INTERVIEW MET BILL AYERS

‘Die bangmakerij werkt niet meer’

Onder de tienduizenden die Barack Obama toejuichten in Chicago was ook Bill Ayers. Hij was in de jaren zeventig lid van de Weatherman Underground, een gewelddadige actiegroep, en vormde het middelpunt van een rechtse smeercampagne om Obama als terroristenvriend in diskrediet te brengen.

TIJDENS DE VERKIEZINGSAVOND op 4 november gingen de gedachten van Bill Ayers, nu een 64-jarige hoogleraar pedagogiek in Chicago, terug naar de jaren zestig. ‘Daar stond ik in Grant Park, waar ik veertig jaar geleden, in augustus 1968, tijdens de protesten tegen de oorlog in Vietnam in elkaar geslagen werd en meegesleept naar het politiebureau. Om op diezelfde plek te zijn en dan een groot feest te zien en me zo gesterkt te voelen! Ik ben vaker in massa’s opgegaan. Als demonstrant zat ik midden in grote, kwade protesten in Washington DC en ik ben ook wel eens terechtgekomen in dronken feestgedruis na een sportieve overwinning. Maar dit was totaal anders. Er waren meer dan een miljoen mensen. And it was all love.’
Niet dat Ayers dacht dat door de verkiezing van een nieuwe president alles ten goede zou keren: ‘Ik geloof niet erg dat presidentiële politiek de wereld kan veranderen. En de verkiezingen zijn gekkenwerk. Alleen al het feit dat het een half miljard dollar kost om verkozen te worden. Ik denk bovendien niet dat leiders ons kunnen redden. Maar toch was ik overweldigd door de verkiezing van Barack Obama. Ik voelde allereerst grote opluchting, omdat alles eindelijk voorbij was. En daarnaast blijdschap om het heerlijke feit dat de gekkenboeg van rechts geprobeerd had mij met Obama in verband te brengen om hem te verzwakken en dat dit niet gelukt was.’
Dat hij in de maanden ervoor middelpunt was geworden van de smeercampagne tegen Obama verbaasde Bill Ayers niet: ‘Ik heb mijn hele volwassen leven al te maken met episodes waarin ik berucht ben.’ Keer op keer raakte hij wegens zijn vroegere militante verleden in opspraak. Deze keer werd hij er door een bezorgde zoon die een Google-alert op zijn naam had staan al vroeg op gewezen dat ultrarechtse bloggers over hem schreven als een oud-terrorist die warme banden onderhield met Obama. Toen de rechtse tv-zender Fox News vervolgens enkele uitzendingen aan hem wijdde, begonnen ook de bedreigingen per telefoon en e-mail binnen te stromen.

Ayers vindt het ‘walgelijk’ dat juist Hillary Clinton en niet de Republikeinen de smeercampagne introduceerde. Wanhopig geworden over de aanhoudende successen van Obama tijdens de Democratische voorverkiezingen begon het Clinton-kamp met de strategie van de kitchen sink. De Clintons zouden Obama met alle rotzooi uit het keukenkastje om zijn oren gooien en daar hoorde ook zijn relatie met Bill Ayers bij. Dat begon tijdens een debat op ABC-tv in april 2008. In een opzichtige poging Hillary een steuntje in de rug te geven vroeg discussieleider George Stephanopoulos, oud-woordvoerder van president Bill Clinton, Obama naar diens banden met de ‘oud-terrorist’ Ayers.
‘Ik heb steeds het gevoel gehad dat rechts geen idee had hoe het tegen Obama campagne moest voeren’, zegt Ayers. ‘Clinton gaf ze een roadmap die ze de weg wees. Als Stephanopoulos die routekaart niet had opengeslagen of als Clinton die niet had gebruikt, dan hadden die aanvallen nooit boven de rechtse marge uit kunnen stijgen.’ Nadat Clinton de aanvallen van Fox had overgenomen, begonnen immers ook serieuze media als The New York Times, The Washington Post en CNN over Ayers te berichten. En vanaf dat moment ging het kamp van de Republikeinse kandidaat John McCain de kwestie gebruiken. ‘Maar het interessante was dat het niet werkte. Elke keer als McCain mijn naam noemde, zakte hij in de peilingen.’ Uiteindelijk was het vooral running mate Sarah Palin die er speech na speech op hamerde dat Obama ‘dikke maatjes was met terroristen als William Ayers’. Opgelucht constateert Ayers nu dat de roadmap die de Clintons aanleverden de route naar een mislukking bleek te zijn. Sarcastisch: ‘Ach ja, na het gestuntel in 2000 met Al Gore en in 2004 met John Kerry was opnieuw duidelijk geworden wat voor mislukkingen er in het Clinton-kamp zitten.’

