Profiel: Renate Künast

«Die Kleine» uit Berlijn

Berlijn — Het gaat om het vlees. En om de moraal. En om de volgorde van die twee. Die was tot voor kort verkeerd. Eerst kwamen de vleesproducenten. Zij hadden in Duitsland een gigantische carnivore markt te bedienen en deden dat met succes. Mede dankzij de industriële productiemethoden, die de opperste efficiëntie hadden bereikt. Zelfs het slachtafval werd weer teruggebracht in de productieketen. Vee at vee. Tot het door de hoeven ging. BSE zaaide dood en verderf onder de runderen en paniek onder de consumenten. Zou het dierenrijk dan toch een moraal hebben? Zou ook daar gelden dat kannibalisme een doodzonde is die zichzelf straft?

Umdenken. Eerst de moraal en dan het vlees. De Duitse consument liep de schappen met rundvlees voorbij. Niet zo massaal als de eco-retoriek wilde doen geloven, maar in voldoende mate om de vleesproducenten heel zenuwachtig te maken. En de minister van Landbouw. Een klassieke landbouwminister was hij, deze Karl-Heinz Funke, ook al stamde hij nu eens niet uit de CDU maar uit de SPD. Meer dan negentig kilo woog hij, en hij had modder aan zijn laarzen. Zo zien ze dat graag, de boeren en hun bonden. Een man van hun eigen kaliber. Funke zou, beloofde hij, in Brussel met zijn machtige vuist op tafel slaan om die lieden daar van hun monstrueuze slachtprogramma’s af te houden. BSE vormde in Duitsland geen bedreiging, hield hij vol.

De moraal bleek sterker dan het vlees. Funke had de boeren achter zich maar de consumenten tegenover zich. Met hun eis van «schoon vlees» duwden de laatsten hem omver. Het werd tijd voor iemand met moraal op het ministerie, vond ook bondskanselier Gerhard Schröder. Iemand van de Groenen dus. Bij die partij zitten niet alleen eco-fanaten maar ook eco-realisten. Bijvoor beeld landbouwminister Bärbel Hohn van de deelstaat Nordrhein-Westfalen. Een stevige dame met modder aan de laarzen. Die had al bewe zen dat ze de boeren en hun bonden aankon. En ze was een echte «Expertin für Rinderwahn». De partij schoof haar van harte naar voren.

Maar Hohn wachtte vergeefs op een telefoontje van Schröder. De bondskanselier beslist zoiets niet in zijn eentje maar altijd met de politieke leider van zijn coalitiepartner. Groenen-voorman Joschka Fischer wenste echter niet met Hohn aan één tafel te zitten. Hij herinnerde zich haar maar al te goed van het geruchtmakende partijcongres in Bielefeld in 1999, waar hij de humanitaire bommen op Belgrado moest verdedigen tegenover een achterban die met Nie wieder Krieg-posters was opgegroeid. Met moeite kreeg hij een meerderheid van het congres achter zijn politiek. Maar op het laatste moment dreigde een fanatieke pacifist met een gloedvolle rede de stemming weer te doen omslaan. Dat was Bärbel Hohn.

Het kostte Fischer weinig moeite Schröder ervan te overtuigen de vrouw te bellen die bij de regeringsformatie al door de Groenen naar voren was geschoven als kandidaat voor het ministerie van Jusititie. Schröder vond haar toen zeker ministerabel, maar eiste Justitie voor zijn eigen partij op. Nu kon hij haar goed gebruiken. Een rechtskundige op Landbouw, iemand «die het verschil niet eens kent tussen een Friese stamboekkoe en een Vietnamese buffel» (Tageszeitung) leek hem de aangewezen persoon om over de Duitse veestapel te gaan regeren.

