‘die krant mag niet weg’

In 1945 las heel Amsterdam, van Apollolaan tot de Pijp, Het Parool. Waar zijn die lezers gebleven? En hoe krijgt de krant ze weer terug? Vooruitlopend op het binnenkort te verschijnen reddingsplan een gesprek met Parool-journaliste van het eerste uur Jeanne Roos
MET EEN DRAMATISCH gebaar slaat ze de handen voor de ogen, alsof ze ieder moment in een vertwijfelde huilbui kan uitbarsten. ‘Een tabloid!’ roept ze vol afgrijzen. ‘Wat een flauwekul. Alsof je het van de vorm moet hebben. Mensen lezen een krant, ze kijken er niet alleen naar! Tabloids kom je trouwens tegen in landen waar kranten los gekocht worden, maar de Nederlander wil zijn krant in de bus krijgen.’

Vanuit de keuken, over het gepruttel van het koffiezetapparaat heen, foetert Jeanne Roos verder op de marktonderzoekers. De slimme commerciele jongens die met hun ‘gevoel voor wat er leeft’ bedacht hebben dat de redding van Het Parool, haar Parool, in een rigoureuze restyling zou liggen. De krant zou op half formaat, als tabloid dus, opeens veel meer belangstelling trekken, en wel van 'slimme solisten’: 'Op steden georienteerde lezers van 25 tot 35 jaar in een- of tweepersoonshuishoudens die veel lezen en weinig tv kijken.’ Waarvan er in Nederland op z'n minst driehonderdvijftigduizend zouden zijn.
'Daar word ik nou zo eng van’, griezelt Jeanne Roos, 'van die marktonderzoekers met hun slimme snelle solisten of weet ik veel. Sodemieter toch op met die doelgroepen. Ik weet helemaal niet wat een slimme solist is; is dat wat vroeger de yup was? En waarom zouden die het Parool lezen? Yuppen lezen de NRC, als ze al lezen.
Die marktonderzoekers zien het als een produkt, maar dat is onzin. Een krant kan alleen maar gemaakt worden door een redactie die staat voor wat ze doet. Toen wij na de oorlog vol enthousiasme met Het Parool begonnen, dachten we helemaal niet aan doelgroepen. We deden iets wat van binnenuit kwam en dat sloeg aan, bij duizenden mensen. Zo moet je nog steeds een krant maken. Je moet vooral niet luisteren naar wat een of andere marktonderzoeker zegt. Je schrijft een stuk omdat je dat nodig vindt of omdat je een ideetje hebt and that’s it.
Ik ben daar een goed voorbeeld van, omdat ik een consumentenrubriek had. Als ik in een winkel kwam en ik vond iets leuk en nieuw, dan schreef ik er een enthousiast stukkie over. Ik ging ervan uit dat als ik iets leuk vond, zeker nog tienduizend mensen dat vonden. En dan was het de volgende dag inderdaad uitverkocht. Soms kreeg ik te horen: Het is te Amsterdams, je moet ook eens in Groningen kijken. Maar dan riep ik: In Groningen is niks leuks! Ja, ze hebben er vast betere Groninger koek, maar ik heb daar niks te zoeken.
Ik deed maar wat, en dan hoor ik nu, jaren later, voortdurend dat ik een van de gezichten van Het Parool was. Zo moest ik ook eerst vijftig worden voordat ik van allerlei mannen hoorde dat ze toen zo verliefd op me waren.’ Ze barst in lachen uit en doet er nog een schepje bovenop: 'Half Amsterdam bleek verliefd op mij te zijn, maar dan vertellen ze dat pas als ze 93 zijn.’
JEANNE ROOS (79) was Parool-journaliste van het eerste uur en ruim 36 jaar een coryfee van de krant. In 1955 begon ze een eigen rubriek, Tip van Roos, later had ze een eigen pagina. Veertien jaar geleden verliet ze de krant, en opbellen naar de redactie met nieuwtjes en suggesties doet ze inmiddels ook niet meer. Maar ze spreekt nog altijd over 'onze krant’ en 'wij van Het Parool’.
Roos: 'De potentie is er, er zit een jonge redactie en ik vind het knap dat ze toch nog een leuke krant maken met die doem die er hangt en al die medelijdende publiciteit. Soms zit ik hem hier te lezen en roep ik hardop: “Goed zo, jongens!”
