Hoe nodig is het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies?

Die eeuwige oorlog

Het plan van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen om het Niod, instituut voor oorlogsstudies, samen te voegen met andere onderzoeksinstituten, is daar ingeslagen als een bom. Van het wetenschappelijk geweten van de samenleving blijf je immers af. Maar volgens sommigen heeft het Niod zijn langste tijd gehad.

‘Dank u voor het aanbod, we kijken wat we ermee doen’, zegt de man van de receptie tegen iemand aan de andere kant van de telefoon. Door de hal van het niod schuift ondertussen een stokoude heer met een stapel mappen onder de arm. Als de receptionist is uitgebeld vertelt hij dat bijna wekelijks mensen documenten aanbieden. Van ordners met ambtelijke verslagen, schoenendozen vol persoonlijke parafernalia tot een complete collectie van een instelling, zoals in dit geval het archief van de Bond van Ex-geïnterneerden en Gerepatrieerden van Overzee.

Het verzamelen en archiveren van allerhande documenten is, samen met wetenschappelijk onderzoek, de kerntaak van het niod, Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies. De focus ligt op de bezetting van Nederland en Nederlands-Indië in de periode 1940-45, maar sinds vijftien jaar ook breder op vraagstukken van oorlog, massaal geweld en genocide elders in de wereld. Daarnaast heeft het instituut een publieksfunctie. Studenten, scholieren, promovendi, amateur-geschiedvorsers of particulieren die bijvoorbeeld het relaas van vermoorde familie­leden uitpluizen, kunnen in de bibliotheek werken. Die drie functies lopen in elkaar over; de collectie is een schatkamer vol materiaal dat de basis vormt voor onderzoek. Publicaties, dvd’s en websites dragen op hun beurt bij aan een maatschappelijk debat en bieden ondersteuning voor overheidsbeleid of actuele oorlogstribunalen.

Hieraan ontleent het instituut, gevestigd in een monumentaal pand aan de Amsterdamse Herengracht, sinds de oprichting op 8 mei 1945 zijn bestaansrecht. De reputatie binnen de academische wereld is onbetwistbaar, zoals vorig jaar andermaal werd bevestigd door een internationale wetenschapscommissie die na haar visitatie het oordeel ‘zeer goed tot excellent’ uitdeelde. Voor de buitenwereld is het instituut zelfs uitgegroeid tot een zelfstandig monument in de herinneringscultuur van dé oorlog. Het fungeert als een wetenschappelijk geweten van de samenleving.

Toch ligt de positie van het niod onder vuur. In mei kwamen plannen naar buiten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw) om álle zeven onder haar vallende geesteswetenschappelijke instituten drastisch te vernieuwen. Binnen vijf jaar moet de wetenschappelijke staf van die zeven instituten – naast het niod onder meer het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) – worden gevestigd op een centrale locatie in de Amsterdamse binnenstad, betiteld als Humanities Cluster. De gezamenlijke collecties, met alle publieksfuncties, worden ondergebracht op een andere plek, in het iisg.

Het nobele streven van deze ‘kwaliteitsslag’ is ‘de internationale positie van de geestes­wetenschappelijke instituten versterken’. Bovenal kan er op termijn geld worden bespaard ten gunste van het aantrekken van jonge onderzoekers en met het digitaliseren en koppelen van collecties valt er wetenschappelijke winst te boeken. Kortom, investeren om te verbeteren – wie kan daar tegen zijn in deze magere tijd waarin op werkelijk alles wordt bezuinigd?

Maar het plan sloeg in als een bom, althans op de Herengracht. Daar wordt de splitsing van de functies ervaren als een regelrechte opheffing. Tegen de gevolgen voor andere instituten rees opvallend genoeg geen verzet. Er volgde een stroom aan boze artikelen en ingezonden brieven in de dagbladen die zijn samen te vatten als: handen af van óns niod. Menigeen voerde ook puur wetenschappelijke tegenargumenten op. Het heilige vertrouwen in big data is een modieuze illusie, het methodologische idee dat met de introductie van digitale middelen patronen en wetmatigheden in de geschiedenis gedetecteerd kunnen worden een farce.

