Het extremismedebat in Duitsland

Die Extreme berühren sich

Door linkse activisten en moslimfundamentalisten op één hoop te gooien met neonazi’s heeft de nieuwe Duitse regering een aloude discussie doen oplaaien.
Is alles waar ‘extreem’ voor staat even slecht?

Medium extremisme

BERLIJN - De vernielde ruiten van de allochtone winkelier zijn de druppel voor Ben. Maar eigenlijk twijfelde hij vóór de uit de hand gelopen antifascistische betoging al aan zijn links-extremistische vrienden. Het optreden van zijn favoriete band Anti Alles in het plaatselijke kraakband was vet, maar de daaropvolgende politieke bijeenkomst? ‘Net school, maar dan saaier’, becommentarieert de met paarse haren en een zwarte capuchontrui getooide Ben het oeverloze gepraat over 'radicaal emancipatorische machtskritiek’ en de uitbuiting van het 'maatschappelijk subject’ in de 'metropolen’ en de 'tricont’.
Ben is de hoofdpersoon in het onlangs verschenen derde stripavontuur van 'Andi’, een bedenksel van de geheime dienst van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Gingen de vorige afleveringen respectievelijk over rechts-extremisme en moslimfundamentalisme, deze keer ziet de immer coole modeldemocraat Andi (met geitensik) zijn vriend Ben afdrijven naar de links-autonome scene. Gelukkig komt hij tijdig tot inkeer. Want in linkse kringen neemt men het niet zo nauw met de Duitse rechtsstaat, zo toont de memorabele uitspraak van Bens radicale jeugdvriend 'Randale’ bij hun eerste nachtelijke actie: 'We zullen net zo lang graffiti spuiten tot de kapitalisten het begrijpen.’

EXTREEM-LINKS staat in het middelpunt van de Duitse belangstelling. Aanleiding zijn de vrijwel dagelijkse autobranden in Berlijn. Afgelopen jaar gingen in de hoofdstad meer dan tweehonderd vooral luxere bolides in vlammen op. Een fors deel van de aanslagen zou politiek gemotiveerd zijn, als protest tegen de gentrification: welgestelde 'yuppen’ trekken naar centraal gelegen wijken als Prenzlauer Berg en Kreuzberg, waar zij door stijgende huren de oude bewoners verdringen.
Ook de traditioneel onrustige eerste mei was deze keer extra gewelddadig. In Hamburg en Berlijn werden eind vorig jaar bovendien politieposten aangevallen, tot verontwaardiging van de autoriteiten. De voor de openbare orde verantwoordelijke Berlijnse senator Ehrhart Körting, een sociaal-democraat, sprak van 'roodgeverfde fascisten’. De chef van de politievakbond trok zelfs een vergelijking met de Rote Armee Fraktion.
Ook de nieuwe, rechtse regering liet zich niet onbetuigd. Naar aanleiding van de rellen op 1 mei sprak een jonge afgevaardigde van de christen-democratische CDU vorig jaar over het bestaan van 'no-go-areas voor democraten’ in de hoofdstad. Inmiddels is deze 32-jarige Kristina Köhler opgeklommen tot minister in de nieuwe Duitse regering. In die hoedanigheid is zij verantwoordelijk voor gezinszaken én voor de bestrijding van politiek extremisme.
Haar eerste beleidsvoornemens hebben direct voor grote ophef gezorgd. Köhler wil door de overheid gefinancierde programma’s ter bestrijding van rechts-extremisme uitbreiden naar islamisme en links-extremisme. Vooral dat laatste is omstreden. Maar Köhler weet zich gesteund door het coalitieverdrag. Waarschuwend voor een dreigende verheerlijking van de DDR-dictatuur hebben de regeringspartijen daarin vastgelegd de bestaande programma’s tegen rechts-extremisme voort te zetten als 'extremismebestrijdingsprogramma’s’.
De reacties waren niet van de lucht. Vakbondsleider Michael Sommer reageerde woedend op de in zijn ogen onacceptabele gelijkstelling van links- en rechts-extremisme. De minister hoeft haar gezicht voorlopig niet te vertonen bij de vakbeweging, die zelf regelmatig de straat op gaat tegen neonazisme. Een parlementariër van de sociaal-democratische SPD sprak van een 'spijtige traditie’ bij Köhler om 'uit ideologische motieven het gevaar van rechts-extremisten te onderschatten’. Zelfs een deel van het politieapparaat toonde zich kritisch. Het uitbreiden van de programma’s naar radicaal-links en moslimfundamentalisme zou neerkomen op een forse bezuiniging op de aanpak van extreem-rechts. Gezien het grote aantal rechtse delicten - bijna twintigduizend in 2008, tegenover ruim drieduizend linkse strafbare daden - zou dat onverantwoord zijn.
Vorige maand moest Köhler water bij de wijn doen. Haar ministerie zal niet snijden in de 24 miljoen euro die jaarlijks wordt uitgegeven aan de bestrijding van rechts-extremisme. Maar van inbinden wil de jonge bewindsvrouw niet weten. Door op het laatste moment twee miljoen euro extra te voorschijn te toveren in haar begroting, speciaal voor de aanpak van links-extremisme en islamisme, heeft zij alsnog haar punt gemaakt.
Tot verontwaardiging van de critici. 'Er dreigt een politiek gemotiveerde terugkeer naar de denkpatronen van de Koude Oorlog’, schrijven tien wetenschappers op het gebied van uiterst rechts in een verklaring. 'Zonder naar empirische bevindingen te kijken is besloten tot een “bestrijdingsprogramma”, dat vooral partijpolitieke belangen (…) dient, maar weinig met de reële stand van zaken onder de jeugd van doen heeft.’

