Onder bewind in de zorg

‘Die man ként onze zoon helemaal niet’

Sinds vijf jaar mogen behalve familieleden ook zorginstellingen bepalen wie het bewind voert over een hulpbehoevende. Zorginstellingen gaan daarbij soms uiterst bruut te werk.

‘Papa, die kant op.’ Frans Zeilemaker duwt de rolstoel van zijn zoon Peter door de museumwinkel. ‘Kijk, die locomotief, vind je die mooi? Tjoeke tjoek, tjoeke tjoek.’ Het bezoek aan het Spoorwegmuseum lijkt ontspannen en onschuldig, ook al is het opmerkelijk. De op treintjes verliefde zoon is namelijk 38 jaar oud. Peter heeft een zware verstandelijke beperking en is al zijn hele leven afhankelijk van de zorg van zijn ouders, die na zijn achttiende zijn aangesteld als curator. Bovendien is het uitstapje verre van onschuldig, want Frans Zeilemaker en zijn vrouw Hennie zijn ermee in overtreding. Sinds een financiële ruzie met de zorginstelling van Peter moeten ze toestemming hebben om hun eigen kind te bezoeken. De instelling heeft hen laten ontslaan als curator, en de nieuwe curator verbiedt contact.

De situatie is het gevolg van een opmerkelijke wetswijziging van vijf jaar geleden. Die bepaalde dat niet alleen, zoals voorheen, familieleden om aanstelling of ontslag van een bewindvoerder, mentor of curator mogen vragen, maar ook zorginstellingen. Daar maken instellingen echter regelmatig misbruik van, zo blijkt uit onderzoek van platform voor onderzoeksjournalistiek Investico, in samenwerking met tv-programma De Monitor en dagblad Trouw, mede voor De Groene Amsterdammer.

Instellingen schuiven op oneigenlijke gronden kritische bewindvoerders en mentoren aan de kant, en laten vertegenwoordigers aanstellen die precies doen wat de zorginstelling wil. In principe mogen zorginstellingen dit soort aanvragen alleen doen wanneer er geen familie is die dat kan. Maar ouders die al jaren als mentor voor hun verstandelijk beperkte kind zorgen, of familieleden die bewindvoerder zijn voor hun bejaarde ouders, worden door instellingen op een zijspoor gezet. Conflicten over zorg of financiën worden zo met powerplay beslecht. Rechters moeten de aanvragen van zorginstellingen controleren, maar doen dat onvoldoende.

Zo ook bij de familie Zeilemaker. Na een hoogoplopend financieel conflict vraagt de zorginstelling in 2015 bij de rechter met spoed om ontslag van Frans en Hennie als curator, en wint. ‘We hebben Peter altijd geholpen, we deden er alles aan om hem de beste zorg te geven’, zegt vader Frans. ‘Hij is ons enige kind, dus we kunnen ons gelukkig helemaal voor hem inzetten. En nu zegt de rechtbank: “U hebt het niet goed gedaan.” Dat is onbegrijpelijk.’

De rechter wijst een ‘professionele’ curator aan. ‘Een vreemde man die Peter helemaal niet kent en geen verstand van zijn problemen heeft.’ De rechter vindt dat Frans en Hennie betrokken moeten blijven bij de verzorging van hun zoon. ‘De kantonrechter gaat ervan uit dat de nieuwe curator de ouders op waarde zal schatten’, staat in het vonnis. ‘Het beslissingsniveau verandert, maar de betrokkenheid blijft en hoort te blijven.’ Maar het tegenovergestelde gebeurt: sinds Peter een nieuwe curator heeft mogen zijn ouders niet meer bij zorgbesprekingen aanwezig zijn en moeten zij toestemming van de curator hebben om hun eigen zoon te bezoeken. ‘Het ergste vind ik dat onze zoon eronder lijdt’, zegt vader Frans. ‘Peter is niet meer naar de tandarts geweest, hij krijgt geen noodzakelijke logopedie, en is nu bezig met zelfmutilatie. Dat deed hij nooit. Wij vinden dat zijn situatie verslechtert, maar we kunnen niks doen.’