‘De inzet van geavanceerde digitale tools versus de hermeneutische methode is voor het knaw bijna een geloof’, zegt niod-directeur Marjan Schwegman (1951) – een weergave waar de knaw zich overigens niet in herkent. En, zegt ze: ‘Historici zijn volgers, geen voorspellers.’

Het stof is inmiddels neergedaald. Volgens Schwegman zijn er op 21 mei ‘goede gesprekken’ met het knaw-bestuur gevoerd, met als voorlopige uitkomsten dat de splitsing tussen collectie en onderzoek van de baan is en de eigen missie en autonomie gegarandeerd blijven. Er komt een onderzoek om te definiëren wat ‘de kern­collectie’ is en wat eventueel kan afreizen naar een andere locatie. En er komt een betere financiële onderbouwing, want het ontbrak ondanks de voortvarende bedrijfstaal aan een businessplan. ‘Dat wordt in het najaar verwacht en moet dan ook nog door onafhankelijke experts getoetst worden’, zegt Schwegman in haar werkkamer met kroonluchters, eikenhouten boekenkasten en gelambriseerde wanden tot aan het overvloedig gedecoreerde plafond.

Over de plannen om mee te gaan met de tijd spreekt Schwegman, sinds 2007 directeur, puur zakelijk. ‘Het kost in eerste instantie veel geld, want het betekent verbouwen en verhuizen. Het voordeel van een cluster is misschien dat we samen sterker staan en meer geld krijgen van Brussel. Maar wíj werken al langer in internationale samenwerkingsverbanden, zoals sinds vier jaar in het project European Holocaust Research Infrastructure. Europese holocaust­archieven worden digitaal met elkaar verbonden waardoor we elkaar voeden met grensoverschrijdende onderzoeksvragen. We zien bijvoorbeeld dat in Oost-Europa over de holocaust wetenschappelijk nog veel niet is ontgonnen. Het thema is tot nu toe vooral vanuit een West-Europees perspectief benaderd.’

De natuurlijke partners zijn volgens haar eerder buitenlandse instituten, zoals het Institut für Zeitgeschichte, dan de zusterinstituten binnen de knaw. ‘We hebben allemaal verschillende oriëntaties, maar samenwerken in praktische, facilitaire zaken zou aanvaardbaar zijn.’ Ze zegt voorzichtig: ‘Het zal wel pijn doen als we dit pand moeten verlaten.’

Het is niet voor het eerst dat het bestaansrecht van het oorlogsinstituut wordt bedreigd. Al vanaf 1948 is de relatie met de overheid moeizaam. Dat heeft niet alleen met geld te maken. Het instituut heeft zijn identiteit vaak tegen inhoudelijke kritiek moeten verdedigen. Op de achtergrond speelde de principiële vraag wat de plaats en betekenis van de Tweede Wereldoorlog is in de samenleving. En ook: wie mag er wat over de oorlog zeggen, van wie is de oorlog eigenlijk?

‘Dat heeft vanaf dag één gespeeld’, zegt Ad van Liempt (1949), historicus, programma­maker en schrijver van vele boeken over de oorlog. ‘Dolf Cohen, hoogleraar geschiedenis en tot 1959 werkzaam bij het, toen nog, riod, zei ooit dat het niet goed zou zijn als het instituut in handen was van mensen die slachtoffer waren van het onderwerp. Directeur Loe de Jong zag zelf ook dat onderzoek afstandelijk moest gebeuren. Maar dat was aanvankelijk niet echt mogelijk.’

Bij de oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (riod) was het doel om zoveel mogelijk materiaal te verzamelen over de tijdsperiode die net was afgelopen. De medewerkers trokken ervoor met vrachtwagens door het land. Het riod zou een tijdelijk karakter hebben. Begin jaren vijftig leek het tijd om de boel op te heffen. De oorlog gleed verder weg en de algehele blik in het opkrabbelende Nederland richtte zich op wederopbouw, het leed in de geest achterlatend. Maar directeur De Jong kreeg voor elkaar dat hij de gebeurtenissen wetenschappelijk mocht vastleggen. Hij begon in 1955, met als deadline ‘ongeveer 1970’, aan zijn uit veertien delen bestaande standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Hij hield bovendien de oorlog levend met zijn presentatie tussen 1960 en 1965 van de tv-serie De bezetting. Nederland werd ‘opgevoed’ met het beeld van de bezettings­periode volgens zijn visie. Pas later kwam daarop openlijke kritiek.