Het emotioneert me allemaal enorm. Ik schrok er zelf van toen ik laatst zei: Ik hoop dat ik eerder dood ben dan Het Parool. Maar ik zou het inderdaad afschuwelijk vinden om de ondergang mee te maken. Aan de andere kant denk ik: tja, een artikel dat niet meer gewild is, verdwijnt - wat is daar zo tragisch aan? De mensen hebben blijkbaar geen behoefte meer aan die krant. Alles moet groot zijn - het kleine gaat eraan. Kijk naar de middenstand: de kleine winkels verdwijnen, en het koopgedrag is totaal anders dan dertig jaar geleden. De consument is ontrouw, dat weet iedere middenstander. Ik koop zelf alleen Droste cacao en ga altijd naar dezelfde kledingzaak, maar dat doet niemand meer, mensen zwiepen van de ene naar de andere winkel. Het komt allemaal door de welvaart, de overvloed.’
Toch geldt dat doorgaans niet voor het krantenbedrijf. Krantelezers zijn tamelijk trouw - men 'zapt’ niet zo makkelijk van de ene naar de andere krant. Maar bij het vrije, onverveerde dagblad liepen vorig jaar 1400 abonnees weg; de krant leed zo'n 15 miljoen gulden verlies. Nu niets doen betekent het einde van het Parool, zei directeur Blom van de Perscombinatie vorig jaar. In de loop van februari zal het reddende toekomstscenario bekend gemaakt worden.
Roos: 'Het is de vraag of het niet te laat is - dat is het somberste wat ik te zeggen heb. Maar van mij en al die andere grijze raadgevers moeten ze het niet hebben. Het vervelende is dat de jonge journalisten onervaren en verwend zijn. Zij hebben op school geleerd dat ze het geweten van de natie zijn - laat me niet lachen. Maar de oudjes die wel weten wat een krant is, hebben niet het levensgevoel van wie nu jong is. Ik ben zo anders geconditioneerd, ik weet niet wat voor soort krant de jonge generatie wil lezen. Ik kan alleen wat dingen aandragen.’ En ze brengt een ode aan haar grote liefde, de mode, waar 'van schaap tot trui’ een enorme en interessante bedrijfstak achter zit, maar waarover je nauwelijks serieuze artikelen leest, ook niet in haar krant.
Het Parool heeft wel een actieve belangstelling voor life style en culinaire onderwerpen.
'Ja, absoluut. Maar dat is niet genoeg. Er zijn een heleboel eisen om een krant levendig te houden. Je moet het zien, het begrijpen, je moet het vormgeven en het leuk opschrijven. Daar komt veel bij kijken - veel tijd, en veel achtergrondkennis. Maar als er weinig geld is, heb je die tijd niet. Dan stuur je Mientje ergens op af en die schrijft wel een stukkie, al weet ze van d'r sante niet af.’
Wordt er in het Parool goed geschreven?
'Over het algemeen wel, beter dan op het ogenblik in de Volkskrant. Die Dag in dag uit-pagina…’ Ze schudt vol afschuw het mooie grijze hoofd. 'Vreselijk. De helft van de tijd begrijp ik niet eens waar ze het over hebben. Ze kunnen bij de Volkskrant geen korte stukjes maken, terwijl dat de hoge school van de journalistiek is. In het Parool wordt absoluut redelijk geschreven, maar ja - helpt dat?’
'HET IS ONGELOOFLIJK hoe Amsterdam veranderd is, de laatste twintig, dertig jaar’, peinst ze, en ze schetst een kleine sociologie van de stad, die de neergang van Het Parool gedeeltelijk verklaart. 'Een derde van de inwoners is weggetrokken, zoals een grote groep have nots die een lekkend huis in de Pijp verruilden voor nieuwbouw in Almere. Die mensen vertrokken met hun kinderen, dus die waren we kwijt. De intellectuele, artistieke bovenlaag ging veel meer verdienen en trok ook weg, naar een verbouwde boerderij in de Purmer. En wij vonden dat we te goed waren om bij de gemeentereiniging te werken, dus hebben we een lading gastarbeiders binnengehaald waarvan er veel zijn blijven hangen. Zij waren een tijdlang heel erg nodig. Maar het zijn geen Parool-lezers. Wat hou je dan nog over? Een grote groep arme, oude mensen die van de AOW leven en uberhaupt geen geld voor een krant hebben; talloze studenten die allemaal weer weggaan, en een onbekend aantal illegalen.’