Iemand die onder mentorschap, bewind of curatele komt te staan verliest vrijwel de hele zeggenschap over zijn eigen leven. Hij mag niet meer zelf beslissen over zorg en financiën, maar krijgt een vertegenwoordiger die dat voor hem doet. De maatregel is extreem ingrijpend maar soms onvermijdelijk, bijvoorbeeld bij mensen met dementie, verslaving of een verstandelijke beperking, zoals Peter.

Tot 2014 konden enkel familieleden om aanstelling of ontslag van een bewindvoerder of mentor vragen. Na de wetswijziging kregen ook zorginstellingen deze bevoegdheid. De afgelopen vijf jaar deden zorginstellingen 3729 van zulke aanvragen, blijkt uit cijfers die Investico opvroeg bij de Raad voor de Rechtspraak. De neiging van zorginstellingen om dit soort aanvragen te doen, neemt toe: in 2014 deden de instellingen 414 verzoeken, vorig jaar waren het er met 934 ruim twee keer zoveel. Uit ons onderzoek blijkt dat instellingen regelmatig een nieuwe bewindvoerder of mentor aanvragen om betrokken familie monddood te maken. ‘Het voelt alsof we afstand moesten doen van onze zoon’, zegt een vader die dit overkwam.

Rechters moeten de aanvragen van zorginstellingen goed tegen het licht houden om de belangen van verstandelijk beperkten en dementerenden te beschermen. Maar uit een recente evaluatie blijkt dat rechters onvoldoende onderzoeken of de aanvragen van zorginstellingen wel terecht zijn. ‘Over het algemeen worden de meeste verzoeken van zorginstellingen goedgekeurd’, zegt de Raad voor de Rechtspraak.

Ook benoemen rechters regelmatig een bewindvoerder of mentor die de zorginstelling zelf aandraagt, en die soms zelfs nauwe banden met de instelling heeft. Uit een enquête van De Monitor, Investico en Trouw blijkt dat bewindvoerders en mentoren voor hun inkomen sterk afhankelijk zijn van zorginstellingen: meer dan de helft van hen krijgt zijn zorgcliënten voornamelijk via die weg. Een kwart van de bewindvoerders en mentoren zegt weleens onder druk te zijn gezet door zorginstellingen.

Volgens het College voor de Rechten van de Mens loopt de rechtsbescherming van ouderen en verstandelijk beperkten gevaar. Bewindvoerders en mentoren moeten de belangen van hun cliënt behartigen, maar dreigen te verworden tot ja-knikkers die zorginstellingen geen strobreed in de weg leggen en familie soms letterlijk buiten de deur houden. Familieleden verliezen elke zeggenschap over het lot van hun naaste aan een vreemde die slechts zeventien uur per jaar heeft om deze ingrijpende zorgtaak uit te voeren.

Sinds zijn geboorte hebben Jan en Margreet hun zoon Thomas veel zorg moeten geven: hij kwam met een ernstig zuurstoftekort ter wereld en lag de eerste acht maanden van zijn leven in het ziekenhuis. ‘Artsen zeiden: “Thomas zal een kasplantje blijven”’, zegt Margreet. Maar met veel aandacht weten de ouders hun zoon sterker te maken. ‘Er begon toch leven in te zitten.’ Na enkele jaren gaat het zelfs zo goed dat Thomas naar school gaat en leert lezen, schrijven en rekenen. Thomas heeft de cognitieve vermogens van een kind van zeven of acht jaar.

Sinds hij volwassen is staat Thomas onder mentorschap van zijn ouders, zodat zij hun ouderlijke zorg kunnen voortzetten. Nog wel. Want deze zomer viel er een dikke envelop op de deurmat. De zorginstelling van Thomas heeft de rechter gevraagd om Jan en Margreet te ontslaan als mentor. Als de rechter instemt, hebben zij niets meer over hun zoon te zeggen. Margreet was een week ‘in shock’. ‘Niemand had ons wat verteld, en de zitting was al gepland.’