Met het einde van zijn magnum opus in zicht werd opnieuw geopperd om de deuren te sluiten. ‘Er was al lang ergernis: hij ging maar door met zijn boeken’, zegt Jan Veldhuis (1938), historicus met een lange bestuurlijke carrière in de beleids- en academische wereld en bij het riod én het niod. Maar het instituut had opnieuw het tij mee. Vanaf begin jaren zestig begonnen slachtoffers van de holocaust steeds meer last te krijgen van het verleden en in de psychiatrie kwam het KZ-syndroom opzetten. De oorlog kreeg mede hierdoor toenemend een prominente plek in de geschiedschrijving en de samenleving – als moreel ijkpunt van goed en fout. En De Jong gold als dé kenner van de oorlog en was als historicus populair bij het brede publiek. Maar toen kwam de zaak-Aantjes. Nederland beleefde zijn eigen oorlogsaffaire die de gemoederen in de maatschappij beroerde.

Veldhuis kreeg als plaatsvervangend secretaris-generaal op het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen door de zaak-Aantjes direct te maken met het riod. ‘De kwestie veroorzaakte een politieke en maatschappelijke storm. En daarmee ontstond de vraag: wat is de positie van het riod? Is het instituut van het rijk of van de wetenschap? Is De Jong ambtenaar of wetenschapper? Tegenover wie moet hij verantwoording afleggen?’

Veldhuis zit in zijn tuin, een bloeiende bloemen­zee. Hij geniet van zijn pensioen, en hoe dat onder meer wordt ingevuld toont een box met kinderspeelgoed in de woonkamer. Daarnaast is hij actief in raden van toezicht en besturen, waaronder als lid van de raad van advies van het niod.

De Jong kwam niet ongeschonden uit de Aantjes-affaire. Zijn conclusies bleken voor een belangrijk deel gebaseerd te zijn op onjuiste gegevens en op de onjuiste interpretatie ervan. Dit versterkte het gevoel dat de overheid voor dit soort wetenschappelijk onderzoek geen verantwoordelijkheid moet dragen. ‘Maar’, zegt Veldhuis, ‘de positie van het instituut bleef ijzersterk. Het is ook altijd politiek geladen geweest en heeft daarom altijd een stevige raad van advies gehad. De meeste politieke partijen waren met politieke kopstukken vertegenwoordigd – het moest een breed draagvlak krijgen.’

Maar wat moest precies de nieuwe status worden? Het overleg hierover heeft lang geduurd. ‘In de laatste twee jaar van het riod zat ik in het bestuur. De overheid wilde zich terugtrekken, maar het instituut moest wel ergens onder hangen, want een departement heeft een hekel aan zwerfkeien. Toen is besloten er een knaw-instituut van te maken, met de naam niod, “Nederlands” in plaats van “Rijks”.’

Draagvlak bleef er in de samenleving meer dan genoeg. Wel was er inhoudelijke kritiek op het hermetische zwart-witschema van de oorlog, dat onder de opvolgers van Loe de Jong in zwang bleef. Pas eind jaren negentig maakte het instituut een grote veranderingsslag. Het verhuisde in 1997 van Herengracht 474 naar nummer 380, dat was verbouwd tot een modern instituut met geklimatiseerde ruimten voor de collectie. Het is veelzeggend dat dit deftige pand bewust werd gekozen om het prestige van het instituut te onderstrepen. Hans Blom (1943) zwaaide er inmiddels een jaar de scepter.

Als hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam was Blom opgevallen door zijn oratie in 1983, In de ban van goed en fout?, waarin hij afstand nam van het goed/fout-denken van De Jong. Hij maakte zich als onderzoeker sterk voor een onpartijdige houding, niet voor de politiek-morele beoordeling van het verleden. Onder hem veranderde de inhoudelijke koers van het niod: naar een meer ‘veelkleurige’ en bredere kijk op de oorlog. Tevens sloeg het instituut een internationale weg in: recente militaire conflicten, volkerenmoord en misdaden tegen de menselijkheid. Daar vloeide in 1996 een prominente regeringsopdracht uit voort: onderzoek naar de val van Srebrenica. Het rapport, zes jaar later, leverde de onderzoekers zware kritiek op van vakbroeders, publicisten, juristen en politici. Maar de kracht ervan was er niet minder door: het leidde tot de val van het kabinet-Kok.

