De nieuwe Connie Palmen is… interessant

Die Ene Man

Laat ik maar meteen met het oordeel beginnen: het boek Geheel de uwe van Connie Palmen is interessant. Nu is dat een term die in de literaire kritiek wat minder hoog wordt aangeslagen. Boeken moeten briljant, meesterlijk of kwalitatief hoogstaand zijn; superlatieven die vaak de werkelijke waarde van een boek hebben verdrongen. Dit boek is interessant, en wel om drie redenen.

De eerste reden: Geheel de uwe poogt een onderzoek te zijn naar, zoals Palmen het noemt «verwoestende verleidelijkheid». Er zijn mannen die verwoestend verleidelijk zijn. Welk geheim zit daarachter, welk raadsel, en lost de oplossing van dat raadsel het geheim op? Palmen duikt daartoe in de ziel van Salomon (Mon) Schwartz. Geen man als u en ik. Hij is klein van stuk en heeft een verlamming aan zijn been en strompelt zo door het leven. Hij is journalist en schrijft in de krant «brieven», die je columns zou kunnen noemen en die hij ondertekent met T.T., wat ook de rubrieksnaam is. Zoiets als «Opheffer» of «De Dikke Man». Die journalist — hij is vooral interviewer — kan vragen stellen als geen ander. Vaak zal iemand in het boek zeggen dat het is alsof hij direct in je ziel kan kijken. Palmen onderzoekt de ziel van deze Mon door vijf vrouwen die op een of andere manier een relatie met hem hebben gehad over hem te laten vertellen: een psychiater, een actrice, een non, een hoer en een biografe.

De tweede reden waarom dit boek interessant is, heeft te maken met het overige werk van Palmen. Door toeval ken ik drie boeken van haar: De wetten, I.M. en dit boek. Deze drie boeken hangen op een aardige manier samen. Je zou kunnen zeggen dat De wetten in wezen een fatale vrouw beschrijft die steeds op zoek is naar die Ene Man. I.M. gaat over de ontwikkeling van een verhouding met een man, Ischa Meijer, die weleens die Ene Man zou kunnen zijn. Geheel de uwe spiegelt zich aan De wetten en gaat over de fatale man.

De derde reden dat dit boek hoogst interessant is, is de kippensoep die Palmen maakt van de combinatie schijn en wezen. Je hoeft niet heel veel kennis te hebben om te denken dat Mon Schwartz Ischa Meijer is — daarvoor zijn de overeenkomsten te groot. Behalve journalist en columnist is Mon ook nog eens hoerenloper, toneelcriticus, charmant et cetera. Je hoort als het ware in dit boek Ischa praten. De vraag die zich onmiddellijk aandient is: waarom heeft Palmen het niet over Ischa, maar over Salomon? Wat kan zij meer of anders vertellen door Ischa als het ware te transformeren in Mon?

Het boek is opgebouwd uit monologen — soms met een wel heel erg essayistisch karakter — van de betreffende dames. Uit deze monologen moet als het ware de biografie van Mon ontstaan, maar moet ook het raadsel van die verwoestende verleidelijkheid worden opgelost. De dames zelf stellen zich die vraag ook. Waarom voelen ze zich aangetrokken, «geobsedeerd» door de slechtigheid? Wat is dat? Hoe komt het dat ze deze man zijn veelwijverij vergeven? Dat ze zijn vernederingen vergeven, zijn verraderlijkheid, zijn trouweloosheid? Waarom willen ze hem terwijl ze beseffen dat hij hen zal kwetsen?

Opvallend is dat alle vrouwen in het boek een paradoxaal gevoelsleven hebben. De biografe denkt als ze Mon ziet meteen: kom bij me, blijf weg. Alle vrouwen ervaren de verwarring van die paradox. Natuurlijk komt de psychiater met een aantal analyses. Ze zegt ergens: «Mon is een van de weinige ware wanhopigen die ik gekend heb, maar echte wanhoop zie je alleen in een andere vorm, in dat vaak clowneske, uitbundige, amusante, charmante, grensoverschrijdende gedrag dat iemand tot in de perfectie heeft ontwikkeld om ondanks de wanhoop te kunnen leven. Maar deze volbloed entertainers, deze meesters van het alsof, krijg je alleen binnen wanneer ze hun eigen talent spuugzat zijn en ze worden hun houvast alleen maar beu wanneer ze zich realiseren dat het hen weghoudt van een nog groter verlangen dan de behoefte zich te openbaren.» Even verderop zegt ze: «In de duisternis van de ontkende liefde worden onze sterren geboren.»

Schutz, de psychiater, beseft dat ze haar eigen verdriet ook in Mon herkende en eindigt een van haar monologen dan ook met: «Eerlijk gezegd was ik vol adoratie, op het verliefde af, en doodsbang. Behalve van mijn vader heb ik van geen man zoveel gehouden als van David Alexander en ze hebben me allebei op exact dezelfde wijze verraden.»