Het was een kwestie van umdenken. Eerst de moraal en dan het vlees. Eerst het belang der worstconsumenten en dan dat der vleesproducenten. Het ministerie werd omgedoopt in het departement voor Verbraucherschutz, Ernährung und Landwirtschaft. En tot de baas daarvan werd de Berlijnse juriste Renate Künast benoemd. Geen negentig kilo, geen modder aan de laarzen, maar klein en licht, en met slanke, stadse stappers. Een gewaagde keuze van Schröder en Fischer. De boeren en hun bonden reageerden stomverbaasd. De natuur- en dierenbeschermers, de verdedigers van consumentenbelangen en de eco-landbouwers juichten. Al waren ze er niet helemaal zeker van of zo’n Grosstadtgöre, zo’n teer plantje uit de grote stad, wel bestand was tegen de altijd boze boeren en hun machtige lobby’s.

In buurland Nederland werd ook gejuicht. Door landbouwminister Laurens-Jan Brink horst. De Duitsers hadden gedaan wat hij en Els Borst alleen maar achter de hand dorsten te bespreken: het instellen van één departement voor voedselzaken. De aanstelling in Berlijn van een minister voor Consumentenbelangen, Voedsel en Landbouw klonk hem «als muziek in de oren», bekende Brinkhorst in een nieuwjaarstoespraak daags na de benoeming van Künast. Hij zou zijn eigen departement het liefst zo snel mogelijk willen omdopen in het «ministerie voor Voedsel en Groen», voegde hij er met weinig smaak voor naamgeving aan toe. Voorts hoopte hij in de hem onbekende Künast een bondgenoot te kunnen begroeten met wie hij de Europese Raad van Landbouwministers zou kunnen helpen umdenken.

Die hoop werd snel vervuld. Niet lang na zijn toespraak stonden Brinkhorst en Künast, beiden met een koksmuts op, tijdens de Grüne Woche in Berlijn zij aan zij te roeren in een pannetje pompoensoep. Twee verdwaalden in een vreemde wereld. Want de man die vanuit de diplomatieke aristocratie op het Nederlandse landbouwministerie was geparachuteerd, was natuurlijk net zo min gewend om op bio-beurzen kleine, roze varkentjes te aaien als de stadse Künast, die dan ook bij haar eerste streling meteen een fikse biggenbeet te pakken had.

Künast staat misschien net iets minder ver van de landbouwwereld af dan Brinkhorst. Het enige waar de Nederlandse bewindsman op kan wijzen, is dat hij binnenkort familie wordt van een voormalige Argentijnse landbouwminister. Künast kan zich tenminste nog beroepen op haar grootvader, die boer was in de omgeving van Leipzig. Al zal ze weinig op de grootouderlijke boerderij hebben vertoefd, want haar vader verkoos het leven aan de andere kant van de Muur. Hij kwam terecht in het Ruhrgebied, waar hij als vrachtrijder de kost verdiende. Kleine Duitse luiden, dat was het milieu waarin Renate Künast op 15 december 1955 werd geboren. Luiden die een serieuze studie voor een meisje niet nodig vonden. Maar Renate was ongezeglijk en dwong af dat ze naar de Realschule mocht. Dan kon ze tenminste nog naar de sociale academie.

Onmiddellijk na haar afstuderen verruilde ze het doodsaaie Recklinghausen voor het opwindende Berlijn. Ze ging werken in de gevangenis van Tegel, waar ze zich over verslaafde gedetineerden ontfermde. In de avonduren volgde ze een rechtenstudie. Als advocate deed ze asielzoekers, stond ze de beweging tegen kernenergie juridisch bij en procedeerde ze tegen rechts extremisten. Ondertussen stortte ze zich in de politiek, waar ze voor geschapen bleek. Binnen de kortste keren was ze fractievoorzitter van de Groenen in het Berlijnse Huis van Afgevaardigden. Ze schoot omhoog. Toen de bondskanselier haar belde, was ze al landelijk partijvoorzitster. Na het telefoontje: minister. Was ze van de SPD geweest, dan stond hier de volgende bondskanselier — de eerste vrouwelijke.

