Essay: Europa volgens Tom Lanoye

Dictatuur voor democraten

De Europese landen buigen zich binnenkort over de grondwet voor Europa. Tom Lanoye, democraat en Europeaan, onderzoekt de voor- en nadelen.

Genoeg humor! Genoeg weersvoorspellingen! Laten we het eens hebben over een lekker taai onderwerp waar niemand van wakker ligt, terwijl het niettemin almaar meer onze levens regelt: Europa. Nee. Niet het continent. Ook niet de mythologische maagd die zich gewillig over een Griekse stier liet tillen om te ontsnappen aan haar incestueuze vader. Nee! Laten we het hebben over het enige Europa dat wij kennen en waarvan niet toevallig het uiteenvallende België het hart vormt: het Europa van de ondoorgrondelijk ingewikkelde instellingen, de ongrijpbaar sluipende besluitvorming, de ondoorzichtige bureaucratie, de onduidelijke belangenkluwens. Het Europa dat wij kennen is het Europa dat wij juist niet kennen. Het ziet er niet naar uit dat daar snel verandering in komt.

Binnenkort houden de Fransen een referendum over wat we gemakshalve maar de nagelnieuwe «Europese grondwet» zullen noemen. Dat is althans de bedoeling. Want als we de opiniepeilingen mogen geloven willen de Fransen dat referendum misbruiken om hun afkeer te uiten over ex-eurocommissaris Bolkestein, om een lel te verkopen aan hun eigen gehate regering, en om in één moeite door diets te maken dat ze geen Turken in de Europese Unie willen – alsof die Turken niet al lang en breed zelf hun weg gevonden hebben, in iedere Europese binnenstad. Met andere woorden: de Fransen willen zich volmondig en hartstochtelijk uitspreken over van alles, behalve over het onderwerp van hun referendum. (Dit gebeurt bij referenda zo vaak dat je het inmiddels gerust een wezenskenmerk mag noemen van álle referenda.)

De voorstanders van de Europese grondwet maken zich sterk dat de Fransen volmondig en hartstochtelijk «Oui!» zouden stemmen mocht de volksraadpleging alsnog over haar eigen onderwerp gaan. Hoewel ik mezelf beschouw als een verstokte Europeaan en democraat, ben ik zo vrij om dat te betwijfelen.

Zoals ik overigens, naar ons Europa kijkend, ook steeds vaker betwijfel of ook maar iemand zich hier een democraat kan noemen, laat staan een echte Europeaan.

Laten we beginnen met de weinige voordelen. We hebben (eindelijk) een eenheidsmunt die er in ieder land zelfs een beetje anders uit mag zien. Eenheid in verscheidenheid! We hebben een Europese vlag waarvoor goddank niemand een traan en al zeker niet zijn leven zal laten. En we hebben een volkslied waarvan slechts weinigen alle woorden kunnen meezingen – zie je wel dat België model heeft gestaan?

Een munt, een vlag, een lied. Daarmee is de kous grotendeels af. Europa wil in de wereldarena op alle vlakken een rol van belang spelen maar het heeft geen leger, geen koning en geen president, geen nationale voetbalploeg en geen gezamenlijke delegatie op de Olympische Spelen. Het ontbeert zodoende wat zelfs Bahrein en Liechtenstein ambiëren: een eigen smoel, herkenbaar op elk terrein. Geen wonder dat alleen geldspeculanten er warm voor lopen.

Europese verkiezingen gebeuren in iedere lidstaat op een ander tijdstip. Zo worden ze, land per land, een tussentijds examen voor de lokale regering en verder niets. En welke Portugees wil nu weten waarvoor de Ierse coalitie wordt afgestraft, of omgekeerd? Onverschilligheid, dat is voorlopig het sterkste cement van het politieke Huis Europa. Voor de opstoot van een waar saamhorigheidsgevoel kan de kiezer beter kijken naar het Eurovisiesongfestival of de Champions League. Daar voelt hij zich wél verbonden met tientallen miljoenen Europeanen tegelijk – en daar hangen in beide gevallen de Turken gewoon tussen zonder dat ook maar iemand tegenpruttelt, wat gezien de Turkse inzendingen voor het Songfestival getuigt van verregaande tolerantie, op zijn minst aangaande de goede smaak qua snit en naad.

De Europese Commissie, onze Hoogste Regering zeg maar, wordt niet gekozen maar samengesteld: elke regering van iedere lidstaat vaardigt een commissaris af. In een Centraal-Afrikaans land zou je zoiets, terecht, bestempelen als een gouvernement de chefs: iedere clan stuurt zijn eigen stamboekstier naar een Raad van Wijzen, en verkoopt die Raad daarna als toppunt van democratie. Het Internationaal Monetair Muntfonds zou er alvast niet intuinen – het zou integendeel iedereen afraden te investeren in zo’n feodale structuur.