Hans Blom kijkt terug op zijn turbulente start bij het niod. ‘Ik was nog niet echt begonnen toen er een briefje op mijn bureau lag of ik de minister wilde bellen. Ik dacht even: misschien gaat mijn baan toch niet door. Maar het ging om een opdracht om Srebrenica te onderzoeken. Geweldig dus, maar ook politiek beladen en wetenschappelijk niet zonder risico, omdat van tevoren niet duidelijk was of er voldoende bronnen beschikbaar zouden komen. Alles moest in volstrekte discretie uitgevoerd worden en we hebben met extra strenge beveiliging moeten werken.’

‘Het is Blom goed gelukt om het moralisme terug te dringen in de benaderingswijze’, zegt Ad van Liempt. ‘Het is nu niet meer de pikzwarte collaborateur versus de verzetsheld. Onder Schwegman zet dat door. Zij is een goede bestuurder. Want het is een kruiwagen met kikkers.’ Sindsdien volgt het onderzoek vooral twee sporen: enerzijds internationalisering en anderzijds meer een personificatie van de oorlog, het pad van één individu. Schwegman: ‘We tonen bovendien meer dan voorheen wat de langdurige gevolgen van oorlog zijn.’

Door deze thematiek zal het niod, helaas, veel werk blijven houden. Oorlogen verdwijnen nooit. En onze eigen oorlog raakt bij het brede publiek bijna zeventig jaar na de bevrijding niet bepaald op de achtergrond, zoals is te zien aan de golf van publicaties, films en documentaires. De musical Soldaat van Oranje blijft volle zalen trekken. De belangstelling voor herdenkingen neemt nog altijd toe en mensen, ook de jonge generatie, reizen in groten getale af naar Auschwitz om de rassenwaan tot zich door te laten dringen. De oorlog blijft een moreel ijkpunt, maar anders dan voorheen is er meer nuance; zo is er bijvoorbeeld meer ruimte voor de vraag hoe iemand tot een verkeerde keuze komt. In die (op)bloeiende herinneringscultuur gedijt de positie van het niod.

Maar niet tot ieders vreugde. Historicus Chris van der Heijden vindt dat het niod het beeld van de oorlog heeft gemonopoliseerd en nog steeds te veel denkt vanuit het verzetsperspectief. Het niod heeft volgens hem zijn langste tijd gehad, het onderzoek kan net zo goed worden gedaan door universitaire vakgroepen contemporaine geschiedenis, want de Tweede Wereldoorlog is ‘een van de vele gebeurtenissen in ons verleden’. ‘Het niod’, zegt hij, ‘doet er alles aan om de tent in de lucht te houden, door steeds weer nieuwe onderzoeksterreinen erbij te betrekken. Intern heerst het systeem van coöptatie om de gelederen – mijn inziens van politiek correcte linkse signatuur – sterk te houden. Aldus proberen zij de publieke opinie te beïnvloeden.’

Dat het niet goed botert tussen het niod en Van der Heijden is genoegzaam bekend. Zijn boek Grijs verleden (2001), waarvoor hij grondig onderzoek deed naar het dagelijks leven onder de bezetting, schoot velen in het verkeerde keelgat, onder meer vanwege zijn inleidende woorden: ‘Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.’

Tijdens de verdediging vorig jaar van zijn proefschrift, bij Hans Blom, over de oorlog na de oorlog, hing die controverse in de zaal: tegenstanders, veelal uit de onderzoeksstaf van het niod, zaten hardop te zuchten van irritatie. Ze bestookten elkaar in de pers met verwijten over elkaars visie op de oorlog. Van der Heijden vindt het hysterisch dat die oorlog telkens weer wordt aandragen om van te leren. ‘Als ik studenten les geef over daders, is Auschwitz een ijzersterk symbool. Maar het gedrag van de Amerikaanse soldaat Lynn in de gevangenis Abu Ghraib werkt ook. De Tweede Wereldoorlog wordt systematisch levend gehouden door het niod.’