Alle vrouwen herkennen in Mon iets van zichzelf, of het is eigenlijk anders: ze zien in hem een manier om te leven, om het leven waardevol te maken. Zeker als dat leven met hem is.

De non in dit verhaal, zuster Monica, speelt een mooie rol. Mon verwart haar door op een keer te zeggen dat haar huwelijk met Christus toch eigenlijk een schijnhuwelijk is. Schijnhuwelijk — dat steekt. Het is natuurlijk een schijnhuwelijk, maar het is ook het meest wezenlijke huwelijk dat je je kunt indenken. En omgekeerd verwart zuster Monica Salomon ook. «‹Salomon, wat begrijpt u soms weinig. Zelfs de Christus aan het kruis heb ik nooit gezien als een man, maar als een voorstelling van het lijden van God en de mensen.›

‹Maar gelooft u dan niet in Christus?›

‹Niet zoals u denkt dat ik erin geloof, in ieder geval.›

Op zulke momenten in onze gesprekken maakte zich een nerveuze opwinding van Salomon meester en het was juist op deze momenten, als er een gretige blik in zijn ogen kwam dat hij het liefst doorging met vragen, dat ik hem te kennen gaf het voor vandaag wel weer genoeg te vinden. Hij heeft wel eens gesuggereerd dat ik hem daarmee wilde plagen.» Natuurlijk was Mon gretig, hij wilde weten wat die totale overgave was van zuster Monica. Hijzelf kon zich niet totaal overgeven. Of eigenlijk kon hij dat wel, maar niet langdurig. Dan zou hij immers gekwetst kunnen worden.

Alles of niets, ook in emotionele zin, zo handelde Mon. Natuurlijk was Mon «een verstotene» zoals hij zichzelf noemde, want zijn ouders hadden hem rot behandeld. Hij zocht de waardering van zijn vader die hij nooit had gekregen en de liefde van zijn moeder — maar er was meer. Mon had een enorme empathie — een gigantisch inlevingsvermogen. Vooral de actrice — die tenslotte alle rollen speelt — valt dat op. Ze trekt net niet de conclusie dat Mon die empathie misschien ook weleens zou kunnen spelen, al streept ze wel alle passages die daar min of meer over gaan aan in het boek dat de psychiater heeft geschreven en dat De pathologie van het theater heet. De hoer daarentegen herkent in Mon ook zichzelf. Ze beschrijft aan Mon hoe ze de incest onderging. Maar Mon weet het antwoord al: «Je was er en je was er niet.» En de hoer antwoordt: «Nadat de knop was omgedraaid werd het meer een toneelspel.»

«En je vindt het een mooi spel om te spelen?»

«Ja, het is een mooi spel.»

Dat spel met het leven. Dat spel met wat waar is en wat niet. Wat heilig is en niet heilig. Dat beheerste Mon, zelf ook acteur en (in dit boek een mislukt) toneelschrijver.

En daarom schreef Connie Palmen misschien een veelzeggende laatste zin in het boek, waarin de psychiater, Saar de Vries, de laatste vrouw van Mon, aan de broer van Mon zijn dood beschrijft: «Mon was heel bleek en zakte in elkaar naast de bank in de woonkamer. Het was me direct duidelijk dat het een massieve hartaanval was en ik ben naast hem gaan zitten. Ik heb mijn armen om hem heen geslagen, wiste met mijn hand het koude zweet van zijn voorhoofd, zei wat zachte dingen. Hij keek me even vol doodsangst aan en toen glimlachte hij voluit.

‹Wees maar niet bang›, zei hij, ‹het is niet echt.›»

Niet echt.

Misschien is dat «niet echte», die conclusie, ook de reden dat Connie Palmen het niet als een echte biografie van Ischa heeft gemaakt. Hetgeen ik trouwens erg jammer vind. Zou het literaire gehalte van zo’n biografie minder zijn dan dit boek? Ik betwijfel het. Zo’n biografie zou net zo interessant zijn. Palmen had alle theorieën die ze nu tentoonspreidt dan evengoed kunnen laten zien. Een bezwaar van dit boek vind ik juist dat «literaire». Alles verwijst naar elkaar, alles spiegelt zich, heel mooi en knap allemaal, maar zijn het mensen van vlees en bloed? De enige die je werkelijk hoort spreken, is Salomon. Maar verder spreekt de actrice als de hoer, als de non en als de psychiater. Er is wel enig vocabulaireverschil, maar geen andere toon. Palmen schrijft de monologen als een redelijk goede journaliste die de cassettebanden heeft uitgewerkt, waarna de eindredacteur zou zeggen: «Probeer er wat kleur in te brengen, schat.» Nu wil Palmen, die een andere opvatting van literatuur heeft dan ik, dat misschien juist niet. Het gaat haar waarschijnlijk meer om de ideeën.

Die ideeën zijn dus zeer interessant.