Intussen leven wij al jaren ongestoord in die structuur, en hemelen wij onszelf toch nog altijd op als baken en bakermat van de moderne waarden, de gestroomlijnde democratie op kop. Akkoord, we hébben een parlement. Het staat zelfs in Brussel. Maar parlementen heb je overal, zelfs in Zimbabwe en Noord-Korea, en zeker in Brussel. De vraag is: wat heeft dat parlement te vertellen? Wordt uit zijn rangen een regering gevormd?

Het antwoord is: nee. Hooguit kan het bij de aanstelling van de Raad der Stamboekstieren tegenpruttelen en – toegegeven – al eens een commissaris doen wraken, al is dat laatste ook maar iets van recente datum.

Akkoord, de waarheid gebiedt ons te erkennen dat het Europees Parlement een steeds grotere lawine aan maatregelen produceert, waarachter lokale politici zich meesmuilend kunnen verschuilen, of waartegen ze zich verontwaardigd kunnen afzetten, al naar gelang de Europese maatregelen passen in het kraam van hun dagjespolitiek. Maar de wezenlijke inertie en de onmacht van het Europees Parlement blijft blijken uit het ongemoeid laten van de dwergen Luxemburg en Monaco, die – zoals het zwarte gaten betaamt – ondanks hun geringe omvang ontzaglijke hoeveelheden energie opzuigen. In casu: zwart geld, aangebrand geld, drugsgeld en belastinggeld. Dat laatste in alle openheid onttrokken aan landen die er zich op beroepen de Europese ruggengraat te vormen.

Ruggengraat? Als de architect en kaïd van Monaco, prins Rainier, in zijn roverhol het loodje legt, staat de Europese fine fleur – van bankier tot vorst en sportvedette – te janken aan zijn lijkbaar, in een display van onvervalste glamour en mondaine krokodillentranen. Mocht zo’n spektakel zich voordoen bij een begrafenis in het Colombiaanse Medellínkartel, we waanden ons in een misdaadfilm met een buitenissig budget – wat niet eens een slechte omschrijving is van Monaco als staatsvorm.

Europa heeft geen echte regering, geen echt parlement en geen echte bevolking. Het is een huis waarvan de bouw is begonnen met het leggen van de dakpannen, waarvan de ramen in het ijle zweven zonder kozijnen, en waarvan de deuren meer draaien dankzij regelneven dan dankzij scharnieren. Europa is dan ook fantastisch. Het is een kunstwerk. Het is België maar dan zelfs zonder een grondwet.

En bij de eerste kans die zich aanbiedt om toch een grondwet te adopteren, breekt het pandemonium goed los. De hardnekkigste Europeanen (Jean-Luc Dehaene) proberen hun land (België) een referendum te besparen, in naam van Europa. De schijnheiligste Europeanen (de Britten) plannen een referendum in de hoop dat hun onderdanen op het strategisch geschikte moment «nee» zullen zeggen. En de rest (Frankrijk, Nederland, noem maar op) kondigt vol bravoure aan dat hun onderdanen volwassen genoeg zijn voor een referendum, maar wordt kinds van angst als blijkt dat die onderdanen van plan zijn om niet «ja» te stemmen.

«Ja!» «Nee!» «Misschien!» «Waarom?»

O Democratie! Gij Paradijsvogel der Principes, in een tijd die niet gelooft in paradijzen, en nog minder in principes… Gij Chanel No. 5 onder de geurvlaggen van Rechtvaardigheid en Rede… Hoezeer word ik van medelijden wee als ik het gehuichel lees waaraan uw zegel bengelt. Of erger, als ik het zeemzoete verlokken moet aanhoren, gericht aan uw debiele manke tweelingzus, misbruikt van in haar wieg: het meisje genaamd «inspraak» of «raadpleging van onze achterban». Of nog – volgens de Angelsaksen – «let’s go to grassroots level».

Grassroots? Waar de olifant passeert, heeft het gras drie kansen: beven, platgaan of opgegeten worden. Zo vergaat het, vrees ik, ook uw zusje en uzelf, oog in oog met de macht. En niet zelden werken hoog gestemde democraten gretig aan die wanverhouding mee.

Nog wel terwijl ze zélf uw naam aanroepen.

Het Franse referendum over de Europese Grondwet naderde tot voor kort zijn voltrekking in een sfeer van doem en donderpreken. Stemt de Fransman «non»? Dan zal niet alleen Europa maar vooral Frankrijk zelf daarvan zware letselschade ondervinden! Indien ze al niet samen tot algehele ontploffing komen!