De zorginstelling zegt dat Thomas lijdt onder een langlopend conflict tussen de instelling en de ouders. Maar volgens Jan en Margreet ligt het precies andersom: zij moeten de strijd aan met de instelling, omdat die onvoldoende zorg levert. Thomas woont al jaren in de instelling, en aanvankelijk ging het prima. Maar na enkele jaren zien zijn ouders de effecten van tekorten in de zorg: goede medewerkers vertrekken en er komt tijdelijk personeel voor in de plaats. Thomas krijgt te weinig begeleiding, zijn ouders zijn ontevreden over het eten en zien dat psychotische medebewoners een gevaar vormen voor hun zoon. Aanvankelijk zijn Margreet en Jan voorzichtig en klagen ze niet veel. Maar uiteindelijk voelen ze zich tot twee keer toe gedwongen een rechtszaak aan te spannen: eerst omdat de instelling ten onrechte de zorgovereenkomst opzegt, en daarna omdat Thomas niet mee mag naar nieuwbouw voor zijn woongroep. De ouders winnen beide zaken.

In de dikke envelop zit naast het ontslagverzoek ook nog een opmerkelijke brief van een oud-medewerker van de zorginstelling die zegt mentor van Thomas te willen worden. Zij is door de instelling gevraagd. ‘Tijdens gesprekken is mij duidelijk geworden dat Thomas actief is en dingen wil ondernemen’, schrijft ze in haar brief aan de rechter. ‘Ouders denken mogelijk dat Thomas dat niet aankan. Als ouders het ergens niet mee eens zijn verlenen ze daarvoor nu niet de geldelijke middelen zodat hij niet kan ondernemen wat hij wil. Het is mijns inziens niet in het belang van Thomas dat ouders op die manier invloed houden op zijn welzijn, op de manier hoe Thomas zijn leven wil inrichten.’ Een opmerkelijke conclusie voor iemand die het medisch dossier nog nooit heeft ingezien, waarin staat dat Thomas bij het maken van keuzes begeleiding nodig heeft.

Sterker nog: op het moment dat de mentor de brief stuurt heeft ze Thomas zelfs nog nooit ontmoet. De mentor is volledig afgegaan op wat de zorginstelling tegen haar heeft verteld. De jurist van de instelling heeft haar geholpen met het schrijven van de brief. Jan en Margreet zijn met stomheid geslagen. ‘Wij hebben deze vrouw nooit gesproken. En dat ze dan zegt dat wij Thomas financiële middelen onthouden! Dat is gewoon écht onwaar. Ze kan het niet eens onderbouwen.’ De zorginstelling zegt wegens privacyregels niet op de zaak te kunnen reageren. Wanneer we de mentor bellen, hangt ze op nog voordat we een vraag hebben kunnen stellen.

‘Het ergste vind ik dat onze zoon eronder lijdt. Peter is niet meer naar de tandarts geweest, hij krijgt geen noodzakelijke logopedie, en is nu bezig met zelfmutilatie. Dat deed hij nooit’

Volgens de ouders heeft deze mentor zich voor het karretje van de zorginstelling laten spannen. Het echtpaar moet een advocaat inschakelen om de zorg over hun eigen zoon niet te verliezen. Ze wachten nu op de beslissing van de rechter. ‘We vinden het verschrikkelijk spannend. We willen niet dat een vreemde belangrijke beslissingen gaat nemen over onze zoon.’

De ouders van Thomas zijn niet de enigen die aan de kant werden gezet door de zorginstelling. De familie Troost overkwam het ook met hun zoon Allard, een ‘lieve, vrolijke vent’ met een verstandelijke beperking. Terwijl ze in discussie zijn met de zorginstelling over zorgfacturen die in hun ogen niet kloppen – vader Ab noemt het een ‘baggerzooi’ – ontvangt zijn zoon een brief van de rechtbank. ‘Allard kwam met een brief met “Justitie” erop naar mij toe en vroeg of hij de gevangenis in moest’, zegt Ab Troost. Allard hoeft niet naar de gevangenis, maar zijn ouders worden opgeroepen door de rechtbank, omdat de zorginstelling hen wil laten ontslaan uit bewind. ‘Ik dacht: dit kan niet waar zijn. Dit is een grap! We zijn geweldige ouders en het gaat heel goed met Allard.’