Heeft het niod inderdaad zoveel invloed op de publieke opinie? Marjan Schwegman vindt van niet: ‘De oorlog is een breuklijn in de Nederlandse geschiedenis, en kennelijk wordt dat zo gevoeld en is het een onderdeel van de Nederlandse samenleving geworden. Dat kunnen wij echt niet entameren.’ Ze zegt dat er inderdaad vaak is gedacht dat we ‘klaar’ waren met die ‘eeuwige oorlog’. Maar inmiddels melden kinderen en kleinkinderen, zowel van daders als van slachtoffers, zich met vragen.

‘Je ziet een nieuwe tendens’, zegt ook Ad van Liempt. ‘Een speurtocht naar papieren bronnen, dagboeken en egodocumenten – zie ook het interessante boek van Bart van der Boom – en meer narratieve geschiedschrijving, zoals de boeken van Geert Mak en Jan Brokken. De oorlog wordt weer aan een nieuwe generatie verteld, maar dat mag niet gepopulariseerd worden en moet goed gedocumenteerd gebeuren. Als ik lezingen geef in het land, dan zie je kinderen op het puntje van hun stoel zitten. Ik vertel hun bijvoorbeeld dat mensen 7,50 kregen voor het aangeven van een jood – dan is het meteen stil. Je kunt het via een geval koppelen aan universele thema’s. De oorlog is pas voorbij – om met Harry Mulisch te spreken – als er een nieuwe overheen gaat.’

Maar is het niod per se nodig, voor die overdracht? Veldhuis zegt stellig ja, want er is een extra dimensie bijgekomen. ‘Er is voor het eerst in de geschiedenis een beweging die oorlogs­misdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid definieert en strafbaar stelt. Dit wordt in steeds meer internationale verdragen vast­gelegd. Dit leidde niet alleen tot tijdelijke tribunalen, maar ook tot het permanente Internationaal Strafhof uit 2002. Dit alles vereist tevens instituten die onderzoek doen naar genoemde misdaden. En dan zeker in Nederland, waar niet alleen het Joegoslavië Tribunaal is gevestigd maar ook dat Internationaal Strafhof.’

Veldhuis houdt zich samen met onder anderen Victor Halberstadt en Job Cohen, vanuit de commissie van advies van het niod, bezig met de perikelen rond de plannen van de knaw. ‘Facilitair samengaan is prima. Maar van de identiteit en missie moet je afblijven, anders kalft alles af.’

Theo Mulder, hoogleraar neuropsychologie, is als directeur instituten van de knaw mede­verantwoordelijk voor de plannen. Zijn werkkamer is te bereiken via krakende houten trappen langs stijlkamers uit de zeventiende-eeuwse vaderlandse glorietijd. Ooit hing hier, in een van de zalen van dit Trippenhuis aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal, De nachtwacht aan de muur. Op een van de gangen werken restaurateurs op een steiger aan het herstel van felrode papagaaien op een fresco.

Mulder zit er bijna getergd bij vanwege de kritiek die hij over zich heen kreeg. Hij wil het niod helemaal niet opheffen, het is ‘een fantastisch en noodzakelijk instituut’. Alleen, zegt hij, de alfa-instituten hebben een impuls nodig. ‘Het is nu allemaal te gefragmenteerd, ieder doet alles voor zich: bedrijfsvoering, acquisitie, administratie, archivering. De onderzoekers in deze instituten zijn gemiddeld 56 jaar, op zichzelf niet erg, maar we willen verjonging stimuleren door geld vrij te maken. Er zijn bij de geesteswetenschappelijke instituten te weinig promovendi, vijftien, vergeleken met de 160 bij de levenswetenschappelijke instituten. Dat verschil ziet men ook wel.’

