief erectiestoornissen, foute grapjes en een complexe houding tegenover vrouwen. Die menselijke kant is met name in Duitsland jarenlang onder het tapijt geveegd. Om Hitlers geest te bezweren, werd hij jarenlang als beest afgeschilderd. Eberle vindt dat zijn volks genoten daar maar eens vanaf moeten stappen: «Hij wás een mens, met heel slechte maar ook goede kanten. Het is voor een Duitser een hele stap om die zin uit te spreken. Maar we moeten eindelijk van dat duivelse beeld af. Juist door te laten zien dat hij een gewoon mens was, kunnen we accepteren dat zo’n figuur nu weer aan de macht zou kunnen komen en kunnen we ons daartegen wapenen.»

Henrik Eberle komt uit de DDR en ziet Het boek Hitler vooral als een boek over de werkwijze van een dictatuur: «Je zou kunnen zeggen dat het boek net zo veel over Stalin gaat als over Hitler. Maar ik denk dat het vooral ook veel vertelt over Parparov en de manier waarop hij heel omzichtig probeerde niet in onmin te raken bij Stalin. Het is daarom ook een document over de ondersteuners van een dictatuur, de ambtenaren.»

Uhl, die Russisch spreekt en leest, viel het woordgebruik van Parparov op: «Heel ambtelijk en juridisch, maar dan ineens weer heel dartel om de aandacht vast te houden. Ieder woord werd gewogen op een goudschaaltje voordat het in het rapport terechtkwam.» Parparov wist namelijk goed dat het rapport zijn doodvonnis zou betekenen als er «verkeerde» informatie in zou staan.

Die angst leidde tot dilemma’s. Het niet-aanvalsverdrag tussen de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland bijvoorbeeld moest wel in het boek komen te staan, anders zou Stalin achterdochtig worden over de inhoud van de rest van het dossier. Maar van uitgebreid stilstaan bij deze gebeurtenis kon geen sprake zijn. Zelfs Stalin zag dat pact als zijn grootste blunder.

Ook historische foutjes of tegenstrijdig heden kon Parparov, die al eens uit de gratie was geweest, zich niet veroorloven. Hij molk de geheugens van zijn twee gevangenen tot de laatste druppel uit zodat hij in detail wist hoe de periode 1933-1945 was verlopen. Hij nam Günsche en Linge in 1948 zelfs mee naar Berlijn om de laatste dagen van Hitler nauwgezet te recon strueren: operatie «Mythe». De laatste technologie werd toegepast om bloedspatten en andere sporen in de bunker te onderzoeken. Keer op keer werden de beide adjudanten aan gesproken op kleine anomalieën of onvol komen heden in hun relaas. Elk nieuw gegeven werd beloond door kleine verbeteringen in hun levensomstandigheden, een matras zonder luizen bijvoorbeeld. Het hielp Parparov allemaal om zijn verhaal te completeren. «Hij zat er soms wel eens een dag naast als het ging om gebeurtenissen uit de jaren dertig», vertelt Uhl. «Maar over het algemeen klopt Het boek Hitler als een bus, vergeleken met andere bronnen.»

Zijn oog voor detail en haarkloverij zorgden ervoor dat Parparov, die voor de oorlog als spion in Nederland actief was geweest, na het schrijven van zijn rapport niet naar de Goelag verdween. Stalin kreeg in totaal drie rapporten op zijn bureau, van iedere dienst één, maar vertrouwde het meest op het verslag van de NKVD’er Parparov. De samenstellers van de andere rapporten, die het moesten doen met getuigen die minder dicht bij Hitler hadden gestaan, werden op het matje geroepen als Stalin ontdekte dat hun versie afweek van die van Parparov. Veel van deze concurrenten verdwenen tijdens zuiveringen of kregen demotie aangezegd.

De geschiedenis van Het boek Hitler toont zo aan hoe gevaarlijk geschiedschrijving onder Stalin was. «Het grootste probleem voor Par parov ontstond wanneer hij iets ontdekte dat niet helemaal met de partijlijn in over een stemming was. Dan zie je hem in de documenten met de grootste moeite om de hete brij heen draaien. Meestal citeert hij dan de gevangenen, om maar aan te geven dat zij de bron van informatie waren», aldus Uhl.