MET ENKELE tientallen miljoenen euro’s subsidie per jaar gaat het bij wat inmiddels het 'extremismedebat’ is gedoopt niet om grote bedragen. Waar het om draait is de achterliggende, politieke kwestie. Is alles waar extreem voor staat even slecht?
Nieuw is dat debat geenszins, zeker niet in Duitsland. Sinds de val van de Muur laait het regelmatig op naar aanleiding van de tot monument omgevormde concentratiekampen. Sommige daarvan, zoals het vlak bij Berlijn gelegen Sachsenhausen, zijn na de Duitse nederlaag door de Sovjet-Unie gebruikt om politieke tegenstanders op te sluiten. Moeten op deze plaatsen behalve de misdaden van de nazi’s ook die van de communisten worden herdacht? En zo ja, hoe ver mag die gelijkstelling gaan?
Hoe gevoelig het thema ligt, toont de discussie in de Duitse deelstaat Sachsen. In 2004 stapten organisaties van nazislachtoffers, waaronder de Centrale Raad van de Joden, uit het overleg over de herdenkingsoorden. Door het DDR-socialisme als een 'tweede dictatuur op Duitse bodem’ op één lijn te stellen met het regime van Hitler zou het nationaal-socialisme gerelativeerd worden.
Dat is ook waar de naoorlogse discussies over de totalitarismetheorie om draaiden. Aanhangers hiervan benadrukten niet de verschillen maar de overeenkomsten tussen linkse (Sovjet-Unie, China) en rechtse totalitaire staten (Duitsland onder Hitler). Ook bij de Historikerstreit in de jaren tachtig vlogen conservatieve en progressieve historici elkaar in de haren over de vraag in hoeverre bolsjewisme en nationaal-socialisme aan elkaar gelijk stonden. Was de laatste bovendien geen reactie op het oprukkende communisme? Filosoof Jürgen Habermas beschuldigde zijn rechtse tegenstanders er daarop van de uniciteit van de holocaust te ontkennen en de Duitse geschiedenis vanuit nationalistisch oogpunt te willen herschrijven.
Sinds het einde van de Koude Oorlog is de totalitarismedoctrine op de achtergrond geraakt. In plaats daarvan is het extremismebegrip steeds populairder geworden. De overeenkomsten zijn groot. Beide doctrines gaan uit van een politiek hoefijzermodel. Daarbij raken de extreme randen elkaar. En net als tijdens de Historikerstreit leggen twee intellectuele kampen elkaar het vuur na aan de schenen.
Een drijvende kracht achter de extremismedoctrine is de Duitse geheime dienst. Repte deze Verfassungsschutz tot in de jaren zeventig nog van 'radicalen’ van divers politiek pluimage, tegenwoordig spreekt zij in haar jaarlijkse rapportages van 'extremisten’. Dat taalgebruik wordt van een wetenschappelijke onderbouwing voorzien door een heuse 'extremismeschool’. Een van de prominentste vertegenwoordigers daarvan is de in Chemnitz docerende politicoloog Eckhard Jesse. Nog in 2002 klaagde hij in Die Welt over de 'taboeïsering van het extremismebegrip’. Jesse hekelt het meten met twee maten. 'Het extremisme van rechts wordt vaak overdreven, dat van links daarentegen gerelativeerd.’
Volgens zijn verklaarde tegenstander Wolfgang Wippermann, hoogleraar geschiedenis aan de Freie Universität, is de extremismedoctrine allerminst taboe. Ze is hard op weg 'staatsideologie’ te worden van het verenigde Duitsland. Net zoals ze dat was in de Bonner republiek, die zich als democratisch alternatief wilde presenteren tegenover zowel het eigen bruine verleden als de communistische DDR.
Wie tot de politieke 'extremen’ behoort is afhankelijk van de politieke krachtsverhoudingen en dus aan verandering onderhevig, betoogt Wippermann in zijn vorig jaar verschenen polemiek Dämonisierung durch Vergleich: DDR und Drittes Reich. Een voorbeeld is de politieke partij Die Linke. Niet toevallig wordt die in rechts geregeerde deelstaten door de geheime diensten als 'links-extremistisch’ bestempeld. In andere regio’s, zoals Berlijn, zit de partij in de regering.