Volgens de zorginstelling moeten de ouders ontslagen worden, omdat zij de rekeningen weigeren te betalen en Ab ‘fatsoensgrenzen overschrijdt’. De rechter stelt een nieuwe, onbekende bewindvoerder aan. De familie Troost moet in hoger beroep, waarop het Hof de uitspraak vernietigt en Allards broer bewindvoerder maakt.

Ook bij de Zeilemakers, die niet meer zonder toestemming hun zoon mogen bezoeken, was een financieel conflict aanleiding om de ouders te ontslaan als curator. Volgens Kees Blankman, hoogleraar juridische bescherming van ouderen en meerderjarigen met beperkingen, mag ‘een conflict over facturen nooit reden zijn’ om de familiebewindvoerder zomaar te vervangen. ‘Een bewindvoerder mag alleen worden ontslagen als hij slecht op het geld past. Of als de zorg echt in gevaar komt.’

Zorginstellingen hebben sinds 2014 de mogelijkheid om vanwege ‘gewichtige redenen’ ontslag van een bewindvoerder of mentor aan te vragen. Uit een evaluatie van de wet uit 2018 bleek al dat een op de vijf professionele bewindvoerders en mentoren negatief is over deze toegenomen macht van zorginstellingen. De professionals vrezen dat instellingen op oneigenlijke gronden om ontslag van de bewindvoerder of mentor vragen, ‘bijvoorbeeld vanwege onenigheid in de familie of financiële overwegingen’.

Uit onze enquête (zie kader) blijkt nu dat die zorgen terecht zijn: zorginstellingen misbruiken hun bevoegdheden om kritische bewindvoerders en mentoren buitenspel te zetten. Niet alleen familieleden die optreden als bewindvoerder of mentor, maar ook professionele vertegenwoordigers worden door zorginstellingen op een zijspoor gezet.

‘Als je te veel tegen de wensen van zorginstellingen of zorgverleners ingaat, zorgen ze ervoor dat de cliënt overstapt naar een andere bewindvoerder/mentor die wél meewerkt’, zegt een respondent. Zorginstellingen oefenen soms zelfs druk uit over de rug van hun cliënten, zeggen meerdere respondenten. ‘Ik had kritiek en vroeg een gesprek aan, waarop mijn klant mij huilend opbelde en verzocht geen stappen meer te ondernemen. Hij had een giga uitbrander gehad en werd beticht van opruiing van de bewindvoerder.’ Een ander schrijft: ‘Wanneer ik kritiek heb kan het gebeuren dat cliënten tegen mij opgezet worden en gestimuleerd worden om een andere bewindvoerder te zoeken.’ Een derde meldt: ‘Een cliënt van mij heeft op aandringen van zijn ambulant begeleider een verzoek ingediend om het beschermingsbewind te laten opheffen, omdat ik niet op het lijstje sta van vaste bewindvoerders met wie deze zorginstelling zaken doet.’

Bewindvoerders en mentoren moeten hun taken volgens de wet volkomen onafhankelijk van zorginstellingen uitvoeren. Zij moeten slechts één belang dienen: dat van hun cliënt. ‘Je moet een vuist kunnen maken’, zegt hoogleraar Blankman. Maar bewindvoerders en mentoren worden soms onder druk gezet door zorginstellingen. En veel van de mentoren en bewindvoerders zijn kwetsbaar om te zwichten voor die druk, omdat meer dan de helft van hen voornamelijk via zorginstellingen aan nieuwe zorgcliënten komt, zo blijkt uit onze enquête.

Een respondent stelt dat zorginstellingen ‘werken vanuit een machtspositie’. ‘Het is zeer moeilijk om aan klanten te komen in een zorginstelling. Dat gaat op persoonlijke gunning en veelal aan de reeds bekende bewindvoerders. Er wordt niet meer gekeken naar de kundigheid van een bewindvoerder.’ Een ander vertelt dat hij kritiek had op de zorg die zijn cliënt kreeg. ‘Vervolgens verwijzen ze nieuwe cliënten door naar een andere bewindvoerder.’