‘Zeker’, meent hij, ‘de geesteswetenschappen hebben het moeilijker dan twintig jaar geleden. Ze staan onder druk, en dat komt ook door het topsectorenbeleid van de overheid waarin wetenschap en industrie samengebracht moeten worden in negen topsectoren die voor de Nederlandse economie van belang zijn. Bij de geesteswetenschap is directe “valorisatie” moeilijker, hier gaat het om inzicht in processen in de samenleving, hetgeen overigens van cruciaal belang is voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Van deze kennis wordt veel te weinig gebruik gemaakt.’

En ja, het heeft ook met geld te maken. ‘Bij de opgelegde bezuinigingen sinds 2009 zijn we ongeveer achttien procent van ons budget kwijt en het einde is nog niet in zicht. Toch hebben we eenmalig vijftien miljoen uitgetrokken voor een vernieuwingsimpuls, naast de jaarlijkse bijdrage van 22 miljoen aan de knaw-geesteswetenschappelijke instituten. Dat is een kloek bedrag. Wij willen juist de wetenschap beschermen, door de zaken op een andere manier te organiseren zodat er een dynamischer klimaat komt. De woede zit misschien in de termen, “schaalvergroting” en “efficiencyvergroting”, die werken in deze tijd als een rode lap. En “Humanities Cluster” was slechts een werktitel. Ik schrijf wel een prijsvraag uit voor een nieuwe naam.’

Hij had niet verwacht dat de weerstand vanuit het niod zo heftig zou zijn. ‘Het niod is een sterk merk met een niet te onderschatten wetenschappelijke en maatschappelijke rol. En er is een emotionele component – daarin verschilt het niod met de andere instituten. Geen haar op mijn hoofd die denkt aan opheffing van dit instituut.’

Hij zegt voorzichtig: ‘Het gebouw aan de Herengracht is langzamerhand te krap. De huur is hoog, bijna acht ton per jaar. We doen niets overhaast. We willen de instituten wel opschudden.’

Op de Herengracht wordt ondertussen rustig doorgewerkt. De gemiddelde leeftijd van de onderzoekers ligt ver onder de 56. Een van hen is Ugur Üngör (1980), van origine Turks. Hij promoveerde aan de UvA op ‘massa­geweld en de nationale staat in Oost-Turkije’ (1913-1950), waarvoor hij onder meer gebruik maakte van de faciliteiten op het niod. Hij is behalve docent geschiedenis aan de Universiteit Utrecht als onderzoeker verbonden aan het niod waar hij zich richt op de genocides in Rwanda en Armenië – politiek zeer heikele thematiek. Onlangs kreeg hij de prestigieuze Heineken Young Scientist-prijs.

Als het niod er niet was geweest, zegt hij, was hij naar het buitenland vertrokken. ‘Het behoort op het gebied van genocidestudie tot de top-vijf in de wereld. Wat het hier anders maakt, is de methodiek en de interdisciplinaire aanpak. Kenmerkend is dat het werken met bronnen anders is, omdat een totalitair regime bewijs­materiaal vernietigt. En álle genocide ligt gevoelig, waardoor je als onderzoeker altijd moet oppassen voor manipulatie. In Turkije kan ik bijvoorbeeld intellectueel niet bestaan. Je moet waardenvrij onderzoek doen. Conclusies zijn niet altijd gewenst, het kan verontrustend zijn voor het heden.’

Üngör groeide op in Twente, waar hij op school voor het eerst verhalen over de holocaust hoorde. Het had hem meteen in de greep. ‘Op een gegeven moment wist ik meer over Hitler dan mijn docent.’ Zijn oma vertelde over haar dorp, hoe er na moordpartijen een samen­zwering van stilzwijgen ontstond. ‘Dat leek op de jodenvervolging.’

Hij heeft, zegt hij, alle grote kampen, zoals Sobibor, bezocht en hij geeft in Amsterdam rondleidingen langs locaties waar de ­deportaties startten. Het gaat hem om de parallellen met nu. ‘Mensen associëren het niod met de Tweede Wereldoorlog, maar we kijken hier ook naar massa­moord vanuit de actualiteit. Ik doe nu onderzoek naar paramilitairen. Eerst ­bestudeerde ik dit verschijnsel in Servië en Turkije, nu kijk ik ook naar Syrië. Als je de stekker uit dit instituut trekt, vermoord je een kind in wasdom.’