In Marokko

Dictionnaire

Het is een understatement Salim Jay eigenzinnig te noemen. Die karaktertrek verklaart misschien waarom de 23 boeken die deze schrijver annex literair criticus op zijn naam heeft staan, zijn gepubliceerd bij veertien uitgevers. Maar hij is ook weer zo dat als wij elkaar treffen in Casablanca, hij een knipsel voor me meegenomen heeft: een interview dat hij tegenkwam met Job Cohen in de Franse krant Libération. Jay blijkt erg geïnteresseerd in – en enthousiast over – Nederland.
De man is vooral bekend om zijn enigszins omstreden Dictionnaire des Écrivains Marocains, die hij drie jaar geleden publiceerde – om op te hoogte te raken van de Franstalige Marokkaanse literatuur een voor mij onmisbaar boek. Jay woont in Frankrijk maar is in Casablanca voor de jaarlijkse boekenbeurs – wat mij de kans geeft hem eens te spreken. In een café geeft hij volmondig toe dat zijn Dictionnaire een ‘persoonlijk boek’ is geworden, en dat hij nooit de pretentie heeft gehad volledig te zijn. ‘Het is geschreven door een lézer die een keuze heeft gemaakt op basis van literaire kwaliteit. Ik ben geen mediateur of informateur.’
Is het daarom dat we in Jay’s Dictionnaire geen lemma over schrijfster, psychiater, antropologe, feministe, uitgeefster en genomineerde voor de Nobelprijs voor de vrede 2008 Ghita el Khayat aantreffen? Boze tongen beweren dat Salim Jay haar ‘niet mag’, maar de auteur zelf voert een andere reden aan: ‘U kent Le Désenfantement, waarin El Khayat over het verlies van haar zestienjarige dochter schrijft? Ik heb het drie keer gelezen en telkens schaamde ik me. Dat boek geeft alle aanleiding het te ridiculiseren. Ik heb er de voorkeur aan gegeven erover te zwijgen.’
Omdat Jay moeite heeft met het Arabisch ontbreken in zijn Dictionnaire veel Arabischtalige Marokkaanse schrijvers. ‘Degenen die in het Frans zijn vertaald kon ik zelf lezen, voor de overigen had ik dan moeten afgaan op wat anderen van hen vonden. Indertijd wilde ik dat niet maar inmiddels vind ik dat ik dat wel had moeten doen. Het had het boek vollediger gemaakt.’
Er ontbreekt een index in de Dictionnaire, ‘zodat de lezer gedwongen is erin te bladeren en als vanzelf nieuwe schrijvers ontdekt’, aldus Jay. Het boek bevat niet alleen de grote namen van de Franstalige Marokkaanse literatuur – Chraïbi, Ben Jelloun, Morsy, Leftah, Khaïr Eddine – en de namen van allerlei mindere goden, maar ook drie Nederlandse namen: Abdelkader Benali, Hafid Bouazza en Saïd el Hadji. Jay steekt zijn bewondering voor dit drietal niet onder stoelen of banken. Benali’s Noces à la mer is volgens de Dictionnaire van een ‘onstuimige schoonheid’, en Bouazza’s Les pieds d’Abdullah stelt Jay op één lijn met Hanif Kureishi’s The Buddha of Suburbia. De meeste lof gaat uit naar de ‘éclatante geslaagdheid’ van Hadji’s Les jours de Shaytan.
In het café in Casablanca ‘durft’ Jay zoals hij het zelf uitdrukt Hadji’s De dagen van sjaitan te vergelijken met het debuut van de literaire reus Robert Musil, Die Verwirrungen des Zöglings Törleß: ‘De problematiek verschilt natuurlijk, maar de empathie voor het adolescente personage komt overeen, bij de lezer wordt eenzelfde gevoeligheid opgeroepen. In beide romans is een ondertoon van angst, en de auteurs nemen een wat spirituele houding aan. Maar de overeenkomst zit ’m vooral in de elegantie van het taalgebruik, in de kwaliteit ervan.’