Volgens de wet mag iemand die bij een zorginstelling werkt niet tegelijkertijd mentor of bewindvoerder zijn van een cliënt uit die instelling. Maar via LinkedIn vinden we meerdere mentoren en bewindvoerders die tevens bij zorginstellingen werken. Een respondent uit onze enquête schrijft dat cliënten worden ondergebracht bij een bewindvoerder ‘die een kantoor heeft op het terrein van de zorginstelling’. En koepelorganisaties zeggen in de wetsevaluatie dat het voorkomt dat zorginstellingen de regels omzeilen door aparte stichtingen op te richten. Deze worden dan tot mentor of bewindvoerder benoemd, terwijl de feitelijke uitvoering van bewind of mentorschap door de zorginstelling wordt gedaan.

Een aantal grote bewindvoerders- en mentorschapskantoren adverteert openlijk met hun vaste partnerschappen met zorginstellingen. Zo schrijft de Stichting Beheer Bewonersgelden Zorginstellingen op haar website: ‘Als vaste partner van de zorginstellingen Dichterbij, Pluryn, Zideris en IrisZorg verzorgen wij o.a. bewindvoering voor ruim 2000 cliënten in Midden- en Zuidoost Nederland. SBB Zorginstellingen werkt met vaste bewindvoerders die ook op locatie aanwezig zijn.’ De Stichting Cliënt Support werd opgericht door de ’s Heeren Loo Zorggroep, en voert bewind over de cliënten van diezelfde zorggroep. >

Het College voor de Rechten van de Mens vindt dit soort stichtingen onwenselijk. ‘Met name wanneer betrokkene verder geen familie of sociaal netwerk heeft kan een kwetsbare afhankelijkheidssituatie ontstaan met conflicterende belangen.’ Gezondheidsjurist Olga Floris van de Erasmus Universiteit, die regelmatig personen met een verstandelijke beperking bijstaat in procedures tegen zorginstellingen, licht toe wat er mis kan gaan. ‘Wettelijk vertegenwoordigers die niet volstrekt onafhankelijk zijn, zullen snel geneigd zijn om te doen wat de instelling zegt. Je gaat heel snel mee in de cultuur van de instelling, je gaat denken: zo is het nu eenmaal, of: daar is geen geld voor.’

Uit onze enquête blijkt dat sommige bewindvoerders en mentoren inderdaad flink meedenken met de zorginstelling. ‘Er is een enorm personeelstekort in de zorg. Ik hou daarmee rekening met wat ik van de instelling vraag’, schrijft een respondent. ‘De arbeidsmarkt is dermate krap dat je soms genoegen neemt met lagere zorgkwaliteit’, zegt een ander.

Zelfs volledig onafhankelijke professionele mentoren en bewindvoerders hebben moeite om hun cliënten de juiste zorg en aandacht te geven. In onze enquête zeggen vier van de vijf respondenten dat ze onvoldoende tijd hebben voor hun cliënten. Als er lastige kwesties moeten worden aangekaart zijn de zeventien betaalde uren per jaar snel op. ‘Ik twijfel soms echt of mijn cliënt voldoende zorg krijgt’, zegt een respondent. Maar hij heeft ‘te weinig tijd om echt zaken te onderzoeken. Je kunt (door tijdgebrek) maar beperkt bezwaar maken tegen een zorginstelling.’

Mieke van den Broek waakt over haar bejaarde tante Lusie, als ware het haar eigen moeder. Lusie verblijft in een Brabants verpleeghuis en heeft verder geen familie meer die naar haar omkijkt, dus Mieke voelt zich zeer verantwoordelijk. Wanneer er ’s nachts geen verpleging komt kijken nadat haar tante op de alarmknop heeft gedrukt, wil Van den Broek precies weten hoe dat kan gebeuren. Wanneer haar tante valt en een hoofdwond heeft die niet gehecht is, stuurt Van den Broek direct een bezorgde mail naar de teammanager: ‘Welke arts heeft haar gezien en waarom heeft hij haar zo slecht behandeld?’