WIE HEEFT ER GELIJK? 'De weerbare democratie mag niet aan één oog blind zijn’, meent minister Köhler. Zij bespeurt een neiging in Duitsland om alleen rechts-extremisme serieus te nemen en 'links-extremisme als iets relatief onschuldigs voor te stellen’. Haar tegenstanders verwerpen 'extremisme’ daarentegen als onwetenschappelijk containerbegrip dat geen recht doet aan de werkelijkheid. Volgens Wippermann suggereert het 'een gelijkenis tussen de aan de linkse en rechtse randen van een ingebeeld politiek spectrum verkerende extremisten die in werkelijkheid niet bestaat’. De DDR-dictatuur was boosaardig, maar is nooit een wereldoorlog begonnen, laat staan dat zij gepoogd heeft de joden uit te roeien.
Ergens gaat die eenvoudige redenatie ook in het huidige extremismedebat op, zo constateerde een cynische commentator onlangs. Het is waar: zowel links als rechts heeft, gemeten over de afgelopen jaren, honderden slachtoffers op zijn geweten. Met één verschil. Bij links gaat het tegenwoordig om auto’s. Bij rechts om de ongeveer 140 mensen die sinds 1993 gewelddadig om het leven zijn gebracht.


Nieuw rechts radicaal
Niet extreem-rechts, maar ‘nieuw rechts radicaal’ is de PVV. De opstellers van het eind januari verschenen rapport Polarisatie en radicalisering in Nederland hebben veel kritiek gekregen op hun gegoochel met politieke etiketten voor de partij van Geert Wilders. Voor de rest van het onderzoek was weinig aandacht. Dat terwijl ook de SP uitvoerig aan bod komt. De onderzoekers zien weliswaar ‘geen argumenten’ om de grootste oppositiepartij in de Tweede Kamer ‘als een partij met een radicaal of extreem-linkse signatuur te omschrijven’, maar wijzen er wel op dat ‘op personeel niveau banden’ bestaan met ‘extreem-links’.
Het veelbesproken rapport is het meest recente voorbeeld van de extremismedoctrine in Nederland. Exclusieve aandacht voor fascistische organisaties is verleden tijd. Alle als ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ bestempelde groeperingen worden gelijk behandeld. Stuwende krachten achter deze omslag zijn de AIVD en minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken. De laatste beloofde de Tweede Kamer eind vorig jaar ‘nieuwe aandacht voor links-extremisme’. De bestaande harde aanpak van ‘dierenrechtenextremisme’ wordt uitgebreid naar ‘links-extremistisch protest tegen het Nederlandse asiel- en vreemdelingenbeleid’.
Naast actieplannen tegen alle vormen van extremisme wordt sinds 2008 ook een ‘gemeenteprijs polarisatie en radicalisering’ uitgereikt. Ook nieuw is het landelijk expertisecentrum Nuansa. Deskundigen verstrekken informatie ‘over alle typen radicalisering en polarisatie, zoals vanuit extreem links en rechts, islamistisch radicalisme en dierenrechtenactivisme’, aldus het ministerie van Binnenlandse Zaken in een persbericht.
De hierbij gehanteerde definities zijn buitengewoon ruim. Zo wordt ‘extremisme’ door de overheid beschreven als het fenomeen waarbij ‘personen of groepen, bij het streven naar bepaalde idealen, bewust over de grenzen van de wet gaan’. Waarmee niet alleen de kraakbeweging, maar ook de strijd in het verleden tegen apartheid, voor vrouwenkiesrecht en voor het recht op abortus en euthanasie als ‘extremistisch’ gediskwalificeerd zou kunnen worden.