Dat dit soort mechanismen nog steeds speelt, merken Uhl en Eberle nu hun boek in verschillende vertalingen over de wereld uitzwerft. In sommige landen zijn delen uit het boek geschrapt. «Interessant is dat de Chinezen het voorwoord van professor Möller over charismatisch leiderschap eruit hebben gehaald en meteen met het boek zelf zijn begonnen», vertelt Eberle. «Ze zijn klaarblijkelijk nog steeds bang om openlijk te praten over de nadelen van een één-partijsysteem.» Ook Rusland censureert het boek. «De Russen hebben juist het stuk waarin we vertellen over de ontstaansgeschiedenis van het dossier niet geplaatst. Het is eigenlijk nog steeds zoals in mijn jeugd in de DDR: er waren altijd boeken die je niet kon lezen omdat andere mensen vonden dat ze niet goed voor je waren.»

Het boek Hitler is in China en Rusland niet temin zeer goed ontvangen. Alleen in Duitsland klinkt hier en daar kritiek. In het land waar rangen en standen nog tellen, vinden sommige historici de twee adjudanten te «laag» om een goed beeld te schetsen van Hitler. Bovendien lijken sommige Duitse recensenten zich te schamen voor de persoonlijke verhalen. Toch verkoopt het boek ook in Duitsland zeer goed. Zestig jaar na het einde van de oorlog is de belangstelling voor Hitler nog steeds niet afgenomen, integendeel. Dat bewezen ook de film Der Untergang en de gedramatiseerde tv-documentaire Die letzte Schlacht, die in Duitsland bijna gelijktijdig met Het boek Hitler uitkwamen. Regisseur Hirschbiegel van Der Untergang vertelde in een interview voor de ARD waarom de belangstelling zo groot blijft: «Eerst gingen films over de Tweede Wereldoorlog vooral over de slachtoffers en de soldaten. Daarna verschoof de belangstelling met films als Schindler’s List naar het verzet in Duitsland en daarbuiten. Nu ligt de focus heel sterk op de daders en hun motivatie. Mensen willen nog steeds antwoord op de vraag waarom.»

Die vraag beantwoordt Het boek Hitler niet, net zo min als Der Untergang. Boek en film tonen hooguit hoe door en door corrupt en waanzinnig de nazi-beweging was. Ze zijn het definitieve demasqué van de nationaal- socia lis tische illusie. De gelikte uniformen, de he roïsche strijd om Berlijn: het rijk van het kwaad verwordt tot een op hol geslagen vlooien kabinet van nerveuze mannen in een bunker.

Hitler en de zijnen zijn door beide werken tot op het bot ontleed en hebben nu hun plaats ingenomen in het historische kabinet van grote slachters: Djengis Khan, Alexander de Grote, Nero, Napoleon, Hitler.

Toch verschillen film en boek op enkele punten van elkaar. Uhl: «De film volgt de historische realiteit voor het grootste gedeelte. Alleen zijn er op bepaalde punten te grote dramatische elementen toegevoegd.» Ronduit kritisch zijn de beide schrijvers over een aantal mensen in de omgeving van Hitler die in de film een soort heldenglans hebben gekregen. «Een van de artsen in de bunker, dr. Schenk (de lange, kale arts – pd) wordt neergezet als een heroïsche man die zich met gevaar voor eigen leven het lot van de inwoners van Berlijn aantrekt», aldus Eberle, «terwijl hij in werkelijkheid heeft meegedaan aan allerlei experimenten in concentratie kampen.»

Maar vooral het beeld van Hitler aan het einde van zijn leven klopt niet. Zo roept Hitler in Der Untergang als een bezetene om het hoofd van Gruppenführer Fegelein. Niet wegens de vermeende ontrouw van Eva Braun, maar omdat Fegelein vlak voor de val van Berlijn vlucht richting de Amerikanen om onderhandelingen te openen. Uhl: «Hitler schreeuwde in die dagen niet meer. Hij was depressief, doodziek en lethargisch. Aan het einde van zijn leven werd hij steeds kleiner en brozer. Fegelein interesseerde hem niet meer in het geringst. Het is juist Günsche die hem heeft overgehaald Fegelein te laten arresteren en executeren.»

Der Untergang heeft bovendien een happy end. Traudl Junge, de secretaresse van Hitler op wie het script van de film vooral is gebaseerd, fietst met een verweesde jongen op de stang weg van Berlijn. De tocht door de bossen lijkt haar – en wellicht het hele Duitse volk – te louteren, te ontdoen van de stank van de bunker. Eberle moest lachen om dat eindshot: «Traudl Junge is meer dan een jaar de persoonlijke gevangene geweest van een KGB-officier. We kunnen ons alleen maar voorstellen wat daar is gebeurd. De oorlog had geen gelukkig einde, er was geen catharsis.»

Henrik Eberle & Matthias Uhl

Het boek Hitler

Bruna, 653 blz., € 29,95