Veertig procent van de professionele mentoren en bewindvoerders vindt dat rechters ‘niet kritisch’ kijken naar verzoeken die door zorginstellingen worden ingediend’

Als er hoogoplopende onenigheid ontstaat tussen Van den Broek en het verpleeghuis, dient zij een verzoek in om mentor-bewindvoerder te worden. Ze vreest dat het verpleeghuis buiten haar om beslissingen wil doordrukken. Maar de zorginstelling doorkruist dat plan door ruim een week later zélf een verzoek in te dienen. Opmerkelijk, want het uitgangspunt van de wet is juist dat instellingen dat alleen kunnen doen als er geen familie beschikbaar is.

Lusie van den Broek verklaart op de zitting ‘dat zij graag wil dat Mieke voor haar zorgt’: Mieke kent haar goed en de papieren houdt ze ook in de gaten. Volgens de wet staat de wens van de betrokkene voorop, en benoemt de rechter bij voorkeur een familielid. Maar ondanks de ‘consistente wens’ van de bejaarde dame gaat de rechter daaraan voorbij. Hij stelt een externe bewindvoerder aan, zonder uit te leggen waarom Van den Broek niet geschikt zou zijn. Zij mag nog wel mentor worden, maar moet in de maanden na de uitspraak laten zien met de instelling te kunnen samenwerken. Acht maanden later zet de rechter haar definitief aan de kant. De onderlinge verhoudingen zijn ‘de afgelopen tijd niet verbeterd’ en ‘de ontwrichte relatie tussen partijen zal niet in het belang zijn van betrokkene’, oordeelt de rechter. Ook in hoger beroep verliest Van den Broek, ondanks het feit dat zij zich volgens de rechter ‘ten volle inspant om te zorgen dat haar tante optimaal verzorgd wordt’. Het gerechtshof leunt bij die beslissing volledig op verklaringen van de bewindvoerder en de instelling.

De ervaren kantonrechter Paul Rouwen, die namens de rechtspraak het woord voert, beaamt dat het aanstellen van een nieuwe bewindvoerder of mentor eigenlijk een te simpele oplossing is voor zo’n ingewikkeld conflict. Alleen, zegt hij, in het ‘half uurtje’ dat doorgaans wordt uitgetrokken voor de zitting ‘kun je niet precies de vinger op de zere plek leggen. Maar je kunt wel aangeven: dit moet eigenlijk zo niet verder, wat als we nou eens een time-out creëren met een externe bewindvoerder?’ Rouwen benadrukt dat hij in ingewikkelde gevallen meer tijd uittrekt om iedereen kritisch te horen en een goede afweging te maken.

Veertig procent van de professionele mentoren en bewindvoerders vindt echter dat rechters ‘niet kritisch’ kijken naar verzoeken die door zorginstellingen worden ingediend, zo blijkt uit een rondvraag onder 77 beroepsvertegenwoordigers die voor de wetsevaluatie werd gedaan. ‘Als de instelling zegt dat de familiebewindvoerder of -mentor niet in het belang van de betrokkene handelt, dan neemt de rechter dat al snel aan’, zegt gezondheidsjurist Olga Floris. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland zegt in een reactie op ons onderzoek dat zorginstellingen niet om ontslag van een bewindvoerder of mentor moeten kunnen vragen wanneer er sprake is van strijd tussen ouders en de instelling.

Zorginstellingen hebben een zogenaamde ‘vermeldingsplicht’: zij moeten uitleggen waarom het verzoek niet door de familie is ingediend. Maar veel kantonrechters zien deze plicht slechts als een formaliteit, blijkt uit de wetsevaluatie. Advocaat Saskia Fonds, die onderbewindgestelden en hun families bijstaat, vindt dat rechters te makkelijk meegaan in verzoeken van zorginstellingen. ‘Ik merk dat mijn cliënten steeds vaker pas worden gehoord nadat het besluit al genomen is. Verzoeken worden soms als spoedeisend behandeld terwijl dat helemaal niet nodig is.’ Onder meer de zaak van de familie Zeilemaker werd door de instelling als spoedeisend aangemerkt. Volgens hoogleraar Blankman zou de familie altijd een advocaat moeten krijgen wanneer de zorginstelling een aanvraag doet. ‘Het gaat te snel voor mensen. In de landen om ons heen hebben ze voor dit soort beslissingen zwaardere procedures.’