Sommige commentatoren hebben Obama’s uitverkiezing wel geïnterpreteerd als een late overwinning van het protest uit de sixties, als genoegdoening na jaren vol kritiek op dat roerige decennium. Hoewel Ayers een typische representant van de jaren zestig is, onderdrukt hij dat triomfalisme. Hij ziet de verkiezingen eerder als een breuk met de politieke stijl die Amerika sinds 1968 in de greep hield: ‘Na acht van de meest deprimerende jaren uit de nationale geschiedenis hadden de mensen genoeg van alle negatieve campagnes en al het inspelen op antisocialistische ressentimenten. Die oude bangmakerij uit de jaren vijftig sprak niemand meer aan. Een jongere generatie, inclusief Obama, wilde niet meer vastgeklonken blijven zitten aan het verhaal van de jaren vijftig en zestig dat niet hun verhaal was.’
Er schiet hem een televisiefragment te binnen dat de zaak kan verhelderen. In de maanden dat hij zo onder druk stond, had Ayers troost gevonden in de humoristische politieke talkshows Comedy Central, The Daily Show van Jon Stewart en vooral in The Colbert Report, met de fake rechtse commentator Stephen Colbert. Een paar weken geleden begon de show met een clip van Obama die zich afvroeg: ‘Can’t we just get over the sixties?’ Colbert, het archetype van de ultrarechtse tv-commentator, had daarop geantwoord: ‘No, Senator, we can’t get over it. It’s the gift that keeps on giving.’ Met andere woorden: voor rechts zijn de jaren zestig een onuitputtelijke bron van aanvallen op links. Daar hebben ‘we’ nooit genoeg van. Ayers: ‘Welnu, het lijkt erop dat de jaren zestig toch niet de onuitputtelijke bron zijn die rechts dacht dat ze waren. We slaan de bladzijde van dat verhaal nu eindelijk om.’ Als actievoerder uit de jaren zestig stond hij daar niet helemaal onverschillig tegenover, omdat hij vond dat nog niet alle lessen uit die tijd werkelijk tot de Amerikanen waren doorgedrongen: ‘Maar dat is een kleinigheid. Want wat is het mooi dat het oude verhaal van McCain en Palin, met hun valse visie op de Vietnamoorlog als een conflict dat Amerika heeft verloren door toedoen van een aantal binnenlandse verraders waartoe ik ook word gerekend, nu uitgewerkt is. Wat rechts ook verzon om mij te demoniseren, het werkte niet meer bij de mensen. Ze dachten gewoon: whatever.’
Dat is natuurlijk een analyse achteraf. In de maanden dat Obama wegens zijn relatie met Ayers zo onder vuur lag, was de verleiding groot om aanvallen te pareren en te proberen om de vele leugens recht te zetten. Toch heeft Ayers steeds de kaken stevig op elkaar gehouden. ‘Je kunt je nu eenmaal niet verdedigen tegen dit soort leugenachtigheid. Het begint met vragen in de trant van: “Waarom sla je je vrouw?” Dan is het onbegonnen werk om je te verdedigen.’