Met de leegloop van de stad en de algehele ontlezing zag Het Parool zijn abonneebestand steeds verder slinken. Totdat Sytze van der Zee acht jaar geleden aantrad als hoofdredacteur en de krant binnen een paar maanden weer op haar poten zette. Maar ook hij kon geen duidelijk Parool-profiel kiezen en bleef geheel volgens de traditie hinken op die twee gedachten: moet het Parool nu een landelijke krant of een regionale krant zijn? Van der Zee wilde het allebei - het moest een 'groot-Amsterdamse’ krant 'met landelijke allure’ worden. Met als resultaat dat de lezer het niet meer weet en dat Het Parool probeert een landelijke krant te maken met de inkomsten van een regionale.
Wat is Het Parool nu: regionaal of landelijk?’
'Ah! Hier komen we aan de kern van het probleem. Een van de charmes van die krant in het begin, en later haar grootste makke, was die besluiteloosheid: zijn we nou een Amsterdamse of een landelijke krant? Ik zou zeggen: een landelijke, maar met opvallend veel informatie over Amsterdam. Zo zou het moeten zijn, maar daar is geen geld voor.
Wij hebben ons heel bewust teruggetrokken op Amsterdam en omgeving. Maar in die omgeving, in Purmerend en Almere, wonen mensen met uitkeringen die het Nieuws van de Dag lezen of helemaal geen krant. Veel randdebielen, als ik het zeggen mag. Dus moet de Amsterdammer hem lezen, maar wie is de Amsterdammer? Dat is die grote, deels vergrijsde, deels allochtone onderlaag - die kun je afschrijven. En dat is de bovenlaag die aan de grachten woont, maar die leest de NRC.
Toen Het Parool op 6 mei 1945 begon, was er een enorme behoefte aan informatie, en dankbaarheid dat de oorlog was afgelopen - de krant werd uit je handen gerukt. Iedereen wilde hem lezen, van de Apollolaan tot de Pijp. Het Parool was zeker de PvdA toegedaan, maar niettemin abonneerden zich ook intellectuelen die niet socialistisch waren, maar die sympathie hadden voor een krant die in de oorlog tegen de nazi’s stelling had genomen.’
Was de oorlog dan het enige bestaansrecht van de krant? Waren de trauma’s en de herinneringen uit de oorlog de motor die nu, na vijftig jaar, sputterend tot stilstand komt?
'Misschien, misschien. Die oorspronkelijke lezerskring is natuurlijk bijna uitgestorven, en veel van die allereerste lezers hebben Het Parool in de jaren tachtig in de steek gelaten - of Het Parool heeft hen in de steek gelaten.’
Ze zwijgt en kijkt langdurig uit het raam.
Als de oorspronkelijke generatie lezers naar gene zijde verdwijnt, de oudere en de allochtone Amsterdammers geen belangstelling hebben en de slimme solisten de NRC als avondkrant verkiezen, wie zal Het Parool, al dan niet in tabloidformaat, dan nog lezen? De grachtengordel, zei Van der Zee onlangs in een interview, want daarmee voelen ook 'lezers in Haarlem en Hilversum’ zich verwant.
'Ach, wie is de grachtengordel in Jezusnaam?’ zegt Jeanne Roos geirriteerd. 'Ik woon nu achttien jaar aan de Keizersgracht, maar ik heb nooit geweten dat ik een grachtengordeldier was. Een paar jaar geleden had ik gordelroos. Dan was ik zeker een grachtengordelroosdier! Ik begrijp natuurlijk wel wat hij bedoelt: de betere standen. Want wij worden niet gelezen door de arbeiders, al kun je ook niet meer omschrijven wie “de” arbeider is.
Misschien’, denkt ze hardop, 'moet de middenstand Het Parool gaan lezen. Okee, de kleine zaak, de winkelier. Maar nee’, werpt ze weer tegen, 'voor hen schrijft Het Parool niet, er is niet eens een echte stadsredactie…’
Ze zucht. 'Erg kritisch is die krant trouwens ook niet. Het is niet zo dat wij met onze commentaren de stad bestoken, het kabbelt maar wat door. In de tijd van het referendum heb ik in Het Parool nooit een standpunt van de krant zelf gelezen! Er werd niet gezegd: godverdomme, zijn jullie nou helemaal belazerd om die stad op te willen delen, we gaan van Amsterdam niet dertien Abcoudes maken! Het is altijd “enerzijds, anderzijds” en zelden “wij vinden dat”.