Kantonrechter Rouwen geeft toe dat hij vrijwel altijd de mentor of bewindvoerder benoemt die de zorginstelling voorstelt, en vindt dat ‘prima’. ‘Als de instelling zegt: “Dat is gewoon een goeie”, ga ik er toch wel van uit dat wat de instelling wil goed is voor de cliënt.’ En hij vindt het ook logisch. ‘Anders moet ik bij ons op de administratie vragen: “Goh, we hebben hier iemand in die of die instelling zitten, wie zou daar nou geschikt voor zijn?”’ Is het niet naïef om te denken dat iemand die door de zorginstelling wordt aangedragen volstrekt onafhankelijk van de zorginstelling kan functioneren? Nee, vindt Rouwen, want hij vertrouwt erop dat hij in de periode na de benoeming een ‘vinger aan de pols’ kan houden. ‘Elk jaar krijgen wij een rapportje van die mentor hoe het gaat.’ Ook als de familie een klacht indient is dat altijd aanleiding om te kijken wat er kan worden verbeterd, zegt hij.

Toch lijkt het vertrouwen van Rouwen in dat ‘rapportje’ te optimistisch. Zes van de tien kantonrechters zegt ‘niet altijd adequaat toezicht te kunnen houden’. Zowel rechters als professionele mentoren en bewindvoerders vinden dat ‘de toezichthoudende rol van de rechterlijke macht onder druk komt te staan’, dat kantonrechters zich te vaak uitsluitend moeten baseren op de inbreng van de mentor of bewindvoerder en dat zij te afhankelijk zijn van niet goed onderbouwde klachten.

Het is moeilijk een goede klacht in te dienen, want mentoren en bewindvoerders hebben veel macht: zij kunnen familie verbieden om contact op te nemen met hun naaste en hebben alle documenten in handen. Maar zelfs wanneer je een goed onderbouwde klacht hebt, kan de bewindvoerder je nog de pas afsnijden, zo blijkt uit een Maastrichtse rechtszaak. Daar dienden een bejaarde moeder en haar dochter een verzoek in om de bewindvoerder van de moeder te laten ontslaan. De moeder neemt hiervoor een advocaat in de arm. Maar achter haar rug om ontslaat haar bewindvoerder de advocaat en stelt zijn eigen advocaat ervoor in de plaats. Daarop beëindigt de bewindvoerder zelf de rechtszaak die tegen hem is aangespannen. De rechtbank keurt het allemaal goed. Pas in hoger beroep wordt vastgesteld dat hiermee ‘onder meer’ het mensenrecht van de moeder op toegang tot de rechter is geschonden.

Wij hebben ons onderzoek voorgelegd aan de minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker. De minister zegt dat door de wetswijziging uit 2014 minder hulpbehoevenden tussen wal en schip vallen, maar vindt de voorbeelden uit ons onderzoek ‘zorgelijk’. Hij benadrukt dat de bevoegdheid van zorginstellingen om mentoren en bewindvoerders te ontslaan ‘is bedoeld om de rechter signalen te geven over slecht functionerende vertegenwoordigers, niet om vertegenwoordigers die niet doen wat een zorginstelling verlangt te laten ontslaan’. Het ministerie van Justitie en Veiligheid gaat met de rechtspraak bespreken ‘hoe de betrokkenheid van de familie in de praktijk beter kan worden geborgd bij verzoeken tot aanstelling of ontslag van een wettelijk vertegenwoordiger. De voorbeelden die Investico noemt, worden daarbij betrokken.’

Heleen van der Giessen was jarenlang nauw betrokken bij de zorg voor haar psychotische zoon Victor, ze bezocht hem wekelijks in de kliniek. Maar sinds ze afgelopen maart het mentorschap over Victor verloor, heeft ze hem nog maar twee keer gezien en moet ze machteloos toekijken hoe hij steeds verder afglijdt. ‘Die verwarde man op straat, dat wordt Victor als hij niet op een goede plek terechtkomt.’