Wat dat betreft gedroeg Ayers zich veel minder naïef dan de voormalige dominee van het gezin Obama, Jeremiah Wright, wiens op dvd vastgelegde scheldpreken op de Verenigde Staten (‘Not God bless America. God damn America!’) de Democraat bijna de nominatie van zijn partij kostten. Ayers had het geluk dat zijn vrouw Bernardine Dohrn, net als hij oud-lid van de Weatherman Underground, zijn Weatherman-kompaan Jeff Jones en zijn broer Rick hem af en toe tot de orde riepen. ‘Waarom zou je het beest voeden? Wat heb jij eraan om die lui van Fox te woord te staan? Doe het niet. Absorb the hate.’
Overleg met het Obama-kamp heeft hij nooit gevoerd, want zo nauw waren de banden niet. Angst heeft hij ook niet gevoeld: ‘Je ziet dat ik een open persoon ben die een publiek leven leidt. Wie me wat wil aandoen weet waar hij me kan vinden. Maar er is niemand die dat serieus overweegt.’ Natuurlijk hield de politie wel een oogje in het zeil.
Eigenlijk had Bill Ayers zijn critici ook al lang van repliek gediend. ‘Unrepentant terrorist’ noemde Fox News hem, maar voor een terrorist zonder spijt heeft Ayers opmerkelijk vaak, uitvoerig en zelfkritisch op zijn verleden gereflecteerd. In 2001 publiceerde hij het boek Fugitive Days, net in tweede druk verschenen, waarin hij herinneringen ophaalt aan de periode van eind 1969 tot 1980 waarin hij lid was van de Weatherman Underground. Hij vertelt over de jaren van futiel protest tegen de Amerikaanse oorlogvoering in Vietnam en tegen de gewelddadige onderdrukking van de zwarten in de Verenigde Staten die ertoe leidden dat hij samen met anderen uit de studentenbeweging onder de leus ‘bringing the war home’ met een gewapende opstand begon. Hun naam ontleenden zij aan Bob Dylans Subterranean Homesick Blues: ‘You don’t need a weatherman to know what way the wind blows.’
De geschiedenis leert dat links-revolutionaire gewelddadige groepen als Weatherman vaak in een death trip terechtkomen, waarin de droom van een betere samenleving geheel op de achtergrond raakt. Zo verging het bijvoorbeeld de Italiaanse Brigate Rosse en de West-Duitse Rote Armee Fraktion, zoals de film Der Baader Meinhof Komplex, momenteel in de Nederlandse bioscopen, indringend laat zien. Weatherman liep die doodlopende straat niet in, omdat de groep na een rampzalig incident in de beginmaanden, waarbij drie leden om het leven kwamen, het roer omgooide. Voortaan zou de groep alleen nog aanslagen plegen op wat ze ‘symbolische doelen’ noemde, voornamelijk gebouwen van leger, politie en justitie. De gevolgen van haar aanslagen bleven mede daardoor beperkt tot zaakschade.
Dat neemt niet weg dat Weatherman ondemocratisch handelde. Bovendien nam de groep onverantwoorde risico’s door bommen te plaatsen, hoezeer de voormalige leden ook claimen dat ze alles in het werk stelden om slachtoffers te voorkomen. Een ware terreurstrategie hanteerde Weatherman echter niet. Angst zaaien onder de bevolking was niet de opzet. Ayers schrijft in Fugitive Days dat de groep haar aanslagen juist beschouwde als daden van bemoediging voor de machtelozen in de wereld, waarbij zelfs de machtigen niet voor hun leven hoefden te vrezen.
Bill Ayers wijst daarom de kwalificatie ‘terrorisme’ af en hij meent ook geen afstand te hoeven nemen van zijn gewelddadige verleden. Schrijvend over de film Underground, die destijds over Weatherman was gemaakt en die hij jaren later weer eens had teruggezien, concludeert hij: ‘Ik vond dat de politieke lijn – de analyse van oorlog en agressie, het inzicht dat racisme een belangrijk instrument is om de mensen verdeeld en onder de duim te houden – redelijk standhield.’ Maar hij voelde ook schaamte, ‘over de arrogantie, het eenzijdige bewustzijn, de absolute zekerheid dat wij en wij alleen wisten wat de juiste weg was’. In een ander boek heeft Ayers daarnaast grote bedenkingen geuit over de vijandige taal en de ontmenselijking van de tegenstanders die hij en de andere leden van Weatherman in hun pamfletten en open brieven etaleerden. Dat vijanddenken beschouwt hij tegenwoordig als deel van het probleem.