Maar ze is niet van de SPD. Ze is van de partij van Joschka Fischer en Jürgen Trittin, twee moving targets voor pers en oppositie. Schröder bekende tegenover een Spiegel-journalist dat hij Fischer voor Künast had gewaarschuwd: «Zij is jullie nieuwe shooting star. Als je niet oppast gaat ze jou straks nog voorbij in de populariteitspoll van de ZDF.» Een week later werd zijn voorspelling al bewaarheid. Schröder bleef één, Künast had Fischer naar de derde plaats verdrongen. Er wordt zelfs al gesproken van een «Künast-effect»: bij de deelstaatverkiezingen op 25 maart in Baden-Württemberg en Nordrhein-Westfalen hadden de Groenen volgens de verwachtingen veel meer moeten verliezen dan ze nu deden, en dat zou te danken zijn aan «die Kleine» uit Berlijn.

Wat had Künast gedaan om door het Duitse volk ineens als een soort Jeanne d’Arc van de landbouw te worden omarmd? Ze had haar mond vol van umdenken en van een «radikale Agrarwende». De producent zou een trede lager moeten, de consument werd koning. Wil de boer zijn klanten houden, dan moet hij leveren wat die willen. En die willen «Klasse statt Masse», zoals Künast dat uitdrukt. En vlees dat vrij is van ziektes die gaten in de hersenen vreten. «BSE», zegt Künast, «is het Tsjernobil van de voedselproductie.» Ze legde een «Reinheitsgebot» op: «In unsere Kühe kommt nur Wasser, Getreide und Gras.» Binnen vijf jaar moest twintig procent van de landbouw ecologisch produceren, verordonneerde ze. De boeren en hun bonden pikten het. En ook haar ambtenaren leerde ze snel wat umdenken was. «Ik weet het, ze zijn een ander soort leiding gewend. Maar nu zit ík hier. Punt.»

Ze zei de boeren en hun bonden nóg iets. Wilden de boeren hun aandeel in de wereldvleesmarkt behouden, dan zat er weinig anders op dan de Europese richtlijn uit te voeren en vierhonderdduizend stuks rundvee te vernietigen. Maar daarmee zette ze tegelijk haar eigen moraal op scherp. Mag dat wel, zo veel dieren doden alleen maar om «de markt te stabiliseren»? In kringen van dierenbeschermers klonk al het woord «holocaust». Hoe krijg je een volk van dierenvereerders achter zo’n slachting? Het lukte haar. Met tact, zelfbewustzijn en tot in de kleine uurtjes bijgespijkerde dossierkennis.

Ze overschreed de grenzen van haar eigen moraal. Europa bleek sterker. Hoezeer ze de boeren en hun bonden ook verzekerde dat ze zich bij de Europese ministers sterk voor hen maakt, voorlopig haalde ze in Brussel bakzeil. De ethisch zo bedenkelijke massaslachting — «Ik heb er pijn van in mijn buik», bekende ze — bleek onvermijdelijk. Maar een nieuwe ramp schoot haar te hulp. De epidemie van mond- en klauwzeer brak eerst in Engeland uit en toen in buurland Nederland. Dat leidde in Duitsland tot ingrijpende beperkingen in het veevervoer. De boeren die hun koeien voor de zinloze slacht al klaar hadden staan, wachtten vergeefs op transport.

Morele opluchting bij Künast. Maar niet voor lang. Opnieuw moest ze vanuit Brussel een rampzalig decreet overbrengen: er mocht onder geen voorwaarde tegen mond- en klauwzeer worden ingeënt. Als een dier is ingeënt, kan niet meer worden vastgesteld of het besmet was of niet. Geen land wil zulke dieren afnemen. Eurocommissaris David Byrne dreigde Duitsland dan ook onmiddellijk «dicht te zullen gooien» wanneer het met inenten tot een «Alleingang» zou besluiten. Künasts voorganger Funke roffelde op zijn borst: «Ik zou allang begonnen zijn hele gebieden in te enten.» Maar Künast kiest ervoor het spel met Brussel voorzichtig te spelen. Ook al weet ze dat een exportverbod geen al te erge ramp is omdat in het vleesschrokkende Duitsland slechts tien procent van de vleesproductie naar het buitenland gaat. Ze wil eerst de nodige medestanders kweken in de Europese Raad van Landbouwministers. Met alleen Brinkhorst aan haar zijde kan ze daar nog geen potten breken.