Victor heeft al sinds zijn zestiende psychoses, deed verschillende zelfmoordpogingen en kwam in de geestelijke gezondheidszorg terecht. Vorig jaar kwam hij in een nieuwe kliniek. ‘Daar gingen veel drugs rond.’ Ook Victor raakte verslaafd.

Over Victors behandeling ontstaat onenigheid: de zorginstelling wil hem overplaatsen naar een plek die volgens Heleen niet geschikt is. ‘Ze wilden daar opnieuw allerlei medicatie gaan uitproberen die hij al had gehad en die niet werkt bij hem.’ Heleen vindt een andere plek waar ze meer vertrouwen in heeft. ‘Alles was geregeld, het was enkel nog wachten totdat er een plaats vrijkwam.’

Maar dan hoort Heleen dat haar zoon bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend om zijn ouders te ontslaan uit mentorschap. ‘Ik denk dat andere cliënten tegen Victor hebben gezegd: “Als iemand anders je zaken regelt, krijg je meer geld voor drugs.” Victor is extreem beïnvloedbaar en overziet de gevolgen van zijn keuzes niet.’

De rechter ontslaat Heleen en haar man, zonder te onderzoeken of Victor wel wilsbekwaam is. Hij stelt een nieuwe mentor aan die jarenlang in dienst is geweest bij de zorginstelling waar zijn verzorgers hem naar willen overplaatsen. Heleen wil kort daarna haar zoon bezoeken, maar wordt niet toegelaten. ‘De mentor had het verboden.’ Nieuwe pogingen lopen op niets uit. ‘Hij zegt: “Ik ga niet met u in discussie.”’

Maandenlang heeft Heleen alleen via de chat contact met haar eigen kind. ‘Totdat ik afgelopen oktober ontdekte dat Victor helemaal niet meer in de kliniek zat.’ Tot haar stomme verbazing blijkt Victor maanden eerder al te zijn overgeplaatst naar de kliniek die zij ongeschikt vindt. ‘De mentor heeft ons al die tijd niets verteld!’

Heleen schrikt wanneer ze langsgaat. ‘Victor was vreselijk gesedeerd, zat onder de medicatie. Hier gaat het niet goed, terwijl wij een heel goede plek hadden gevonden. En de mentor reageert nergens meer op.’ De mentor zegt in een reactie dat hij wegens privacyredenen weinig kwijt kan, maar laat weten dat het een ingewikkelde zaak betreft en dat wij vooral de kant van de ouders hebben vernomen.

Zorginstellingen staat het water aan de lippen: ze kunnen niet de kwaliteit van zorg leveren waar cliënten recht op hebben. Maar wanneer ouders, mentoren of bewindvoerders daar kritiek op hebben, grijpen diezelfde instellingen uit onmacht en onkunde naar een extreem machtsmiddel, in de hoop alles tot bedaren te brengen en problemen af te dekken. Zij dringen om oneigenlijke redenen diep door in de kern van het leven van hun cliënten: ze mengen zich in hun vrije keuzes en drijven een wig tussen zorgbehoevenden en hun familieleden. Bewindvoerders en mentoren die zwichten voor de druk van zorginstellingen verloochenen hun taak om de meest kwetsbaren in de samenleving te beschermen. Zij vormen een gevaar voor hen die bescherming juist het hardst nodig hebben.


De namen van Jan, Margreet, Thomas en Victor zijn om privacyredenen gefingeerd. Hun namen zijn bij de redactie bekend. Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Over dit onderzoek

Voor dit onderzoek spraken we met zo’n tien families die bewind, mentorschap of curatele verloren na tussenkomst van een zorginstelling en onderzochten we hun zaken aan de hand van correspondentie, rechterlijke uitspraken en medische dossiers. Ook spraken we met rechters, advocaten, brancheverenigingen en wetenschappers. En we hielden een enquête onder leden van de BPBI (Branchevereniging voor Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders) en het LOBCM (Landelijk Overleg van Bewindvoerders, Curatoren en Mentoren), waar 432 professionele bewindvoerders en mentoren op reageerden. De volledige enquêteresultaten zijn te vinden op platform-investico.nl.