Dat kwam president Chirac zelf op de televisie vertellen, live vanuit het Elysée. Niet eens tegen zijn volksvertegenwoordigers of ministers, maar tegen een paar honderd lukraak geselecteerde jongeren. En waar jongeren rechtstreeks in stelling worden gebracht, weet je dat de toekomst op het spel staat – niet zozeer de toekomst van die jongeren, als wel die van Chirac.

Met het onverminderd stijgen van de kans op «non», hoor je plots heel andere geluiden. Chirac zal alvast niet aftreden, wat ook de uitslag wordt. «Zo belangrijk is dat grondwettelijk verdrag ook weer niet», heet het nu, van Oslo tot Palermo. Het ooit grensverleggende verdrag blijkt opeens maar een bundeling te zijn van alle reeds bestaande verdragen. De werking van Europa zal dus niet worden afgebroken door één weigering – ook niet van Nederlanders of Britten, straks. Zij zijn gewaarschuwd: doe wat je niet laten kunt maar wij liggen niet van jullie wakker.

Onze toekomst, nooit bedreigd, is zowaar gered! Het was alleen «een slecht idee» om een bundeling van verdragen onderhevig te maken aan de unanieme goedkeuring van de lidstaten, die daartoe elk afzonderlijk ook nog eens hun eigen tempo en procedure kozen, van stilzwijgende parlementaire ratificatie tot spraakmakend bindend referendum. Wat wilden ze met zo’n ratjetoe bewijzen? Dat het Europa waarop ze voor hun welvaart rekenen niet eens bestaat?

Maar waar luide dreigementen hebben gefaald, maakt verzuurd revanchisme zachtjes zijn entree. «Dat komt ervan als je zoveel onbevoegden om hun mening vraagt.» «Maar we krijgen ze wel! Wacht maar af!» Zo luidt de kater van de machinisten der democratie, en zij zinnen knarsetandend op wraak jegens hun eigen machine. En zo zal uiteindelijk maar één scenario bewaarheid worden. Dat van de vroegere premier, de visionaire en inmiddels supranationale loodgieter Jean-Luc Dehaene: hoe minder hij zich met België bezighoudt, hoe meer ik een zwak voor hem krijg. In naam van Europa en democratie had hij zich bij voorbaat uitgesproken tegen elk referendum, in welke lidstaat dan ook. «Tijdverlies! Als de mensen nee zeggen, houdt ge gewoon nog een referendum. Daarna nog een. En nóg een. Totdat ze eindelijk eens ja zeggen.» Zijn gevolgtrekking zegt hij er nooit bij, maar ze staat te blinken in zijn kleine lepe ogen. «Dan zeg ik liever zelf van eerstaf ja.»

Europeanen, het zijn de eeuwenoude architecten van de medezeggenschap. Een architect kent alle achterpoortjes, hij heeft ze zelf getekend, en hij gebruikt ze gretig als de gouden voordeur weer eens klemt.

De filosoof Peter Sloterdijk, die ons tijdgewricht zo graag en genadeloos onder de microscoop legt, verwoordde bovenstaande conclusie ietwat academischer: «Het moderne elitisme moet zich verschuilen in een democratische code.» Hij bedoelde daar allicht mee dat de tijden weinig veranderen. Hooguit hullen de elites zich in een ander, verleidelijker kleedje.

Dat laatste kan niet worden gezegd van de bewoners van het Vaticaan. Terwijl ze eisten dat de Europese grondwet hén erkende als de ware verwekkers van onze westerse cultuur, en terwijl ze zich erop beriepen de kwintessens te vormen van de algehele Europese moraliteit, beslisten ze met z’n honderdvijftienen over de lotsbestemming van één miljard volgelingen. Zo zien de morele roots van Europa er dus uit: luttelen beslissen voor de megamassa, en ze doen dat – «voor haar eigen goed» – in het grootste geheim, zonder tegensprekelijk debat, en zonder ook maar één vrouw in de buurt, of het moest de werkster zijn van de Sixtijnse Kapel.

Dat noem ik nog eens een elite! Daar kan geen eurocommissaris tegenop! Rond hem hangt toch nog altijd een zweem van vertegenwoordiging: hij wordt gekozen door verkozenen van zijn land. Een kardinaal niet. Die wordt gekozen door een kerkvorst die zelf is verkozen door kardinalen – zo loopt ook de rat rondjes in haar molentje. Het minste wat je er voorts over kunt zeggen is: daar komt een gewoon hardwerkend mens vanzelf niet in. Als je niet beter wist, je zou denken dat het om de vrijmetselarij ging, of om het Politbureau van het Vlaams Behang.

