Die ellendige Lof der zotheid

Desiderius Erasmus
De correspondentie van Desiderius Erasmus, deel 1 t/m 4
Vertaald door M.J. Steens
Ad. Donker, ca. 300 blz. per deel, € 39,50 per deel

In Lof der zotheid krijgen ze allemaal van onder uit de zak: schoolmeesters, filosofen, rechtsgeleerden, hovelingen, vorsten. Maar het is toch vooral de geestelijkheid die het bij Erasmus moet ontgelden. Over de theologen schrijft hij dat ze ‘koeterwaalsen en de taal maximaal radbraken, en zo brabbelen dat alleen een brabbelaar ze kan begrijpen en dat dan “diepgang” noemen’. Volgens hem denken de kloosterbroeders dat ze ‘de oren van de heiligen strelen met zoet genoegen door hun psalmen, waarvan ze de volgorde wel kennen maar de inhoud niet snappen, balkend als ezels door de kerk te laten galmen’. Ook de paters, die ‘staan te galmen en te springen’ en ‘alles op stelten zetten met hun gebrul’, komen er bij hem slecht vanaf, vooral omdat een intelligente toehoorder zich bij hun duistere preken slechts, met Horatius, kan afvragen: ‘Gaat dit gezwets ook ergens heen?’
Erasmus, die zelf de kloostergelofte had afgelegd, kon dit allemaal schrijven omdat niet hij aan het woord was, maar de Dwaasheid. Het briljante aan het boek is echter dat de Dwaasheid niet wordt voorgesteld als een betreurenswaardige afwijking, maar als datgene wat makes the world tick. Wie wijs is, wie rationeel nadenkt, is diep doordrongen van het feit dat hij weinig weet en dat zijn capaciteiten zeer beperkt zijn. Dit bewustzijn leidt tot inertie, waardoor de wereld volledig tot stilstand komt. Alle emoties en hartstochten zijn manifestaties van de Dwaasheid en zij zorgen ervoor dat mensen doelen nastreven, roem en geld najagen, en zodoende de menselijke ontwikkeling bevorderen.

Neem nu, zegt de Dwaasheid, de pausen. Wanneer die zouden leven zoals Jezus heeft voorgeschreven, zouden ze dan nog bereid zijn om hun hele vermogen uit te geven om dat ambt te kopen, of wanneer ze dat al hadden gedaan, ‘die positie uit alle macht met oorlog en gifmoord verdedigen?’ Nee, natuurlijk niet. Maar dat zou een ramp zijn, aangezien de in armoede levende paus talloze ‘klerken, kopiisten, notarissen, advocaten, aanklagers, secretarissen, ezelwassers, stalknechten, bankiers en pooiers’ het brood uit de mond zou stoten. In economisch opzicht is de prachtlievende, verkwistende en oorlogvoerende hoge geestelijkheid dus een zegen.

Vooral sinds Johan Huizinga in 1924 zijn korte biografie schreef, wordt Erasmus nogal eens gezien als een draaikont, een gladde aal die zijn huid wilde redden en niet, zoals Luther, de volledige verantwoordelijkheid voor zijn opvattingen wilde dragen. Het feit dat hij zich in Lof der zotheid verschool achter de Dwaasheid wordt soms tegen Erasmus gebruikt. Ook zijn levenslange ontkenning dat hij de auteur was van de keiharde satire op paus Julius II, het uit 1513 daterende Julius buiten de hemelpoort, draagt bij aan het beeld dat Erasmus eigenlijk een beetje laf was. Hierbij wordt echter vergeten dat er in de zestiende eeuw niet zo veel voor nodig was om als ketter op de brandstapel te belanden.

Je zou verwachten dat in de meer dan 3100 brieven omvattende Correspondentie van Desiderius Erasmus, waarvan de eerste vier van de 22 delen inmiddels zijn verschenen, veel is terug te vinden van de opschudding die Lof der zotheid teweegbracht. Hoewel deze brievencollectie schitterend is en van onschatbare betekenis voor onze kennis van de Renaissance valt dat tegen.

Aanvankelijk circuleerde de in de herfst van 1509 geschreven Lof alleen in manuscriptvorm, maar ook nadat vrienden van Erasmus in 1511 een nogal slordige kopie hadden laten drukken, duurde het nog drie jaar eer er voorzichtige kritiek kwam. De Leuvense theoloog Maarten van Dorp, met wie Erasmus bevriend was, schreef dat in academische kringen veel wrevel was ontstaan. ‘Vroeger bewonderde men je, las men gretig je werk, en de voornaamste theologen en rechtsgeleerden zochten je aanwezigheid. En nu gooit die ellendige Lof der Zotheid alles overhoop (…). Men heeft veel waardering voor je stijl, je vindingrijkheid, je scherpte, maar niet voor je spotternijen, zelfs de geleerden niet.’

In zijn ellenlange antwoord aan Van Dorp, dat vanaf 1516 werd opgenomen in alle vroege edities van de Lof, verweerde Erasmus zich met de opmerking dat het boekje in wezen niets anders beoogde dan zijn veelgeprezen Handboek van de christensoldaat. Beide geschriften wilden laten zien hoe de ware christen moest leven, alleen de Lof deed dat schertsenderwijs. Al die verontwaardiging was overdreven: ‘Ook de wreedste tirannen verdragen hansworsten en narren, terwijl die hen toch dikwijls openlijk beledigen. Keizer Flavius Vespasianus heeft degene die zei dat hij het gezicht had van iemand die op een kakstoel zat, niet gestraft.’ Tegenover Thomas More noemde Erasmus Van Dorp ‘een domoor’ en waarschijnlijk heeft de Leuvense geleerde, die kort daarna hoogleraar werd, geprobeerd bij zijn conservatieve collega’s in het gevlij te komen.

Behalve met Van Dorp onderhield Erasmus contact met een enorm netwerk van geleerden, van wie sommigen bijzonder invloedrijk waren. Een van de meest interessante correspondenten was de Engelse humanist en staatsman Thomas More, aan wie Lof der zotheid was opgedragen. Ook deze vrome katholiek, die door de plotseling tot het protestantisme bekeerde Hendrik VIII zou worden onthoofd, had weinig illusies over de levenswandel van de geestelijkheid. Toen een vriend van hem door de koning tot afgezant in het buitenland was benoemd, schreef hij dat die functie hem nooit iets had geleken: ‘Ik vind die ook niet zo geschikt voor leken. Het is eerder iets voor jullie, geestelijken, die in de eerste plaats geen vrouw en kinderen thuis hebben of ze overal vinden.’