Media

Die goeie ouwe tijd

‘Thorbecke had het, met Rutger Castricum in de buurt, nog geen dag uitgehouden in de politiek’, aldus Naema Tahir vorige week in Buitenhof, in een column die het begin zou blijken van de zoveelste polemiek over de zeden in de hedendaagse politiek en media - met als onvermijdelijke rondo: vroeger was het beter. Columnisten, politici en zelfs wetenschappers haastten zich om dit evidente gemis aan historisch besef te legitimeren.

Zo schetste een jonge historicus afgelopen zaterdag in de Volkskrant een welhaast idyllisch beeld van de politieke cultuur in de negentiende eeuw, met - alweer - Thorbecke als icoon, als de staatman aan wiens fluisterende lippen de natie zich laafde.
Het verleden zag er in werkelijkheid heel wat rauwer uit. Er loopt een spoor van verbaal en fysiek geweld door de moderne Nederlandse politieke geschiedenis, weliswaar minder heftig dan in de meeste andere Europese landen, maar toch. Dat spoor begint met de schermutselingen op de Dam in maart 1848, die dezelfde Thorbecke op het pluche brachten, en loopt - om eens wat momenten te noemen - van de Aprilbeweging in 1853, het Palingoproer, de Oranjefurie, de mislukte revolutie van 1918, het Jordaanoproer, de rellen in Amsterdam in de jaren zestig, de actie van de Molukkers, via het krakersgeweld en de gewelddadige botsingen tussen extreem-rechts en links in de jaren tachtig en negentig tot de moord op Fortuyn in 2002.
De lijst is onuitputtelijk. Socialisten en anarchisten die elkaar aan het einde van de negentiende eeuw letterlijk de vergaderzalen uit vochten. Katholieken die in de jaren twintig en dertig colporteurs van de vrijdenkersorganisatie De Dageraad met stokken en andere wapens de dorpen en steden uit joegen. ‘De grond van Limburg zal rood kleuren’, had de Deken van Sittard van de kansel geroepen, en de trouwe gelovigen - nauwelijks twee of drie generaties geleden: de grootouders van Wilders, zeg maar - trokken fier ten strijde tegen het oprukkende heidendom. Ondertussen gaven de media zich, in ieder geval tot de Tweede Oorlog, dagelijks over aan spijkerharde beschouwingen: links tegen rechts en vice versa, en vervolgens met z'n allen tegen de communisten, maar ook onderling, tussen verschillende stromingen binnen de eigen groep, in een stijl die nu doorgaat als regelrechte demonisering.
Het moderne Nederland was, kortom, in tal van opzichten niet de tolerante en vreedzame natie die wij ons vandaag de dag zouden wensen. Integendeel, er bestaat een onuitroeibare neiging de fysieke en verbale excessen in het eigen verleden - inclusief de koloniale geschiedenis - te bagatelliseren.
Tot welke malle conclusies dit gebrek aan historisch besef leidt, laten de commentaren rond het aftreden van Cohen zien. Als hij niet zulke domme pr-adviseurs had gehad en tijdens de verkiezingscampagne zijn sterke punten had mogen etaleren, was hij een goed premier geweest. Niemand zou het in zijn hoofd hebben gehaald hem een 'regent uit een andere tijd’ te noemen. Nu was hij simpelweg de verkeerde man op de verkeerde plaats, die het waarschijnlijk ook vroeger, bij de felle richtingenstrijd op de partijcongressen eind jaren zestig, zeventig, als partijleider niet zou hebben gered - laat staan in Troelstra’s tijd.
Dichten we, anders gezegd, PowNed en Geenstijl - of zelfs Pauw & Witteman - niet te veel betekenis toe? Zulke vormen van quasi-journalistiek zijn er immers altijd geweest. Castricum doet weinig meer dan belletje trekken, op een manier die vaag doet denken aan wat de VPRO in de jaren zeventig op radio en tv deed, zij het minder plat en met meer humor. Zoiets geldt ook voor PowNed, dat toch in de eerste plaats rechtse satire is, zij het in een gemankeerde vorm.
In plaats van te jeremiëren over het groeiende onfatsoen kunnen we ons beter richten op de structurele patronen die de media en de politieke cultuur vandaag de dag regeren en de gevolgen daarvan, te beginnen met de erosie van de autonomie van de politiek. Meer dan ooit is de politiek gedwongen zich te voegen naar de logica van de media, met als gevolg een verdergaande personalisering en spectacularising en een gelijktijdige ontzakelijking. De kenmerken van de moderne mediacultuur - de enorme snelheid, de hypes, het vervloeien van de grenzen tussen mediavormen - bepalen óók de politieke ontwikkelingen. Wie hieruit meent te kunnen afleiden dat de macht van 'de media’ daarmee groter is geworden, vergeet echter dat zij zelf minder dan ooit autonome instellingen vormen: niet alleen zijn de media op allerlei manieren verknoopt met de samenleving waarin ze opereren, ze zijn bovendien op hun beurt onderhevig aan de logica van de markt en - vooral - de wetten van de aandachtseconomie.
Dergelijke analytische en historisch gefundeerde observaties bieden meer perspectief om te begrijpen wat er gebeurt dan het nostalgische gezever of het uitzichtloze gekakel bij ieder onbenullig incident.