De aanvechting om het kiezen van een kerkvorst te ridiculiseren als poppenkast voor bijgelovigen is even groot als gepermitteerd. En toch… Vergeleken met onze échte vorstenhuizen levert het conclaaf al honderden jaren een wonder op van democratie, nog wel dankzij het celibaat. Het ambt van paus moet wel verkozen worden want het is, door zijn natuur, niet echt erfelijk. (Stel je voor! Dat die Wojtyla een zoon had, en dat díe opvolger werd! Dan toch nog liever die femelende Groot inquisiteur, met heel zijn kleurrijke show eromheen.) (De nieuwe modekleur wordt paars, let op mijn woorden.)

Echter, het is niet alleen de Heilige Geest die deuren doet sluiten waarachter in besloten conclaven en canapégesprekken weinigen beslissen over het lot van velen. Op andere plekken en momenten heet de Heilige Geest «het Staatsbelang», of «het Volksbelang», «het Arbeidersbelang», «het Economisch belang», «het Hoger Belang» – maakt niet uit. Deuren sluiten zich pompeus en gesprekken beginnen die afwezigen aanbelangen.

Is dat stuitend? Vaak wel. Soms ook niet – dan worden er, snel en adequaat, beslissingen genomen tot nut van ’t algemeen. Maar goed of kwaad, de paradox van de democratie blijft dezelfde: het volk kán niet rechtstreeks regeren over zichzelf. Ook de meest verstokte democraten beseffen dat. Zelfs al bezitten we vandaag de dag perfect de mogelijkheid om, desnoods tien keer per dag, aan besluitvorming te doen via televoting of ballotage per sms – wie zit erop te wachten? «De mensen» zelf nog het minst, mij dunkt, tenzij het om Big Brother gaat of Idool. Maar zelfs Star Academy wil hun al bijna niet meer lukken. Het nieuwe is er af. Je kunt zeggen van het volk wat je wilt, maar het is snel verveeld en bokkig, en niet gespeend van enige trots om zijn onwetendheid in dossiers van langer dan twee zinnen.

Is dat laatste een schandalig elitaire overdrijving, of juist een nuchtere constatering? Feit blijft dat zelfs herauten van de medezeggenschap meer heil zien in een parlementaire mandaatdemocratie dan in een dagelijkse handopsteking per computer, en dat ze zedig zwijgen over de blijvende kortsluiting tussen die twee.

Die kortsluiting is misschien nog het best voelbaar bij de Nederlanders. Over Europa willen ze mordicus een referendum houden, waarbij ineens het hele Nederlandse volk moet adviseren inzake het afstaan van grondwettelijke bevoegdheden die al lang en breed zijn afgestaan in eerdere verdragen. Maar de lokale burgemeester? Die mag onder geen beding verkozen kunnen worden! Dat blijft het privilege van de koningin! Daar is bijna de regering over gevallen.

Ik moet bekennen dat ik met verbijstering heb geluisterd naar de argumenten van menige Nederlandse vriend en collega. Het verkiezen van een burgemeester, zelfs naar Belgisch model, zou ruim baan geven aan «plat populisme», en dat risico kun je «in deze tijden» maar beter niet nemen. Straks wordt die rare Geert Wilders ergens burgemeester! Of Jos Brink! Of Paul de Leeuw!

Jeetje. Een democratie die uitgerekend het risico van populisme niet durft te nemen. Een democratie die het aanduiden van al haar lokale eerste burgers overlaat aan één ongekozen vorstin-door-geboorte. Heeft zo’n democratie wel lessen te geven aan een Vaticaans conclaaf?

Van de andere kant, wat zou een Belg, geplaagd door een verkiezingswrat als Brussel-Halle-Vilvoorde, lessen moeten geven aan een Nederlander? Wij hébben niet eens een Europees referendum! Nooit gehad! – en wij zijn nog wel het hart van dat web!

Stel, we kregen toch zo’n referendum. Voor of tegen het Europees grondwettelijk verdrag. Wat stemt u? Ik – in de volle wetenschap dat het geen donder uitmaakt – zou nog altijd vóór aanvinken. Tegen, dat is helemáál pathetisch als het geen moer uitmaakt, dan sta je jezelf uit te lachen in dat hokje. Nee, dan liever ja. Al was het maar als een symbolisch kleine lofzang op de hoop dat we – van verdragje naar mandaat, van embryo naar grondwet – ooit iets meer te zeggen krijgen dan geen fluit.

Hé! Misschien bestaat Europa dan toch! Als hoop. Als hoopje. Als vinkje in een vierkant op een formulier.

Spijtig dat ik zelfs die vink niet vangen mag.