En ik ben het er ook absoluut niet mee eens dat wij alle afgedankte columnisten van de NRC krijgen. Van Kuitenbrouwer tot Max Pam - ik wil die mensen niet in mijn krant! Ik wil mijn eigen gezicht hebben en niet dat van de NRC. Iemand zei tegen mij: we moeten eigenlijk weer zo'n Tip van Roos hebben. Maar dan zouden ze mij erbij moeten nemen - dat meen ik serieus. Want je mag best een luchtbel in je krant hebben, maar dan wel een briljante luchtbel. Tip van Roos was op journalistiek gebied eigenlijk een briljante luchtbel.
Maar laten we het alsjeblieft niet hebben over hoe goed die krant was, daar hebben ze nu niets aan. Laten we het over nu hebben. Wat doe je om die krant anders te maken dan de andere kranten?’
Ze zucht weer. 'Ik weet het ook niet - ik ben al veertien jaar weg bij die tent. Terwijl ik niets liever wil dan Het Parool behouden, kan ik het recept ook niet geven.’
EVEN LATER GEEFT ze dat toch, als ze zich weer hardop afvraagt: 'Waarin moet die krant zich onderscheiden van alle andere? Amsterdam! Er is nergens in Nederland een stad met twee universiteiten. Er zijn talloze hogere opleidingen - het barst van de onderwijsinstellingen hier, waar tienduizenden mensen bij betrokken zijn. Er zijn twee beurzen - de optiebeurs en de effectenbeurs. Nergens in Nederland is een stad waar het kunst- en muziekleven zo bloeit. Het muziekleven van Amsterdam is zelfs gevarieerder en interessanter dan dat van Parijs, Londen en Berlijn. Ook het margetoneel is hier interessanter dan in grote steden elders in de wereld. Stof genoeg, zou je denken. Je hoeft maar een inventaris van Amsterdam te maken en je weet waar je het over moet hebben in de krant. Je moet niet een pagina per dag hebben over Amsterdam, maar twee. Het moet de krant zijn met de meeste en allerbeste voorlichting over de stad. Dat is nu niet zo. Ik lees veel dingen in de Volkskrant waarvan ik denk: verdomme, dat hadden wij moeten hebben.
Ik zeg niet dat als je dat zou doen, die krant opeens 150.000 abonnees krijgt. Het is misschien te laat. Maar een echt Amsterdamse krant - dat zou nog kunnen lukken. En misschien moet die dan maar op tabloidformaat, omdat dan inhoud en vorm anders worden. Dan kun je je nog manifesteren als een nieuw produkt. En op een dag ligt die krant er. Stapels bij het station, in de kiosken…’
Ze kijkt alsof ze zich probeert voor te stellen hoe dat zou uitpakken. 'In het begin zullen mensen die krant pakken: “O leuk,” en dan zullen ze hem nog eens kopen. Maar abonneren ze zich?’ Ze heft de armen in de lucht. 'Dat is de grote vraag: binden mensen zich aan die krant? Want daar gaat het om.
Zo'n krant is natuurlijk altijd te redden als PCM er maar geld in blijft stoppen. Maar op de achtergrond speelt de overname van de Dagbladunie met een lening van zo'n 900 miljoen, dus hebben ze nog minder reden om er geld in te steken. En als ze ons opgeruimd hebben, beginnen ze aan Trouw, want die maakt ook nauwelijks winst. Zo kijkt Wijers ook naar Fokker, hij denkt: geen cent meer erbij, want het is een failliete boedel. Het mes erin, zegt Jan Timmer. Het is de tijd van overleven door te snijden - en dat zal ook wel moeten. Niemand neemt een abonnement op een krant of schaft een vliegtuig aan omdat het slecht gaat met het bedrijf. Maar als een produkt niet gekocht wordt, wil dat nog niet zeggen dat het geen goed produkt is. Het is misschien wel te goed, in deze tijd van vervlakking.’
Ze loopt mee naar beneden om de krant uit de bus te halen. Rillend in het koude halletje vist ze de zaterdageditie uit de brievenbus. Ze vouwt hem open en zegt: 'Kijk nou toch, wat enig! Dat is toch een lekkere krant? En die krant mag dus niet weg.’