Wat Ayers’ ‘terroristische verleden’ verder relativeert, is het simpele feit – voor juristen doorslaggevender dan voor historici en ethici – dat hij en de meeste andere Weatherman-leden nooit voor hun gewelddaden of voor terrorisme in brede zin zijn veroordeeld. Dat had met het algemene politieke klimaat van de jaren zeventig te maken, waarin Amerika na het Watergate-schandaal en na Vietnam met zichzelf in het reine probeerde te komen. De eerste voorwaarde daarvoor was echter dat bij Weatherman-leden de wens ontstond om weer een gewoon leven te leiden. Zo gold voor Ayers dat hij inmiddels een relatie was aangegaan met Bernardine Dohrn, die als oud-woordvoerster van de Amerikaanse studentenbeweging het meest prominente lid van Weatherman was. Nog in de illegaliteit kregen ze twee zoons, Zayd en Malik, en later zouden ze een pleegdochter aannemen. Nadat Weatherman in 1975 was gestopt met bomaanslagen, doken Ayers en Dohrn in 1980 weer op uit de ondergrondse en meldden zich bij de politie. Opmerkelijk genoeg werden ze in een mum van tijd vrijgelaten. De FBI bleek bij de opsporing van radicaal-linkse groepen, Black Power en ook extreem-rechtse groepen zoveel wetten te hebben overtreden dat de aanklachten tegen Weatherman-leden één voor één waren ingetrokken. Het gevolg was dat Ayers en Dohrn straffeloos konden terugkeren in de maatschappij.
Inmiddels hebben beiden via maatschappelijk activisme ten behoeve van onder meer jeugdige (zwarte) delinquenten en enkele veel gelezen wetenschappelijke publicaties een indrukwekkende academische loopbaan opgebouwd. Dohrn ontpopte zich in de jaren tachtig en negentig tot een gewaardeerd expert op het terrein van het kinderrecht en is associate professor aan Northwestern University. Ayers verwierf een positie als hoogleraar pedagogiek aan de University of Illinois in Chicago en werd een invloedrijk lid van diverse onderwijskundige adviesraden en besturen in die stad. Samen met twee andere onderwijsactivisten verwierf hij vijftig miljoen dollar uit een groot legaat van een rijke oud-ambassadeur voor verbetering van het onderwijs in Chicago. Dit laat zien dat Ayers de alles afwijzende tegencultuur al lang achter zich heeft gelaten.

Midden jaren negentig ontmoette Ayers een jonge zwarte advocaat en community organizer die al snel indruk op hem maakte door zijn bedachtzaamheid, intelligentie en sociaal gevoel: Barack Obama. Korte tijd later – het waren de begindagen van Obama’s politieke carrière – organiseerden Ayers en Dohrn een borrel in hun huis in het multiculturele Hyde Park, ingeklemd tussen de uitgestrekte probleemwijken van de Southside, waar Michelle Obama opgroeide. ‘Die Obama wordt nog wel eens burgemeester van de stad’, zei Ayers tegen zijn kameraden. Als activist in Chicago leek hem dat het hoogst haalbare. Ayers lacht nu hartelijk om dit provincialisme: ‘Het ontbrak me aan de verbeelding om te zien wat er nog meer mogelijk was.’
Obama zou de linkse activist en pedagoog in de jaren erna al snel ontgroeien. Wat de rechtse media ook hebben beweerd, de waarheid is dat het contact tussen beiden beperkt bleef tot een enkel overleg of een toevallige ontmoeting in en om Hyde Park, waar Obama na zijn verkiezing tot Senator ook was gaan wonen. Op de dag van de presidentsverkiezingen leidde dit nabuurschap tot enige zenuwachtigheid bij Ayers en Dohrn. Het toeval wilde dat ze in hetzelfde stembureau moesten stemmen waar ook Obama zijn democratische plicht zou komen doen. De basisschool met het stembureau lag nota bene recht tegenover hun huis. In de hoop alle camerateams voor te zijn, gingen Ayers en Dohrn al om zes uur de deur uit. Daar stond tot hun schrik al een hele rij journalisten, maar gelukkig was de Amerikaanse pers niet sterk vertegenwoordigd.
Het duurde zeker een uur totdat het stemmen er voor hen opzat. Kort daarna verscheen de langverwachte colonne SUV’s met daarin Barack en Michelle en hun kinderen. Uitzinnig gejuich van de menigte begeleidde Obama toen hij met zijn atletische tred de tien stappen naar de school aflegde. Tijdens het lange wachten op zijn terugkeer hadden de fotografen en reporters plaatsgenomen op de trap van huize Ayers-Dohrn. Maar Bill en Bernardine bleven wijselijk binnen en bekeken de taferelen op straat vanachter het raam.

Jacco Pekelder is als historicus werkzaam aan de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de maatschappelijke dynamiek van terrorisme en kijkt daarbij vooral naar de reacties op linkse gewelddadige groepen in de jaren zeventig