Umdenken kost tijd en moeite, weet Künast. Althans waar het de landbouwwereld betreft. Wat haarzelf betreft blijkt Künast gemakkelijk genoeg te kunnen umdenken. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig demonstreerde ze nog lustig mee tegen kernenergie. Ze werd destijds zelfs burgeres van de Vrije Republiek Wendland, het tentenkamp op het terrein van de opwerkingsfabriek te Gorleben, dat na enige tijd door de Duitse politie hardhandig werd ontruimd. Toen vorige week opnieuw duizenden demonstranten een transport van radioactief materiaal naar Gorleben trachtten te verhinderen, was Künast er echter niet bij. «Dan zou ik tegen mezelf lopen demonstreren», verdedigde ze zich. Maar «grundsätzlich» hebben de demonstranten wel een punt, vond ze. Een kwestie van um-und-umdenken.

Het was de eerste keer dat Künast onplezierig met haar politieke verleden werd geconfronteerd. Het zal wel wennen. Groenen op het regeringspluche moeten nu eenmaal voortdurend in hun eigen staart bijten zonder hardop au te mogen roepen. Ex-Sponti Fischer en ex-communist Trittin weten daarover mee te praten. Vorige week donderdag ging het bij milieu minister Trittin echt van au toen hij urenlang in de Bondsdag de beledigingen van de oppositie moest aanhoren. De CDU had in een motie om zijn ontslag gevraagd omdat hij de voorzitter van die partij extreem rechtse sympathieën had toegedicht. Strak voor zich uit kijkend, de handen gevouwen, hoorde hij de Trittin-Beschimpfung zwijgend aan. De in de regeringshoek pal vóór hem zetelende Künast zat de hele tijd half naar hem toe gedraaid om hem bemoedigende woorden toe te fluisteren.

Een half jaar eerder, toen ze nog partijvoorzitster was, moest ze ook al voor Trittin in de bres springen. De milieuminister was onder vuur komen te liggen vanwege een al te sexy campagne voor energiebesparing. Zijn departement had een poster het land ingezonden waarop een zwoele dame de Duitse burgers toefluistert: «Wie iets vaker het licht uitdoet, krijgt van mij een beloning.» Künast verraste met de opmerking: «Ik wist niet dat Trittin bij zulke gelegenheden het licht uitdeed!»

Dat getuigt van Berlijnse behendigheid, haar voornaamste wapen. Daarmee heeft ze in de korte tijd dat ze de landbouwscepter zwaait veel onverenigbaars weten te verenigen. De indus triële boeren met de eco-boeren, de landbouworganisaties met de regering, de nationale be langen met de Europese, de stad met het platteland en het vlees met de moraal. Reden genoeg voor Künast om met geheven hoofd door het land te gaan. Al zal de burger drie keer moeten kijken om de frêle gestalte tussen de brede torso’s van de staatsbewakingsdienst te ontdekken.

Wat vindt de sobere Künast er eigenlijk van om voortdurend door bodyguards te worden omgeven? Zolang ze verhinderen dat ne gentig kilo zware landbouwers met modder aan hun laarzen haar tegen de borst drukken, wat haar al een paar keer overkwam, is ze er «heilsfroh» mee. Maar hoe dat van de zomer moet, wanneer ze zoals gebruikelijk haar inline skates weer onderbindt, weet ze niet. Het gerucht gaat dat enkele van haar bewakers al hard in training zijn.